Justitie: een huis van vertrouwen? cover

20 okt 2026 | Column

Justitie: een huis van vertrouwen?
  • Prof. Dr. Elke Cloots is een prominente specialiste in het grondwettelijk en het Europees recht en in het recht van de mensenrechten. Zij is advocaat sinds 2006 en heeft al talloze zaken behartigd voor het Grondwettelijk Hof, de Raad van State en het Europees Hof van Justitie.
    Elke doceert sinds 2018 het vak Mediarecht aan de Universiteit Antwerpen. Voordien doceerde zij Europees recht aan de KU Leuven, de Universiteit van Maastricht en de UHasselt en was ze visiting scholar aan het European University Institute in Firenze. Ze heeft tal van internationale en nationale publicaties in het Europees publiekrecht op haar naam.
    Elke studeerde rechten aan de KU Leuven (Lic., 2006) en aan de Universiteit van Oxford (MJur, 2009). In 2013 behaalde zij aan de KU Leuven haar proefschrift over de rol van de nationale identiteit van de lidstaten in het Unierecht, onder de wetenschappelijke begeleiding van Prof. André Alen en Prof. Koen Lenaerts. Haar proefschrift werd uitgegeven bij Oxford University Press onder de titel National Identity in EU Law (2015).
    In 2017 trad Elke toe tot de Jonge Academie.

Recente Jobs

Management Assistent
Ondernemingsrecht
0 - 3 jaar
Oost-Vlaanderen
Juridisch adviseur
Commercieel recht
1 - 4 jaar
Oost-Vlaanderen
Notarieel jurist
Notariaat
0 - 3 jaar
Vlaams-Brabant
Dossierbeheerder
sociaal recht
0 - 3 jaar
Vlaanderen
Auditor
Fiscaal recht
5+ jaar
Vlaanderen

Waarde Stafhouder,
Geachte confraters,
Hooggeachte vergadering,

Wie onder u de Netflix-serie The Crown heeft gezien, herinnert zich misschien de episode waarin Koningin Elizabeth gekroond werd, in 1953 in Westminster Abbey. Wie geen uitnodiging had gekregen voor de ceremonie, was haar oom, Edward VIII, die in de jaren 1930 troonsafstand had gedaan om te kunnen trouwen met een gescheiden vrouw.

Maar geen nood. De kroning werd ook uitgezonden op televisie – voor de eerste keer in de geschiedenis – en Edward had in zijn woning in Parijs vrienden uitgenodigd om samen met hem de kroning op televisie te volgen. Toen zijn gasten zich vrolijk maakten over de pompeuze, middeleeuwse vertoning die ze op tv zagen, sprak Edward hen vermanend toe:

Who wants transparency when you can have magic?

Who wants prose when you can have poetry?

Pull away the veil and what are you left with?

An ordinary young woman of modest ability and little imagination.

But wrap her up like this, anoint her with oil,

and hey, presto, what do you have?

A goddess.

Wel zo is het ook een beetje met rechtspraak. In zijn pure essentie, in zijn pure naaktheid, is rechtspraak niet meer dan het oordeel van een mens over het doen en laten, over de schuld of onschuld, van een medemens.

Waarom zouden mensen dat oordeel moeten gehoorzamen? Waaraan ontleent dat oordeel zijn gezag, zijn bindende kracht?

Is het uiterlijk vertoon en symboliek?

Net zoals bij koningen en koninginnen kan dat natuurlijk helpen.

Het is niet voor niets dat onze rechters een toga dragen, afgeboord met zijde en hermelijn, en op een hoge stoel zitten die op een trede staat in een indrukwekkend paleis, speciaal voor justitie gebouwd.

Ook al is dit paleis intussen in een eeuwige werf veranderd, en staat het hier en daar zelfs op instorten als we de kranten mogen geloven, alles is er op gericht gezag uit te stralen – of zo was het toch ooit bedoeld.

Maar uiterlijk vertoon alleen is natuurlijk niet genoeg, zeker niet in deze tijden.

De échte reden waarom we het oordeel van de rechter gehoorzamen, is simpelweg omdat we als samenleving de keuze maken om dat te doen.

Omdat we met zijn allen aanvaarden dat de rechtbank – niet het marktplein, niet het café, niet de krant, niet de televisiestudio en al zeker niet YouTube, maar de rechtbank – de plaats is waar geschillen worden beslecht, en waar wordt beslist over iemands schuld of onschuld.

