Het CCOO-arrest: arbeidstijdregistratie als verplichting cover

24 nov 2023 | Employment & Benefits

Het CCOO-arrest: arbeidstijdregistratie als verplichting

Recente vacatures

Advocaat
Burgerlijk recht Gerechtelijk recht Ondernemingsrecht Verzekeringsrecht
0 - 3 jaar
Antwerpen Brussel
Legal Counsel
Verzekeringsrecht
3 - 7 jaar
Brussel
Advocaat
Omgevingsrecht Publiek recht
0 - 3 jaar
Brussel
Jurist Paralegal
sociaal recht
0 - 3 jaar
Brussel

Aankomende events

Op 14 mei 2019 sprak het Hof van Justitie zich met het CCOO-arrest in Grote Kamer uit voor een verplichting tot arbeidstijdregistratie (HvJ 14 mei 2019, C-55/18). Alhoewel arbeidstijdregistratie in de Europese rechtsorde een gevestigde praktijk is, raakte dit arrest voor het eerst aan een omvattend juridisch kader. Lidstaten werden bijgevolg genoodzaakt hun bestaande arbeidstijdenwetgeving onder de loep te nemen. Heden kunnen we vaststellen dat bepaalde lidstaten, waaronder België, geen geslaagde stappen hebben gezet richting een algemene tijdsregistratieverplichting. Deze bijdrage overloopt enkele de implicaties van het arrest voor de Belgische rechtsorde en biedt een kritische noot bij enkele recente ontwikkelingen inzake arbeidstijdregistratie.

Uitspraak van het Hof

In een antwoord op een prejudiciële vraag legde het Hof de Europese lidstaten een verplichting op om hun werkgevers te laten voorzien in een objectief, betrouwbaar en toegankelijk systeem ter registratie van de dagelijkse arbeidstijd van werknemers.[1]Enkel zo zou het nuttig effect van de fundamentele rechten van werknemers uit de Arbeidstijdenrichtlijn, het Handvest en de Richtlijn inzake veiligheid en gezondheid van werknemers gegarandeerd kunnen worden.[2]

Het arrest laat echter veel ruimte open voor interpretatie. De kwaliteitscriteria voor een toereikend systeem die door het Hof vooropgesteld werden – een objectief, betrouwbaar en toegankelijk systeem –, worden niet gespecifieerd. Tevens ging het Hof niet verder in op de wijze van implementatie, alhoewel advocaat-generaal Pitruzzella ijverde voor een horizontale rechtstreekse werking op basis van artikel 31 Handvest.[3]Deze onbeantwoorde vragen stellen bepaalde lidstaten in staat zich terughoudend op te stellen tegenover de verplichtingen die volgen uit het arrest. De Commissie bevestigde dat België tot deze groep lidstaten behoort.[4]

Impact in België

België kent in zijn algemeen regelgevend kader slechts enkele specifieke vormen van arbeidstijdregistratie, of bepalingen gerelateerd daaraan, maar geen omvattende verplichting.[5]In de directe nasleep van het CCOO-arrest werd er nog een poging gedaan tot afschaffing van een van deze weinige bepalingen.[6]De rechtspraak daarentegen stond initieel positiever tegenover de tijdsregistratieverplichting. Het Nederlandstalige arbeidshof te Brussel besloot destijds in een arrest van 22 mei 2020 – onder de specifieke omstandigheid van een deloyale procespartij – om de bewijslast inzake overuren voor een werknemer te verlichten door impliciet rechtstreekse horizontale werking te gegeven aan het concept van arbeidstijdregistratie.[7]Nadien kenterde de opinie van de rechtspraak grotendeels. Nu weerklinkt het dat een Belgische werkgever niet onderworpen zou mogen zijn aan enige tijdsregistratieverplichting omwille van dit arrest, maar slechts wanneer de wetgever hier zelf in voorziet.[8]Een opvallende uitzondering op deze consensus is het Franstalig arbeidshof van Brussel. Dat kwam in een recent arrest van 27 maart 2023 tot een richtlijnconforme interpretatie van artikel 6 §1 2° Arbeidsreglementenwet, waardoor er wel een tijdsregistratieverplichting voor werkgevers zou bestaan.[9]Hoe dit arrest zich verhoudt tot de rest van de rechtspraak en welke navolging het zal krijgen, moet worden afgewacht.

De Belgische wetgever geeft momenteel het signaal dat hij geen nieuwe stappen nastreeft, minstens tot na de verkiezingen. Een vorig initiatief om de tijdsregistratieverplichting in de Arbeidsdeal op te nemen mislukte al.[10]Het advies van de Nationale Arbeidsraad dat hiervoor moest zorgen, bleek toen niet eensluidend te zijn.[11]Werknemersorganisaties argumenteerden pro arbeidstijdregistratie, onder andere op basis van een richtlijnconforme interpretatie van artikel 6 §1 2° Arbeidsreglementenwet, zoals in het bovengenoemde arrest van 27 maart 2023. Werkgeversorganisaties stelden zich vragen bij de specifieke invulling, uitwerking en wenselijkheid van het CCOO-arrest. Zowel de juridische elementen als het gebrek aan overeenstemming in de praktijk en op politiek vlak, dragen bij tot het behoud van status quo in België.

