In het jongste nummer van M, le magazine du Monde (de zaterdagbijlage van de gelijknamige krant) werd uitgebreid stilgestaan bij de “piliers de prétoire” – vrij vertaald: de stamgasten van de rechtbank. Het gaat om burgers die stilletjes achteraan in de zittingszaal plaatsnemen om er zittingen bij te wonen zonder zelf partij te zijn. Ze worden vooral in Parijs gesignaleerd en ze volgen voornamelijk (maar niet uitsluitend) strafzaken. Ze zijn gepensioneerd of beroepsactief, komen uit alle lagen van de bevolking en hebben één opmerkelijke gemene deler: de rechtszaal als tijdverdrijf.
De openbaarheid van de zittingen is een belangrijk principe. Het is een vorm van democratische controle op de macht van de rechters en draagt bij aan het vermijden van juridische willekeur. Het moet ook zorgen voor een eerlijk proces en daarmee het maatschappelijke vertrouwen in de rechtspraak ondersteunen. Het fungeert daarnaast ook als een spiegel voor de samenleving.
Toch blijken die toeschouwers niet echt gedreven te worden door die grote democratische principes. Het artikel citeert de motivering van een regelmatige bezoeker als volgt: “een zitting bijwonen is een moment buiten de tijd. Je zit in een bubbel en denkt aan niets anders. Wanneer het dagelijkse leven niet gemakkelijk is, biedt het je de mogelijkheid om er even aan te ontsnappen. Het is verschrikkelijk om dat te zeggen, maar het is echt wat mij wat ademruimte geeft”. Zittingen bijwonen is dan een soort meeslepende passie.
Een zitting bijwonen is dan een soort meeslepende passie.
In ons land blijken het vooral studenten te zijn die al dan niet met zachte dwang verplicht worden om als toeschouwer een tijdlang in een zittingszaal te vertoeven. Het in Frankrijk gesignaleerde fenomeen lijkt in ons land ook in zekere mate te bestaan in de assisenzaken. Gust Verwerft, de onvermoeibare assisenreporter, volgt al decennialang dat soort zaken en schrijft er vlot verkopende boeken over. Volgens hem zijn de assisenvolgers veelal gepensioneerde mannen met een overvloed aan ex-onderwijzers. Hij merkt ook op dat het aantal volgers zienderogen slinkt en wijt dat onder meer aan de stroevere toegangscontroles (zoals de metaaldetectoren en de onzekerheid om een zitplaats te hebben). Hij stelt ook vast dat het mondelinge aspect van de debatten de laatste jaren verschoven is naar “veredelde bioscoopopvoeringen met honderden slides” en zittingen die dubbel zo lang duren als voorheen. “De habitué sterft letterlijk uit, maar de belangstelling voor assisen is digitaal en tv-gewijs nog nooit zo groot geweest.” Het gaat dan al lang niet meer over de burger die naar zittingen komt om in een soort theatervoorstelling te worden ondergedompeld, maar de sociale media creëren een gemakkelijk toegankelijke schandpaal met een omgekeerd effect dan waarvoor de openbaarheid in het leven werd geroepen.
Ook de klassieke televisie maakt dat justitie thuis meer vanuit de luie zetel kan worden bekeken.
Ook de klassieke televisie maakt dat justitie thuis meer vanuit de luie zetel kan worden bekeken. Op 24 oktober 2011 verscheen het tv-programma De Rechtbank voor het eerst op het scherm en al vijftien jaar lang kan de burger getuige zijn van het wel en wee in zittingszalen, waarbij de makers moeten balanceren tussen het voldoen aan de nieuwsgierigheid van de kijkers, het beschermen van de privacy en het bewaken van de sereniteit. Sommige deelnemende magistraten zijn intussen bekende Vlamingen geworden en advocaten die in beeld komen, zien het soms als een vorm van persoonlijke reclame. Om over al die evenwichten te waken, heeft de Orde van Vlaamse Balies een “protocol van samenwerking tussen advocaten en productiehuizen bij beeld- en geluidsopnames” gemaakt dat advocaten die aan dergelijke programma’s meewerken moeten laten ondertekenen. Daarin valt onder meer te lezen: “het productiehuis respecteert alle wettelijke en deontologische regels en vraagt steeds vooraf toestemming. Het volgt de principes van de journalistieke deontologie en garandeert de sereniteit en waardigheid van alle betrokkenen”. De plaatselijke stafhouder moet ook vooraf het programma kunnen bekijken en heeft een vetorecht. Dat initiatief is begrijpelijk, maar het biedt weinig soelaas voor de strapatsen van sommige normeloze influencers en de hate speech van social media.
Deze week kon ook vernomen worden dat de Amerikaanse minister van defensie Pete Hegseth vindt dat de geplande executie van een ter dood veroordeelde oud-militair rechtstreeks via het internet zou moeten uitgezonden worden. “We zullen ervoor zorgen dat mensen het kunnen zien. Want mensen moeten begrijpen dat er ernstige gevolgen zijn voor dit soort dingen”, wist de minister te melden. Dat daarmee minstens alle ethische grenzen van menselijk fatsoen zouden worden overtreden, moge duidelijk zijn, maar het toont aan hoe snel het debat over de openbaarheid van de rechtspraak kan ontsporen in een modern circus. Een strak deontologisch kader voor magistraten, advocaten en journalisten is geen overbodige luxe, maar een absolute noodzaak. En het wordt hoog tijd dat de ongecontroleerde baggerstroom op sociale media een halt wordt toegeroepen, vóór de rechtspraak definitief degradeert tot volksvermaak.
Hugo Lamon
Lees hier de wekelijkse column van meester Hugo Lamon over Justitie.
Op de hoogte blijven van alle nieuwigheden binnen justitie, advocatuur en de juridische en fiscale wereld? Volg Jubel.be op LinkedIn.



0 reacties