Met andere woorden, omdat we met zijn allen aanvaarden om in een rechtsstaat te leven, waar het rechters zijn die met gezag geschillen beslechten, en waar we er ook op kunnen vertrouwen dat rechters tegen die belangrijke taak zijn opgewassen.

De rechtsstaat is dus in wezen een idee. Noem het een geloof, een levenswijze, een engagement, een aspiratie, een ideaal.

De rechtsstaat bestaat niet omdat ze ons als burgers wordt opgelegd van hogerhand, nee het zijn wijzelf die ervoor kiezen dat de rechtsstaat bestaat. De rechtsstaat bestaat slechts voor zover wij willen dat ze bestaat en erin geloven.

En het is aan elke generatie opnieuw om die keuze voor de rechtsstaat te maken en om het geloof erin brandend te houden. Een geloof dat we, generatie na generatie, moeten doorgeven aan elkaar en aan onze kinderen, via de opvoeding en het onderwijs.

De rechtsstaat is daarom nooit definitief verworven, nooit een evidentie, iets wat nu pijnlijk duidelijk wordt in de Verenigde Staten.

Ook bij ons staat de rechtsstaat onder druk – in mindere mate gelukkig, maar toch.

Die druk komt van twee kanten: het vertrouwen van de burgers in justitie wordt op twee manieren onderuit gehaald.

  • Langs de ene kant, is er de vele kritiek van buitenaf op de werking van justitie en op beslissingen van rechters, soms zelfs op hun persoon: die kritiek knaagt aan het vertrouwen van het publiek in justitie en zo ook aan het gezag van het gerecht.
  • Langs de andere kant, is er ook druk van binnen het systeem zelf. Onze justitie moet het vertrouwen van het publiek ook verdienen. Onze justitie moet betrouwbaar zijn. Ook op dat vlak zijn er in ons land heel wat pijnpunten.

Ik ga op beide aspecten nader in.

I. Kritiek van buitenaf op justitie en rechters

Laat me beginnen met de kritiek van buitenaf op justitie en rechters.

Hoe belangrijk het in een rechtsstaat ook is dat het gerecht gezag en autoriteit heeft, het is in een rechtsstaat evenzeer cruciaal dat de vrijheid van meningsuiting wordt beschermd.

Die vrijheid verdient bij uitstek bescherming wanneer thema’s van maatschappelijk belang aangesneden worden, zoals de werking van het gerecht in het algemeen, of de behandeling van een specifieke zaak door het gerecht.

Er is volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens weinig ruimte om de uitingsvrijheid over die thema’s in te perken.

Het gerecht is een fundamentele instelling van de staat en moet in een rechtsstaat dus kritiek kunnen verdragen.

Hetzelfde geldt voor individuele rechters. Zij maken deel uit van die staatsinstelling en moeten – in die hoedanigheid – méér kritiek kunnen verdragen dan gewone burgers.[1]

En die kritiek hoeft niet fijnbesnaard te zijn.

Zoals het Ontario Court of Appeal het mooi formuleerde in een arrest uit 1987 in de zaak Kopyto:

“the courts are not fragile flowers that will wither in the hot heat of controversy”.[2]

De rechtbanken zijn geen tere bloempjes die zullen verwelken in de warme hitte van de controverse.

Kritiek op het gerecht is bovendien van alle tijden en zeker niet altijd ongegrond: laten we niet vergeten dat één van de redenen voor het ontstaan van België precies was dat de revolutionairen het in 1830 gehad hadden met de vele vervolgingen en veroordelingen van de oppositiepers in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden.[3]

Ook in landen die momenteel aan het afglijden zijn richting dictatoriale regimes, en waar politieke machthebbers weerbarstige rechters hebben vervangen door meer buigzame, is het net in het belang van de rechtsstaat dat de werking van het gerecht en individuele rechterlijke beslissingen op de korrel kunnen worden genomen.

Zeker journalisten en academici, en in iets mindere mate advocaten, hebben volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een grote vrijheid om kritiek te uiten op de werking van het gerecht en op individuele beslissingen.

Journalisten

Laat ons eerst stilstaan bij de journalisten.

Magistraten hebben het soms moeilijk met de grote uitingsvrijheid van de pers, zo blijkt uit een aantal recente beslissingen van de raad voor de journalistiek.

Ik geef slechts één voorbeeld.