Het Belgische sectorale vlak vormt een uitzondering op deze vaststellingen. De praktijk van arbeidstijdregistratie is wel degelijk ingebed in Belgische sector- en domeinspecifieke regelgeving. De belangrijkste voorbeelden hiervan zijn de ‘check-in-at-work’ uit de bouwsector, het prestatieregister voor bepaalde medische beroepen en de omzetting van de Europese regels in het domein van het passagiers- en goederenvervoer.[12]Recent voerden de sociale partners in de sector van onderhouds- en reinigingsactiviteiten een aanwezigheidsregistratie in, niet enkel met het oog op het traditionele doeleind van sociale fraude bestrijding, maar ook om een ruimere werknemersbescherming te garanderen.[13]In tegenstelling tot het federaal niveau, staat het de sectorale sociale partners dus vrij om – bewust of onbewust – het bestaande middel van arbeidstijdregistratie in te gaan zetten voor bredere werknemersbescherming. Alhoewel dit in het verlengde ligt van het oogmerk van het arrest, zijn hier toch bepaalde risico’s aan verbonden.[14]Zo moet er nog steeds opgelet worden voor mogelijke uitsluitingen van werknemerscategorieën en voor systemen met onvoldoende kwaliteitsvereisten, moeten de sociale partners nog binnen het algemeen federaal kader blijven en mag de Belgische rechtsorde niet terecht komen in een situatie van twee maten, twee gewichten, met een actief sectoraal niveau en een terughoudend algemeen federaal niveau.

Arbeidstijdregistratie met een ouderwetse prikklok.

Bredere discussie

Ten slotte moet het concept van arbeidstijdregistratie ook in zijn bredere context gesitueerd worden. Als deel van de arbeidstijdenwetgeving moet het zijn plaats vinden binnen de bestaande evoluties die te maken hebben met de vierde industriële revolutie en het ‘Nieuwe Werken’.[15] Het blijkt een moeilijke evenwichtsoefening te zijn tussen enerzijds het streven naar meer autonomie, flexibilisering en prestatiegerichtheid en anderzijds een sterke werknemersbescherming, die nu tot uiting komt in vaak rigide nationale wetgeving. Bovendien ontsnapt het concept niet aan de verplichtingen inzake privacy en dataprotectie, zowel de keuze voor een systeem als de inhoud ervan moeten consistent zijn met deze wetgeving.[16]Hier wordt al deels aan tegemoetgekomen door de kwaliteitsvereisten die het Hof stelt voor de tijdsregistratiesystemen, maar een echte toepassing zal veel verregaander blijken. Zo kunnen er vragen gesteld worden bij tijdsregistratiesystemen die gebruik maken van biometrie, of die andere doeleinden voor ogen hebben dan pure registratie, denk aan prestatiebeoordelingen.[17]

Andere Europese instellingen staan in ieder geval nog achter het tijdsregistratieconcept en de bovenstaande uitdagingen. Zo vernieuwde een verslag van maart 2023 de intentie van de Commissie om een verplichting tot arbeidstijdregistratie in te voeren in de Europese rechtsorde, en poogt een resolutie van het Europees parlement arbeidstijdregistratie als hulpmiddel in te zetten bij de invoering van het recht op deconnectie.[18]Alhoewel het momenteel uit het bovenstaande blijkt dat de verplichting tot arbeidstijdregistratie nog geen volledige uitwerking kent, kan deze niet zomaar ontkend worden. De verplichting vanuit de rechtspraak is rechtsgeldig, kent genoeg navolging en is nodig om het nuttig effect van fundamentele werknemersrechten te garanderen. Op Europees niveau houdt men best rekening met de behoefte tot een ruimer debat rond de inhoud en implementatie van het concept arbeidstijdregistratie. De Belgische wetgever en praktijk, samen met andere lidstaten die zich terughoudend opstellen, bereiden zich op hun beurt best voor op verdere stappen inzake arbeidstijdregistratie.

Aria Huys – U kunt de uitgebreide versie van dit artikel lezen in het Arbeidsrecht Journaal.


Referenties

[1] HvJ 14 mei 2019, nr. C-55/18, ECLI:EU:C:2019:402, ‘CCOO-arrest’.

[2]Handvest van de grondrechten van de Europese Unie Raad, Commissie en EP nr. 2007/C, 12 december 2007, Pb.L. 14 december 2007, afl. 303; Richt.Raad nr. 89/391/EEG, 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van werknemers op het werk, Pb.L. 19 juni 1989, afl. 183; Richtl.Raad en EP nr. 2003/88/EG, 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van arbeidstijd, Pb.L. 18 november 2003, afl. 299.

[3] Concl. Adv. Gen. PITRUZZELLA 31 januari 2019, ECLI:EU:C:2019:87 voor HvJ 14 mei 2019, nr. C-55/18, ECLI:EU:C:2019:402, ‘CCOO-arrest’.

