Het haalde in Vlaanderen nauwelijks het nieuws, maar het is onrustig in het Brussels Parlement. De gemoederen zijn daar niet echt opgehitst door de dramatische budgettaire situatie, maar door een merkwaardig en verontrustend telefoontje. De Brusselse procureur des Konings bond de kat de bel aan door op een door de krant Le Soir georganiseerde debatavond grote vraagtekens te plaatsen bij de bekwaamheid en de integriteit van sommige parlementsleden. Om dat te illustreren maakte hij gewag van een telefoontje dat hij kreeg van een Brussels parlementslid dat hem gewoon op de man af vroeg of hij er niet voor kon zorgen om een vriend van hem die in de gevangenis verblijft, vrij te laten. De Procureur noemde geen namen, wat het ganse parlement onrustig maakt. Verschillende politici vinden dat de Procureur het niet bij die vage aantijging kan laten, omdat hij daarmee alle parlementsleden tot verdachte zou verheffen en dat zou negatief afstralen op het ganse parlement.
Béatrice Delvaux, de ervaren journaliste van Le Soir, vertelde op de radio dat de Procureur het incident blijkbaar gemeld zou hebben aan de deontologische commissie van dat Brusselse Parlement, waarvan hij zelf overigens de voorzitter is. Die commissie zou, nog steeds volgens de journaliste, de zaak onderzocht hebben en dat zou enkel geleid hebben tot advies 2026-3 van de Brusselse deontologische commissie “betreffende de scheiding der machten”. Het betrokken parlementslid zou met rust gelaten zijn. Het advies zelf werd, in hetzelfde radioprogramma, door de hoofdredacteur van La Libre Belgique, Dorian de Meeûs, terecht omschreven als een les “scheiding der machten voor dummies”. Het blijkt dus nodig te zijn om een aantal zeer elementaire beginselen van de democratische rechtsstaat in herinnering te brengen. Zo valt er onder meer te lezen: “Het betaamt niet dat een openbare mandataris contact opneemt met een gerechtelijke instantie, ongeacht of het gaat om de zittende magistratuur of het openbaar ministerie, om informatie in te winnen over het verloop van een lopende procedure. Indien nodig zal een advocaat, die onderworpen is aan welbepaalde deontologische regels en aan het tuchtrecht van de beroepsorde, die taak vervullen. (…) Het betaamt nog minder dat een openbare mandataris contact opneemt met om het even welke gerechtelijke instantie om haar ertoe aan te zetten een beslissing ten gronde of procedurele beslissing in een bepaalde richting te nemen.” Daarop volgen drie aanbevelingen, waarvan de voornaamste luidt: “Een openbare mandataris mag zich niet beroepen op zijn electoraal mandaat en vertegenwoordigende functie om zich op te werpen als tussenpersoon tussen rechtzoekenden en de gerechtelijke instanties.” Dat dergelijke evidentie in een advies moet worden herhaald, lijkt wel een self-fulfilling prophecy van het dalende niveau van rechtstatelijk besef van parlementsleden. Potsierlijk wordt het pas wanneer bepaalde Brusselse parlementsleden vinden dat de Procureur zelf de scheiding der machten aantast door zijn anecdotische melding. Intussen kijken alle parlementsleden naar mekaar, wat hopelijk bijdraagt tot het besef dat dergelijke incidenten niet voor herhaling vatbaar zijn.
Een procureur des Konings kan ook vervelende telefoontjes krijgen van collega’s. Dat leert het boek Cum fraude van journalist Laurens Kindt. Het boek is in een romanvorm geschreven met gebruik van pseudoniemen. Wie het goed voorheeft met de Hoge Raad voor de Justitie (en bij uitbreiding van de magistratuur) hoopt ergens op de achterflap te kunnen lezen dat het om fictie gaat en alle gelijkenissen met bestaande situaties op louter toeval berusten. Dat is helaas niet het geval. De auteur wil een nauwgezette reconstructie geven van wat op de voorflap als “een corrupt magistratenexamen” wordt omschreven (de fraude bij de magistratenexamens bij de Hoge Raad voor de Justitie). De in het boek beschreven ons-kent-ons-sfeertje in bepaalde magistratenkringen is misselijkmakend en wie het boek ’s avonds voor het slapengaan begint te lezen heeft gegarandeerd geen goede nachtrust. De auteur zegt kennis te hebben van het volledige strafdossier (hoe zit het eigenlijk met het geheim van het strafonderzoek?). Wat de auteur daarvan onthult is weinig fraai (dat moet u zelf maar eens lezen). Bovendien verwijst de auteur dat zijn research nog veel meer bezwarend materiaal zou hebben opgeleverd. Zo beweert hij onder meer aanwijzingen te hebben van “hoe een groep kersverse magistraten in opleiding zich tijdens een stage schuldig maakte aan diefstal van sterke drank in een Limburgse horecazaak en zich bij betrapping nogal hooghartig beriep op hun titel als magistraat. Het houdt niet op. Wanneer het deksel van de beerput gaat, is de stank niet te harden” (p. 244). Toch eindigt Laurens Kindt op een minder negatieve noot. Het feit dat hij de mogelijkheid kreeg zijn boek te schrijven “bewijst dat er binnen justitie ook actoren zijn die wél begaan zijn met de waarheid. Het is mijn stellige overtuiging dat zij nog altijd in de meerderheid zijn”.
Hugo Lamon
Lees hier de wekelijkse column van meester Hugo Lamon over Justitie.
Op de hoogte blijven van alle nieuwigheden binnen justitie, advocatuur en de juridische en fiscale wereld? Volg Jubel.be op LinkedIn.



0 reacties