In 2023 schreef een journalist een kritisch opiniestuk in Het Laatste Nieuws over het vervolgingsbeleid van het parket. De aanleiding was dat het parket, toen de pandemie al voorbij was, nog steeds strenge straffen bleef vorderen voor mensen die hun mondmasker verkeerd droegen, zelfs gevangenisstraffen, terwijl dat volgens de journalist niet altijd het geval was voor veel zwaardere misdrijven.

Het parket van Oost-Vlaanderen voelde zich geviseerd en stapte naar de raad voor de journalistiek, maar ving bot.[4]

Deze beslissing van de raad voor de journalistiek is volgens mij correct. Het gaat om kritiek van een journalist op de werking van ons gerecht en op wat hij ziet als een systeemfout daarin.

Journalisten moeten, als ‘public watchdogs’, een grote vrijheid hebben om op dergelijke fouten te wijzen en mogen volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof daarbij ook scherp zijn, overdrijven en provoceren.

Ook over individuele rechtszaken moet de pers kunnen berichten en commentaar kunnen geven, ook als die rechtszaken nog aanhangig zijn.

Wel kan in journalistieke verslaggeving en opiniestukken over individuele rechtszaken natuurlijk een conflict rijzen tussen de vrijheid van meningsuiting van de journalist, enerzijds, en het recht op een eerlijk proces en het recht op eerbiediging van het privéleven van de verdachte of beklaagde, anderzijds.

Journalisten moeten daarom het vermoeden van onschuld respecteren, wanneer zij schrijven over strafprocessen die nog bezig zijn of zelfs nog niet van start zijn gegaan (bijvoorbeeld door erbij te vermelden dat het strafonderzoek nog loopt).

Wat dan met het bekendmaken van volledige namen of het tonen van beelden van verdachten of beklaagden in de pers?

Wel dit laat het Europees Hof toe, zeker wanneer het bekende personen zijn of, als dat niet zo is, van zodra het strafproces van start is gegaan. In dergelijke omstandigheden kan iemand immers geen legitieme privacyverwachting meer hebben volgens het Hof.[5]

Er kan volgens mij dan ook weinig twijfel over bestaan dat de nieuwsredacties de volledige namen van de beklaagden en de veroordeelden in de zaak-Sanda Dia hadden mogen bekendmaken, wat uiteraard niet wil zeggen dat zij er ook toe verplicht waren.

Wat gezegd mag worden, moet niet per se gezegd worden.[6]

Een interessante vraag in dat verband is of de bijzondere bescherming die journalisten genieten ook geldt voor bloggers of online influencers.

Het Europees Hof heeft die vraag al in een aantal zaken bevestigend beantwoord.[7]

Op basis van die rechtspraak, lijkt het er dus op dat een influencer als Acid de namen van strafrechtelijk veroordeelden bekend mag maken op zijn YouTube-kanaal, ook al beslissen de nieuwsredacties om dat niet te doen. Wat niet wil zeggen dat hij ook namen bekend mag maken van private personen die niet vervolgd en dus ook niet veroordeeld zijn; dat heeft Acid óók gedaan en daarvoor is hij m.i. terecht veroordeeld wegens belaging.

Academici

Niet alleen journalisten, ook academici hebben een grote uitingsvrijheid. Een annotatie onder een vonnis of een arrest mag uiteraard kritisch zijn. Ik zou zelfs zeggen: moet kritisch zijn. De rechtsleer is geen applausmachine voor de rechtspraak.

Het is net een essentiële taak van de rechtsleer om, via constructieve kritiek, de rechtspraak waar nodig bij te sturen of om wetswijzigingen voor te stellen.

Kritiek geven is bovendien geen prerogatief van rechtsgeleerden alleen. Ook filosofen bijvoorbeeld mogen dat doen.

Ik moet toegeven: een geval apart zijn wel de sociologen, meer bepaald sociologen van de VUB die op emeritaat zijn en die graag columns schrijven in De Morgen.

Ik noem geen namen, maar ik vermoed dat het Europees Hof zou oordelen dat ook die categorie van academici een grote vrijheid van meningsuiting geniet, tot spijt van wie het benijdt.

Advocaten

Wat dan met advocaten? Een vraag die de laatste week plots aan relevantie heeft gewonnen.