[4] Verslag (Comm.) aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité over de uitvoering door de lidstaten van Richtlijn 2003/88/EG betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd, 15 maart 2023, nr. COM/2023/0072, 4.

[5] Art. 9quater wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, BS 30 april 2015; Art. 6 §1, 2° wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen, BS 5 mei 1965; Art. 20ter Arbeidswet van 16 maart 1971, BS 30 maart 1971; Art. 164 Programmawet van 22 december 1989, BS 30 december 1989.

[6] Wetsvoorstel tot wijziging van de arbeidswet van 16 maart 1971 teneinde de verplichte invoering van een tijdsregistratiesysteem bij de invoering van glijdende uurroosters af te schaffen van 26 september 2019, Parl.St. Kamer, 2019, nr. 0436/001.

[7] Arbh. Brussel 22 mei 2020, Soc.Kron. 2020, 326-327 en NJW 2020, 802-803, noot P. PECNINOVSKY en M. EECKHOUT.

[8] Onder andere: Arbh. Antwerpen 26 april 2021, nr. 2020/AB/128, Soc.Kron. 2021, afl. 8, 354-357; Arbh. Luik (afd. Neufchâteau) 15 februari 2023.

[9] Arbh. Brussel 27 maart 2023, nr. 2021/AB/243.

[10] Wet van 3 oktober 2022 houdende diverse arbeidsbepalingen, BS 10 november 2022; Wetsontwerp houdende diverse arbeidsbepalingen van 7 juli 2022, Parl.St. Kamer, 2021-22, nr. 2810/001, 494 en van 19 september 2022, Parl.St.Kamer, 2021-22, nr. 2810/002, 67.

[11] NATIONALE ARBEIDSRAAD, Advies arrest van het Hof van Justitie 14 mei 2019 (C-55/18),25 oktober 2022, nr. 2324, https://cnt-nar.be/sites/default/files/documents/nl/advies-2324.pdf.

[12] Richtl.Raad en EP nr. 2002/15/EG, 11 maart 2002 betreffende de organisatie van de arbeidstijd van personen die mobiele werkzaamheden in het wegvervoer uitoefenen, Pb.L. 23 maart 2002, afl. 80, 35-39; Wet van 27 december 2012 tot invoering van de elektronische registratie van aanwezigheden op tijdelijke of mobiele bouwplaatsen, BS 31 december 2012; Art. 8 Wet 12 december 2010 tot vaststelling van de arbeidsduur van de geneesheren, tandartsen, dierenartsen, kandidaat-geneesheren in opleiding, kandidaat-tandartsen in opleiding en studenten-stagiairs die zich voorbereiden op de uitoefening van deze beroepen, BS 22 december 2010.

[13] Programmawet van 26 december 2022, BS 30 december 2022.

[14] HvJ 14 mei 2019, nr. C-55/18, ECLI:EU:C:2019:402, ‘CCOO-arrest’, punt 63 en 64.

[15] S. HUYBRECHTS, “Autonoom werk en telewerk: een probleemanalyse van tijd- en plaatsonafhankelijk werk”, TSR 2022, afl. 3, 343 e.v.

[16] HvJ 30 mei 2013, C-342/12, ECLI:EU:C/2013:355, ‘Worten’, 18 en 19.

[17] EUROPEAN WORKING PARTY, ‘Advies 2/2017 over gegevensbescherming op het werk’, 8 juni 2017, https://iapp.org/media/pdf/resource_center/WP29_Opinion-dataprocessingatwork.pdf, 18-19; GEGEVENSBESCHERMINGSAUTORITEIT, “Aanbeveling betreffende de verwerking van biometrische gegevens’, 2021, https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/aanbeveling-nr.01-2021-van-1-december-2021.pdf; F. HENDRICKX, “Controletechnieken en telewerk: benchmarking vanuit het recht op privacy”, Arbeid.J. 2021, https://arbeidsrechtjournaal.be/controletechnieken-en-telewerk-benchmarking-vanuit-het-recht-op-privacy/, punt 37 e.v.

[18] Verslag (Comm.) aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité over de uitvoering door de lidstaten van Richtlijn 2003/88/EG betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd, 15 maart 2023, nr. COM/2023/0072, 4; Resolutie (EP) met aanbevelingen aan de Commissie betreffende het recht om offline te zijn, 21 januari 2021, nr. 2019/2181(INL).

Recente vacatures

Advocaat
Burgerlijk recht Gerechtelijk recht Ondernemingsrecht Verzekeringsrecht
0 - 3 jaar
Antwerpen Brussel
Legal Counsel
Verzekeringsrecht
3 - 7 jaar
Brussel
Advocaat
Omgevingsrecht Publiek recht
0 - 3 jaar
Brussel
Jurist Paralegal
sociaal recht
0 - 3 jaar
Brussel

Aankomende events

Blijf op de hoogte

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

0 Reacties

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.