In een vonnis van 3 april 2025 hanteerde de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen afdeling Gent (10e kamer) de figuur van de “eenzijdige wilsuiting” om te besluiten tot het bestaan van een plicht tot schadevergoeding na een verkeersongeval.[1] De wijze waarop een partij had getracht om het schadegeval minnelijk te regelen, bleek finaal haar (figuurlijke) doodsteek. Dit vonnis illustreert dat het uitspreken van een intentie tot minnelijke regeling van een geschil en het handelen naar die intentie kunnen leiden tot het ontstaan van een schadevergoedingsplicht (zelfs als een betwisting bestaat over aansprakelijkheid voor het verkeersongeval).
Achtergrond en standpunten
In maart 2021 deed zich (op een druk kruispunt te Gent) een verkeersongeval voor tussen een personenwagen en een autobus. Beide voertuigen liepen materiële schade op, terwijl de bestuurder van de personenwagen ook lichamelijk letsel opliep door de aanrijding. Het verkeersongeval leidde tot een discussie over aansprakelijkheid, die uiteindelijk ook werd beslecht via een vonnis van de politierechtbank Gent van 14 mei 2024. De bestuurder van de personenwagen werd aansprakelijk geacht en diens vordering tot schadevergoeding werd dan ook volledig afgewezen.
De bestuurder van de personenwagen kon zich echter niet vinden in dit rechterlijk oordeel en trok naar de beroepsrechter. In graad van beroep veranderde deze partij het geweer van schouder en beriep men zich niet langer op het aansprakelijkheidsrecht, maar wel op het verbintenissenrecht en meer specifiek de verbintenis door eenzijdige wilsuiting.
De autobestuurder beargumenteerde in beroep dat de andere partij (de werkgever van de busbestuurder) een eenzijdige verbintenis tot de betaling van een schadevergoeding was aangegaan omwille van een “eenzijdige wilsuiting”. Hiervoor steunde de autobestuurder zich op de (feitelijke) omstandigheden waarbij de tegenpartij, met (volledige) kennis van het strafdossier inzake het verkeersongeval, (i) tot tweemaal toe aangaf bereid te zijn het dossier minnelijk (buiten een rechtbank) te regelen, (ii) meerdere medische onderzoeken organiseerde om de lichamelijke letsels in kaart te brengen en (iii) zelfs een voorschot op de schadevergoeding uitbetaalde. Hieruit kon volgens de autobestuurder de expliciete wil van de werkgever van de busbestuurder worden afgeleid om de materiële en lichamelijke schade van de autobestuurder te vergoeden.
De werkgever betwistte deze (hier beschreven) stelling van de autobestuurder. Zij meende dat geen zekere/volwaardige wil bestond en dat de werkelijke wil er daarentegen enkel uit bestond om de schade te vergoeden voor zover haar busbestuurder aansprakelijk zou zijn voor het verkeersongeval (wat volgens de politierechtbank niet het geval was).
Rechterlijke beoordeling
De rechtbank overwoog dat een (verbindende) wil tot het aangaan van een verbintenis tot vergoeding geacht wordt aanwezig te zijn als een partij zich bereid verklaart (de schade) te vergoeden, en deze wil een werkelijke en zekere wil is tot het verwekken van bepaalde rechtsgevolgen, waarbij de wil niet mag zijn aangetast door een gebrek. De aanwezigheid van dergelijke wil is een feitenkwestie die door de rechtbank wordt beoordeeld rekening houdende met de concrete omstandigheden, aldus de rechtbank.
De rechtbank benadrukte dat de werkgever van de busbestuurder:
- tweemaal expliciet meedeelde dat zij de zaak minnelijk wilde regelen;
- expliciet aangaf dat geen betwisting zou worden gevoerd;
- een voorschot op de schadevergoeding uitbetaalde aan de autobestuurder; en
- diverse medische onderzoeken naar de letsels van deze bestuurder organiseerde.
Op basis van deze feiten oordeelde de rechtbank tot het bestaan van de effectieve uitdrukking van de wil van de werkgever om de schade uit het verkeersongeval volledig te vergoeden. Uit de mededelingen en handelingen van de werkgever kan immers de indruk worden afgeleid dat louter nog discussie zou worden gevoerd over de omvang van de (te vergoeden) schade, aldus de rechtbank. Het feit dat de mededelingen van de werkgever telkens een stijlformule bevatten (“onder voorbehoud, zonder nadelige erkenning”), doet volgens de rechtbank geen afbreuk aan de expliciete bewoordingen waarin de verbintenis tot vergoeding schuilt en waarmee ze werd aangegaan.
Eveneens benadrukte de rechtbank dat de latere, plotse betwisting van aansprakelijkheid geen afbreuk doet aan een rechtsgeldig tot stand gekomen vergoedingsverbintenis (uit de eenzijdige wilsuiting), die gewoon blijft bestaan. Van een dwaling kon ook geen sprake zijn volgens de rechter aangezien de werkgever van de busbestuurder handelde met volledige kennis van zaken (waaronder het strafdossier en de verklaringen van alle betrokkenen).
Zonder zich bijgevolg over de aansprakelijkheid voor het verkeersongeval uit te spreken, veroordeelde de rechtbank de werkgever van de busbestuurder tot de betaling van een schadevergoeding aan de autobestuurder.
Conclusie
Het doen van mededelingen over een intentie tot minnelijke regeling van een geschil kan (in bepaalde omstandigheden) leiden tot het ontstaan van een plicht tot schadevergoeding, zelfs als de aansprakelijkheid terecht kan/zou worden betwist.
Het is dan ook aangewezen voorzichtig te communiceren als men de intentie zou hebben om een geschil minnelijk te regelen en deze intentie op niet-vertrouwelijke wijze kenbaar zou maken.[2] De oplettende tegenpartij zou de rechter immers kunnen overtuigen van het bestaan van een eenzijdige verbindende wilsuiting tot vergoeding van schade, met als gevolg een schadevergoedingsplicht.
Of hoe een verkeersongeval kan leiden tot een discussie binnen het verbintenissenrecht …
Bas Schuermans, advocaat bij Bricks Advocaten




0 reacties