Wel ook de vrijheid van meningsuiting van advocaten is volgens het Europees Hof bijzonder beschermd, zeker binnen de rechtszaal, waar de advocaat de belangen van zijn cliënt ten volle moet kunnen behartigen.[8]

In iets mindere mate geniet de advocaat bescherming buiten de rechtszaal.

De vrijheid van meningsuiting van advocaten buiten de rechtszaal gaat volgens het Europees Hof niet zo ver als die van de journalist. In tegenstelling tot journalisten zijn advocaten namelijk geen buitenstaanders, maar wel protagonisten van het justitieel apparaat. Net als rechters zijn zij direct betrokken bij het functioneren ervan.

Advocaten en rechters moeten daarom respectvol met elkaar omgaan.

Als tussenpersonen tussen het publiek en het gerecht moeten advocaten er mee voor zorgen dat het publiek zijn vertrouwen in het gerecht behoudt.

Advocaten mogen weliswaar kritiek geven op de rechtsbedeling en die kritiek mag bovendien scherp en zelfs sarcastisch van toon zijn.[9]

Maar advocaten moeten zich wel onthouden van “gratuite en ongefundeerde aanvallen” of beledigingen aan het adres van een rechtbank of een individuele rechter,

Nu de scheidslijn tussen kritiek en beledigingen kan in de praktijk dun zijn. Zij moet worden getrokken in het licht van alle omstandigheden van de zaak, waaronder het taalgebruik, de context waarin de advocaat de uitspraken deed en zijn intenties.

Hoe dan ook moeten de sancties voor advocaten die toch de grenzen van hun ruime vrijheid van meningsuiting te buiten gaan, proportioneel zijn. Zelfs een lichte geldboete kan al een chilling effect hebben op advocaten, zo oordeelt het Europees Hof.

Politici

Komen we dan bij de moeilijkste vraag: wat met kritiek van politici?

Hier is het spanningsveld tussen conflicterende rechten en belangen volgens mij het grootst:

  • Enerzijds, genieten ook politici natuurlijk een bijzonder grote vrijheid van meningsuiting. “Political speech” kan amper worden ingeperkt.
  • Anderzijds, zijn politici als geen ander in staat om het vertrouwen van het publiek in het gerecht te ondermijnen.

Door rechters en hun oordelen weg te zetten als “wereldvreemd”, of te spreken over “werkstrafjes”, kunnen politici – meer dan wie dan ook – het wantrouwen van de burgers in het gerecht voeden.

Op korte termijn levert het hen misschien ‘likes’ op, maar op lange termijn zullen ook politici slechter af zijn als de bevolking geen vertrouwen meer heeft in het gerecht en de andere overheidsinstellingen.

Het is ook oneerlijk.

Rechters kunnen zich vanwege hun discretieplicht niet verdedigen tegen politieke uitlatingen over een individuele zaak. Daarenboven zijn het net politici die de wetten maken en die ook kunnen aanpassen of preciseren als ze vinden dat rechters de wet verkeerd toepassen, of te milde of te strenge straffen opleggen. Politici kunnen dus perfect hun wil doordrukken, als ze daarvoor genoeg medestanders kunnen vinden tenminste, zonder dat het daarvoor nodig is om het vertrouwen van de bevolking in justitie te ondermijnen.

Zo mogelijk nóg schadelijker – in mijn ogen – zijn publieke verklaringen van ministers dat ze vonnissen en arresten waarin de overheid in het ongelijk wordt gesteld, niet gaan uitvoeren. Hoe zij dan nog denken van gewone burgers te kunnen verlangen dat die wél het recht naleven, is mij een raadsel.

Politici die voor hun eigen electorale gewin dergelijke uitspraken doen, spelen dus met vuur.

Niettemin is het ook politici niet verboden om zich kritisch uit te laten over rechtspraak in het algemeen, of over een concrete rechtszaak.

Slechts wanneer andere overheidsorganen daadwerkelijk druk op de rechter zouden uitoefenen in een nog hangende zaak, komt de rechterlijke onafhankelijkheid in gevaar, en dan is er mogelijk sprake van een schending van het recht op een eerlijk proces.

Maar afgezien van uitzonderlijke gevallen, is er vanuit juridisch oogpunt niet zo heel veel in te brengen tegen uitlatingen van politici over rechtspraak.

In de praktijk komt het er dus vooral op aan dat rechters zich niet onder druk laten zetten door de politiek.

Ik hoor u al denken: ja, maar wat dan met de open brief die negen Europese leiders, onder wie de Belgische Eerste Minister, in mei van dit jaar hebben gepubliceerd en waarin zij vragen dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens de Verdragsstaten meer ruimte zou laten om een strenger migratiebeleid te voeren?

De voorzitter van de Raad van Europa, Alain Berset, spreekt van ‘politieke druk’ op het Hof en van een poging om de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het Hof te ondermijnen. Ook talloze academici hebben de brief gebrandmerkt.

Persoonlijk vind ik die brief nochtans minder schokkend dan de andere politieke uitspraken die ik zonet heb vermeld.

1. De toon van de brief is respectvol en sereen.

2. De brief gaat over een belangrijk maatschappelijk thema waarover redelijke mensen inhoudelijk van mening kunnen verschillen en het standpunt van de regeringsleiders is ook al in sommige rechtsleer verdedigd.

3. Het EVRM is een internationaal verdrag met 46 partijen en dus niet te vergelijken met een wet die de politiek kan wijzigen als ze het oneens is met de interpretatie die rechters eraan geven.

4. De Europese rechters zijn volstrekt vrij om die brief simpelweg naast zich neer te leggen, zonder enige repercussie te riskeren.

II. Pijnpunten binnen justitie

Laat ons dan vervolgens eens kijken naar de pijnpunten binnen justitie zelf.

Zoals ik aan het begin van mijn uiteenzetting zei: onze justitie moet het vertrouwen van het publiek ook verdienen.

Helaas is het vertrouwen van burgers in de Belgische justitie sinds 2010 stelselmatig gedaald. Volgens de meest recente Justitiebarometer van de Hoge Raad voor de Justitie blijkt momenteel nog nauwelijks de helft van de Belgen vertrouwen te hebben in justitie; onze justitie krijgt van de burger zo een veel slechter rapport dan in de meeste van onze buurlanden.

Negen op de tien Belgen vindt dat de behandeling van een rechtszaak te lang duurt. Justitie wordt door veel Belgen bovendien als weinig toegankelijk beschouwd.

Ook een verslag van de Europese Commissie van juli dit jaar, over de stand van de rechtsstaat in België, is bijzonder kritisch. Volgens de Commissie kampt de Belgische justitie met een structureel tekort aan middelen, maar moeten er ook stappen worden gezet om justitie efficiënter te laten functioneren.

Voor een stuk is justitie natuurlijk afhankelijk van de goodwill van de politiek om de problemen te verhelpen, en van meer middelen, maar er zijn volgens mij ook een aantal zaken die justitie zélf kan ondernemen om de banden met de burger aan te halen, of die ze minstens proactief kan voorstellen aan de politiek.

Staat u mij toe om van mijn vrijheid van meningsuiting gebruik te maken om enkele voorstellen te doen.

1. Een eerste reeks voorstellen is erop gericht de duidelijkheid en transparantie ten aanzien van de burger te vergroten

Ik doe vier concrete suggesties op dat vlak.

  1. Vonnissen en arresten moeten systematisch bekend worden gemaakt, uitzonderlijke gevallen en de mogelijkheid tot anonimisering en pseudonimisering niet te na gesproken.
  2. Justitie moet communiceren in een meer begrijpelijke taal.
  3. Justitie moet de burgers over haar oordelen veel meer proactief informeren, ook via sociale media, in plaats van te wachten tot een golf van desinformatie het land overspoelt. Desinformatie verspreidt zich als een lopend vuurtje, zeker in tijden van algoritmes en sociale media. Eens het kwaad geschied is, is het heel moeilijk om het tij nog te keren door juiste informatie te verspreiden, zoals dit voorjaar is gebleken na het Leuvense vonnis in de spraakmakende verkrachtingszaak.
  4. De motivering van rechterlijke oordelen kan en moet beter.

Waarvoor dient een motivering?

Om te zorgen dat de partijen, en vooral dan de partij die ongelijk heeft gekregen, begrijpen wat de rechter heeft beslist en waarom.

Een goede motivering vergt dan ook een grote empathie van een rechter.

Maar een motivering moet het oordeel van de rechter ook voor de samenleving begrijpelijk maken. Als rechterlijke beslissingen werkelijk openbaar zullen worden, dan wordt het des te belangrijker dat rechters hier aandacht voor hebben.

Het is ook cruciaal dat rechters zich bewust zijn van het elitair karakter dat justitie nog steeds in de ogen van vele burgers heeft.

Uit de laatste justitiebarometer is gebleken dat vooral onder de lagere sociale klassen het wantrouwen in justitie bijzonder groot is.

Rechters moeten er dan ook alles aan doen om het beeld te ontkrachten dat het recht er vooral is voor de rijken en de hoogopgeleiden, en al zeker dat beeld niet bestendigen in de motivering van hun beslissingen. Ook op de zitting moeten zij zich daarvoor hoeden.

2. De magistratuur moet diverser worden

Een tweede voorstel, dat hierbij aansluit, is dat de magistratuur, als geheel, diverser moet worden.

Hoewel er al veel meer vrouwelijke magistraten zijn dan vroeger, blijven vrouwen nog ondervertegenwoordigd op de hoogste echelons, met name in het Hof van Cassatie en de Raad van State.

Ook op andere vlakken is de magistratuur nog te weinig divers. Er zijn bijzonder weinig magistraten van een andere etnische afkomst bijvoorbeeld.

Over de sociale achtergrond van magistraten is weinig bekend, en op dat vlak zal de magistratuur zeker diverser zijn dan pakweg 50 jaar geleden, maar representatief voor de bevolking is de magistratuur ook op dat punt allicht niet.

Nochtans is het, om de kloof met de burger te verkleinen, cruciaal dat justitie een afspiegeling vormt van de hele samenleving, in al haar diversiteit.

In het Verenigd Koninkrijk worden vrouwen, etnische minderheden en juristen die een ‘state school education’ hebben genoten daarom actief aangespoord om te solliciteren.[10] Bovendien worden kandidaten uitgenodigd om bij hun sollicitatie zoveel mogelijk informatie te geven over hun persoonlijke achtergrond.[11] Ook kan, wanneer twee kandidaten gelijke verdiensten hebben, voorrang worden gegeven aan een kandidaat uit een ondervertegenwoordigde groep.[12]

In schril contrast met die Britse aanpak staat de pijnlijke saga bij ons rond de fraude bij magistratenexamen. Niet alleen geeft zij de indruk dat sommigen boven de wet staan, maar zij bestendigt ook het beeld dat, als je in ons land magistraat wil worden, je toch nog steeds een streepje voor hebt als je de zoon of dochter van een magistraat bent.

Uitstekende en integere juristen, die niet die familiale connecties hebben, kunnen door dergelijke verhalen worden ontmoedigd om de overstap naar de magistratuur te maken, terwijl onze justitie net hen nodig heeft om het tanende vertrouwen van de burger terug te winnen.

Ik roep de Hoge Raad voor de Justitie dan ook op om kandidaten uit groepen die nu ondervertegenwoordigd zijn in onze justitie meer actief aan te sporen om een carrière in de magistratuur te overwegen en om mee te doen aan het examen.

3. Tot slot dan de gerechtelijke achterstand, in het bijzonder in Brussel: die moet uiteraard worden weggewerkt

Ik hoef u niet te vertellen dat die achterstand proporties aanneemt die een rechtsstaat onwaardig zijn. De uitdrukking “Justice delayed, is justice denied” is hier op zijn plaats.

Veel meer nog dan de statistieken, zijn het de verhalen van echte mensen die tonen hoe waar die uitspraak is.

Uiteraard bestaat er geen magische oplossing voor dit probleem, maar ik durf hier toch twee concrete voorstellen te doen, op basis van buitenlandse voorbeelden.

1. Limiet op de lengte van conclusies in burgerlijke procedures

Ten eerste zou volgens mij een limiet moeten worden gezet op de lengte van conclusies die advocaten in burgerlijke procedures mogen indienen. Het aantal pagina’s van processtukken kan volgens mij perfect worden beperkt tot een redelijk maximum.

Dat is ook in andere rechtssystemen het geval.

Vorige week vrijdag nog stuurde een rechter in Florida de advocaten van de Amerikaanse president wandelen, omdat zij tegen de New York Times een klacht van maar liefst 85 pagina’s hadden ingediend over slechts twee beledigingen in de krant aan het adres van hun illustere cliënt. De advocaten krijgen nu de mogelijkheid om de klacht te herformuleren op maximaal 40 bladzijden.

Maar ook in minder zonnige oorden, dichter bij huis, trachten rechters advocaten in toom te houden.

In Luxemburg mogen schriftelijke opmerkingen voor het Hof van Justitie maar 20 pagina’s lang zijn.

En voor de Nederlandse gerechtshoven wordt sinds 2021 een soortgelijke paginalimiet opgelegd om de omvang van procesdossiers beheersbaar te houden en de behandeltijd per zaak te beperken.[13] Sinds 1 juli 2025 mag ook voor de lagere rechtbanken in Nederland een processtuk niet meer onnodig lang zijn, zonder dat evenwel een exacte paginalimiet wordt voorgeschreven.[14]

Dit is een maatregel waarvoor de magistratuur de politiek niet eens nodig heeft, een maatregel die niets kost en die onmiddellijk kan worden ingevoerd.

Ik ben mij er natuurlijk van bewust dat een paginalimiet het businessmodel van heel wat advocaten ondergraaft, maar het is mijn vaste overtuiging dat ook wij als advocaten ons steentje moeten bijdragen om de achterstand in gerechtszaken weg te werken, in plaats van deze steeds verder te doen oplopen.

2. Hoger beroep voor iedereen en altijd mogelijk?

Ten tweede moeten we ons de vraag durven stellen of hoger beroep wel in alle zaken mogelijk moet blijven.

Iedereen die kinderen heeft weet immers: beloof niks wat je toch niet kunt waarmaken.

En ik denk dat we stilaan onder ogen moeten durven zien dat we de belofte van een tijdige behandeling van burgerlijke zaken in hoger beroep niet kunnen waarmaken in België.

Ik weet dat ook dit een heilig huisje is, maar in burgerlijke zaken is hoger beroep ‘nice-to-have’, geen mensenrecht.

In verschillende landen is hoger beroep niet in alle burgerlijke zaken mogelijk, of niet automatisch.

Wanneer de problemen in Brussel niet opgelost geraken, dan gaat de overheid volgens mij niet anders kunnen dan de toegang tot het hoger beroep selectiever te maken, zoals dat bijvoorbeeld ook in het Verenigd Koninkrijk het geval is.

Hooggeacht publiek,

Ik rond af.

De rechtsstaat is nooit af en nooit verworven. Het is de opdracht van elke burger, en zeker van al wie bij justitie betrokken is, om de rechtsstaat in ere te houden, zodat we hem in de best mogelijke staat kunnen doorgeven aan wie na ons komt.

In de uitdagende tijden waarin we leven, kan dat soms moed vergen.

Zoals de Amerikaanse Opperrechter Sonia Sotomayor het uitdrukte in een dissenting opinion bij een arrest van 27 juni in de zaak Trump v. Casa:

“The rule of law is not a given in this Nation, nor any other. It is a precept of our democracy that will endure only if those brave enough in every branch fight for its survival.”[15]

Ik wens ieder van u een uitermate inspirerend en vervullend gerechtelijk jaar toe, waarin we allemaal samen – advocaten, magistraten en politici – die moed vinden en zo het geloof in de rechtsstaat brandend houden, elk met de middelen die we daartoe hebben.

Ik dank u hartelijk voor uw aandacht.

​Mr. Elke Cloots, partner bij Demos Public Law

Openingsrede van het Vlaams Pleitgenootschap bij de balie te Brussel, 26 september 2025


Voetnoten

[1] Bv. EHRM (GK) 23 april 2015, Morice t. Frankrijk, para. 131; 16 mei 2024, Lutgen t. Luxemburg, para. 68 (en daar aangehaalde rechtspraak).

[2] R v Kopyto, (1987) 62 OR (2d) 449 op p. 463 (CA).

[3] https://www.belgischegrondwet.be/dossier/de-revolutionaire-rol-van-de-pers-van-oppositie-tot-mobilisatie-en-revolutie.

[4] Raad voor de Journalistiek, Parket Oost-Vlaanderen t. Het Laatste Nieuws, 14 september 2023, https://www.rvdj.be/uitspraken/parket-oost-vlaanderen-t-het-laatste-nieuws.

[5] Bv. EHRM (GK) 7 februari 2012, Springer t. Duitsland; EHRM 19 oktober 2017, Fuchsmann; EHRM 13 december 2022, RTBF t. België (nr. 2); EHRM (GK) 4 juli 2023, Hurbain t. België, para. 216.

[6] Na een lang tijdsverloop kan het wel zo zijn dat online persartikels over private personen die strafrechtelijk veroordeeld zijn, en wier namen dus initieel zeker in de pers mochten verschijnen, toch geanonimiseerd moeten worden. Dit om te vermijden dat er een online strafregister ontstaat en om het recht op vergetelheid te beschermen. Zie EHRM (GK) 4 juli 2023, Hurbain t. België.

[7] Zie o.a. EHRM 8 november 2016, Magyar Helsinki Bizottság t. Hongarije, para. 166 en 168; EHRM 26 maart 2020, Centre for Democracy and the Rule of Law t. Oekraïne, para. 87 (“Given the important role played by the Internet in enhancing the public’s access to news and facilitating the dissemination of information, the function of bloggers and popular users of the social media may be also assimilated to that of ‘public watchdogs’ in so far as the protection afforded by Article 10 is concerned.”); EHRM 20 maart 2018, Falzon t. Malta, para. 58; EHRM 16 april 2019, Rebechenko t. Rusland, para. 25; EHRM 1 december 2015, Cengiz e.a. t. Turkije, para. 52 (“In particular, as the applicants rightly noted, political content ignored by the traditional media is often shared via YouTube, thus fostering the emergence of citizen journalism. From that perspective, the Court accepts that YouTube is a unique platform on account of its characteristics, its accessibility and above all its potential impact, and that no alternatives were available to the applicants.”).

[8] Bv. EHRM 16 mei 2024, Lutgen t. Luxemburg; EHRM 4 juni 2024, Pisanski t. Kroatië; EHRM 28 juni 2016, Radobuljac t. Kroatië; EHRM (GK) 23 april 2015, Morice t. Frankrijk.

[9] EHRM 4 juni 2024, Pisanski t. Kroatië; EHRM 16 januari 2018, Ceferin t. Slovenië; EHRM (GK) 23 april 2015, Morice t. Frankrijk.

[10] https://nationalcareers.service.gov.uk/job-profiles/judge

[11] https://judicialappointments.gov.uk/guidance-on-the-application-process-2/application/

[12] https://judicialappointments.gov.uk/equality-and-diversity/diversity-and-equality-measures/equal-merit/

[13] https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Raad-voor-de-rechtspraak/Nieuws/Paginas/Per-1-april-limiet-aan-lengte-processtukken-bij-de-civiele-afdelingen-gerechtshoven.aspx

[14] https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Raad-voor-de-rechtspraak/Nieuws/Paginas/Per-1-juli-regeling-voor-omvang-processtukken-in-civiele-zaken-bij-rechtbanken.aspx

[15] Trump, President of the United States et al. v. Casa Inc. et al., 27 juni 2025 (SOTOMAYOR, J., dissenting).

  • Prof. Dr. Elke Cloots is een prominente specialiste in het grondwettelijk en het Europees recht en in het recht van de mensenrechten. Zij is advocaat sinds 2006 en heeft al talloze zaken behartigd voor het Grondwettelijk Hof, de Raad van State en het Europees Hof van Justitie.
    Elke doceert sinds 2018 het vak Mediarecht aan de Universiteit Antwerpen. Voordien doceerde zij Europees recht aan de KU Leuven, de Universiteit van Maastricht en de UHasselt en was ze visiting scholar aan het European University Institute in Firenze. Ze heeft tal van internationale en nationale publicaties in het Europees publiekrecht op haar naam.
    Elke studeerde rechten aan de KU Leuven (Lic., 2006) en aan de Universiteit van Oxford (MJur, 2009). In 2013 behaalde zij aan de KU Leuven haar proefschrift over de rol van de nationale identiteit van de lidstaten in het Unierecht, onder de wetenschappelijke begeleiding van Prof. André Alen en Prof. Koen Lenaerts. Haar proefschrift werd uitgegeven bij Oxford University Press onder de titel National Identity in EU Law (2015).
    In 2017 trad Elke toe tot de Jonge Academie.

Recente Jobs

Management Assistent
Ondernemingsrecht
0 - 3 jaar
Oost-Vlaanderen
Juridisch adviseur
Commercieel recht
1 - 4 jaar
Oost-Vlaanderen
Notarieel jurist
Notariaat
0 - 3 jaar
Vlaams-Brabant
Dossierbeheerder
sociaal recht
0 - 3 jaar
Vlaanderen
Auditor
Fiscaal recht
5+ jaar
Vlaanderen

Blijf op de hoogte

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

0 Reacties

0 reacties

Een reactie versturen

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *