In een bijdrage op LinkedIn vraagt de voorzitter van de Orde van Vlaamse Balies zeer terecht om ernstig te blijven inzake de wrakingsverzoeken. Vervolgens betoogt hij in zijn post op LinkedIn: “Het schreeuwerige gedoe over vermeend misbruik van het wrakingsrecht mag nu eens ophouden.”
Wij veroorloven ons om in dat verband te wijzen op een twintigtal veroordelingen tot schadevergoedingen en ambtshalve boetes door het Hof van Cassatie wegens procesrechtsmisbruik. Het noodzaakt ons om -nog maar eens- te wijzen op het feit dat de rechtbank van koophandel Antwerpen, het hof van beroep Antwerpen en het Hof van Cassatie tussen 2016 en 2018 geconfronteerd werden met wat het Hof van Cassatie in twintig (20) arresten omschreef als:
"een, ten aanzien van een belangrijke financiële claim, al jarenlang aangenomen deloyale proceshouding en gepleegd procesrechtsmisbruik die reeds menige tussenkomsten van het Hof noodzakelijk maakten en waardoor een beoordeling ten gronde vooralsnog kon worden verhinderd. De deloyale procesvoering en het procesrechtsmisbruik nemen hierbij in burgerlijke zaken ongeziene proporties aan."
Dit gaf o.m. aanleiding tot een arrest van 14 september 2017 (C.16.0543.N), van het Hof van Cassatie waarbij de voorziening tegen een arrest van het hof van beroep te Antwerpen werd afgewezen en waarbij schadevergoedingen werden toegekend wegens procesrechtsmisbruik.
Bij zestien (16) arresten van 29 maart 2018 (C.17.0632.N, C.17.0633.N, C.17.0634.N, C.17.0635.N, C.17.0636.N, C.17.0637.N, C.17.0638.N, C.17.0639.N en C.17.0672.N;C.17.0673.N, C.17.0674.N, C.17.0675.N, C.17.0676.N, C.17.0677.N, C.17.0678.N, C.17.0679.N), waarin uitspraak gedaan werd over de vorderingen tot onttrekking van de zaken aan het hof van beroep Antwerpen en deze werden verworpen, werden schadevergoedingen toegekend en tevens ambtshalve boetes opgelegd wegens procesrechtsmisbruik.
Bij vier (4) arresten van 29 maart 2018 (C.17.0686.N, C.17.0687.N, C.17.0688.N, C.17.0689.N) waarin uitspraak gedaan werd over de vorderingen tot onttrekking van de zaken aan de rechtbank van koophandel te Antwerpen en deze werden verworpen, werden eveneens schadevergoedingen toegekend en tevens ambtshalve boetes opgelegd wegens procesrechtsmisbruik.
Bij twee (2) arresten van 19 april 2018 (C.18.0090.N en C.18.0093.N) werden de vorderingen tot onttrekking van de zaken aan het hof van beroep Antwerpen kennelijk onontvankelijk verklaard.
Het Hof van Cassatie heeft dus in deze aangelegenheid eenentwintig (21) maal veroordelingen uitgesproken wegens procesrechtsmisbruik.
Naast de reeds hoger geciteerde motivering door het -doorgaans zeer voorzichtig motiverende- Hof van Cassatie laat een bloemlezing uit de overige redengevingen van deze arresten niets aan de verbeelding over:
"kennelijk een deloyale proceshouding ertoe strekkende de behandeling ten gronde van een pecuniair zeer belangrijke vordering op systematische wijze uit te stellen" (en) “maneuvers die er duidelijk toe strekken te beletten dat de aldus gevatte kamer uitspraak zou doen over de al dan niet bestaande wettelijke mogelijkheid om de zaak verder te behandelen in eerste aanleg" (en verder dat de procedures) "aldus afgewend worden voor onrechtmatige doeleinden, namelijk het vertragen van de procedure ten gronde en het dwarsbomen van een goede procesorde".
Hoever men daarbij gaat, moge blijken uit de volgende motivering van het Hof van Cassatie in diverse van deze arresten:
“Hieruit volgt dat, al zou er een recht bestaan – waaromtrent het Hof in het kader van deze procedure niet te oordelen heeft – om naar omstandigheden op een terechtzitting of op een griffie op verdoken wijze vaststellingen te laten verrichten door een gerechtsdeurwaarder, dit eventueel recht door de verzoekster te dezen werd misbruikt teneinde fictieve procedure-incidenten uit te lokken en deze aan te wenden in verdere vertragingsmaneuvers.
Verre van enige wettige verdenking te kunnen doen ontstaan ten aanzien van de magistraten van het hof van beroep Antwerpen, werpt dit incident een licht op het deloyaal optreden van de verzoekster.”
U leest het goed, het Hof van Cassatie stelt:
teneinde fictieve procedure-incidenten uit te lokken en deze aan te wenden in verdere vertragingsmaneuvers”.
Gelet op het voorgaande kan moeilijk in twijfel getrokken worden dat de wraking veelvuldig misbruikt wordt om vertragingsmaneuvers aan te wenden en het procesverloop te saboteren.
Ongetwijfeld zijn er nog talloze andere voorbeelden maar de voormelde feiten volstaan ruimschoots om in het vervolg het door de voorzitter van de Orde van Vlaamse Balies gebruikte epitheton “vermeend” te vervangen door “vastgestelde veelvuldige ernstige” misbruiken van het wrakingsrecht.
Opmerkenswaard is dat de advocaat-specialist in een aantal van die zaken voor dit vastgesteld veelvuldig ernstig procesrechtsmisbruik de bijstand kreeg van een oud-stafhouder en oud-voorzitter van de Orde van Vlaamse Balies en van een advocaat bij het Hof van Cassatie.
Enig optreden van de balie-instanties tegen de betrokkenen is ons niet bekend. Een streng optreden van de balie-instellingen tegen de plegers van dit procesrechtmisbruik moet dan ook niet verwacht worden. Het gaat per slot van rekening niet over een kosteloos medewerkende echtgenote in het restaurant van haar man.
Veel meer dan de stijging van het aantal wrakingsverzoeken is het slaagpercentage van de wrakingverzoeken van belang voor de beoordeling van het misbruik. Want dat slaagpercentage is uiterst miniem. Bij deze een uitnodiging aan het College van hoven en rechtbanken om die cijfers zo snel mogelijk te verzamelen en bekend te maken. Voor de hoven van beroep en arbeidshoven kan dat geen groot probleem vormen gelet op de performante applicaties HBCA en CTAH waarover die beschikken.
Verder heeft de voorzitter van de Orde van Vlaamse Balies het over “het choquerende bevel aan twee advocaten om de zittingszaal te verlaten, of beter gezegd, nadat de rechter hen door de politie had laten verwijderen.”

Wie de moeite neemt om het arrest van 9 oktober 2025 van het hof van beroep Gent dat uitspraak deed over de wrakingen die naar aanleiding van deze verwijdering van de advocaten uit de zittingszaal, te lezen, zal wellicht meer geschokt zijn door het optreden van deze advocaten dan door hun verwijdering. In dat arrest wordt o.m. het volgende gesteld:
“2.4.5. Hoger werd het wrakingsverzoek, in zoverre gesteund op de beslissing van 18 september 2025 om de beoordeling van de preliminaire middelen bij de grond van de zaak te voegen, reeds afgewezen als ongegrond. Waar op de zitting van 15 september 2025 bij toepassing van art. 152§2 Sv slechts één nieuwe conclusietermijn werd toegekend aan de beklaagden (tot uiterlijk woensdag 17 september 2025 (sluitingsuur griffie)) omwille van een nieuw overtuigingsstuk, hebben verschillende beklaagden kennelijk van deze conclusietermijn gebruik gemaakt om nog bijkomende/andere ‘preliminaire’ vorderingen te stellen.
Verzoeker tot wraking en zijn raadsman (en bij uitbreiding alle partijen en hun raadslieden) hadden zich naar deze (uitvoerbare) beslissing van de rechtbank van 18 september 2025 te schikken, hoe onbegrijpelijk, oneerlijk en/of onwettig zij deze ook mogen vinden.
Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 18 september 2025 blijkt evenwel dat mr. X, de raadsman van één van de andere beklaagden, zich niet wilde neerleggen bij en schikken naar deze uitvoerbare beslissing:
– Rechter [rechter 1], die de leiding over de zitting heeft en soeverein beslist welke partij wanneer aan het woord komt, had (na de gezegde uitvoerbare beslissing om de preliminaire vorderingen bij de grond van de zaak te voegen) het woord verleend aan het openbaar ministerie voor haar vordering.
– Mr. X had het woord niet gekregen. Hij heeft het woord verschillende keren gevraagd, doch het was hem niet verleend. Hij was op dat moment slechts een ‘toehoorder’ in de zaal. Hij beschikte (nog) niet over het spreekrecht.
– Rechter [rechter 1] heeft meermaals benadrukt dat alle partijen en hun raadslieden uitgebreid de gelegenheid zouden krijgen om aan het woord te komen.
– Mr. X wilde echter voor zijn beurt spreken en weigerde zich neer te leggen bij de beslissing van de rechtbank (1) om de preliminaire vorderingen bij de grond van de zaak te voegen (beslissing die reeds genomen was én onmiddellijk uitvoerbaar was) en (2) om het openbaar ministerie eerst het woord te verlenen.
– Door zijn houding heeft mr. X onmiskenbaar de zitting verstoord.
– Rechter [rechter 1] heeft hem meermaals gevraagd te zwijgen doch mr. X bleef volharden, reden waarom hij op verzoek van rechter [rechter 1] uit de zittingszaal werd gezet.
– Dat er geweld moest worden gebruikt is enkel het gevolg van het feit dat mr. X de zaal niet vrijwillig wenste te verlaten.
Kortom, rechter [rechter 1] heeft slechts gebruik gemaakt van de hem in art. 760 Ger.W. verleende bevoegdheid. Hij heeft de taak (zelfs de plicht) om de debatten in goede banen te leiden. Hij heeft, zo blijkt uit het proces-verbaal van de rechtszitting, eerst gewaarschuwd. Wanneer partijen of advocaten de zitting blijven verstoren en ook de tussenkomst/bemiddeling van de stafhouder geen soelaas biedt moet hij echter ingrijpen en de betrokkene uit de zittingszaal (laten) zetten. Dat dit onder dwang gebeurde is enkel te wijten aan het feit dat mr. X weigerde de zittingszaal vrijwillig te verlaten. Nogmaals, de rechtbank moet erover waken dat de beklaagden worden berecht binnen een redelijke termijn, wat één van de grondrechten van élke beklaagde is. In een dossier van dergelijke omvang is het cruciaal dat de zitting ordentelijk verloopt, volgens een duidelijk stramien, waarbij – zoals gebruikelijk – eerst het openbaar ministerie aan het woord komt. Mr. X heeft het woord onterecht ‘opgeëist’. Het is echter niet aan een advocaat om de leiding van de zitting in handen te nemen. Dit komt enkel toe aan de voorzitter.”
Het staat iedereen vrij een wetswijziging te ambiëren over wie nu precies de leiding van de terechtzitting moet hebben in de plaats van de voorzitter van de kamer. Maar ons komt het voor dat die taak voor een efficiënt verloop van het proces en het evenwicht tussen de procespartijen, best aan de voorzitter van de kamer toevertrouwd blijft. Zolang de wet het aldus voorziet dient iedereen die zich in de zittingszaal bevindt, zich daarnaar te schikken. Wie dat niet doet en de zitting blijft storen wordt verzocht de zittingszaal te verlaten en kan daartoe desnoods manu militare toe gedwongen worden. Dat geldt vanzelfsprekend ook voor advocaten. Choquerend in dit verband is dus niet het feit dat de advocaten uit de zittingszaal gezet werden, wel dat advocaten, die nochtans de eed aflegden de wet te zullen naleven en niet te zullen afwijken van de eerbied aan het gerecht en aan de openbare overheid verschuldigd, zich niet neerleggen bij de beslissingen van de rechtbank over het verloop van de zitting en integendeel de terechtzitting zodanig blijven verstoren dat zij dienen buitengezet te worden om het verderzetten van het proces mogelijk te maken.
In het latere arrest 5 februari 2026 van het hof van beroep Gent waarbij de wraking werd ingewilligd, helemaal niet op grond van de verwijdering van de advocaten uit de zitting, gebeurde die geenszins op grond van een vijandige houding van de rechtbank zoals de voorzitter van de Orde van Vlaamse Balies insinueert. Integendeel toont het hof van beroep begrip voor de rechtbank die zich geconfronteerd zag
“met de strategie van de verdediging van bepaalde beklaagden om het pleidooi over de lastens hen gestelde strafvordering zo lang mogelijk uit te stellen of onmogelijk te maken, dit door stokken in de (proces)wielen te blijven steken en diende vast te stellen dat bepaalde beklaagden en hun advocaten zich (ondanks haar talloze inspanningen om de zaak in alle sereniteit te laten pleiten en in beraad te nemen) gewoonweg niet wíllen schikken naar haar ‘faciliteiten en modaliteiten’ ‘om gehoord te worden en de verdediging te voeren’.” (en het hof oordeelde verder) “Dat de proceshouding van bepaalde beklaagden/advocaten de behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn (waarop elke beklaagde recht heeft) in de weg staat neemt echter niet weg dat de rechtbank door de zaak op de rechtszitting van 5 januari 2026 te laten oproepen, de gezegde verklaring voor te lezen en de zaak zonder meer in beraad te nemen, dus zonder het openbaar ministerie verder te laten vorderen, zonder de aanwezige raadslieden van de beklaagden en de aanwezige beklaagden het woord te verlenen, zelfs zonder hen de gelegenheid te geven stukken neer te leggen, de indruk wekt niet langer op onpartijdige wijze uitspraak te kunnen doen. Dat de conclusie van het openbaar ministerie neerlag neemt de noodzaak tot (en het recht op) het houden van het mondeling debat geenszins weg. In de conclusie werd nog geen straf gevorderd. Ten aanzien van de beklaagden werd dus nooit een concrete straf gevorderd. De beklaagden hebben ter zitting geen standpunt kunnen innemen over de ten laste gelegde feiten en de strafmaat, ze hebben geen alternatieve straf of voorwaarden kunnen voorstellen.
Door de zaak wat álle beklaagden betreft zonder meer in beraad te nemen wordt minstens ten aanzien van derden en de publieke opinie de (objectief gerechtvaardigde) indruk van partijdigheid gewekt, nu de beklaagden die niets te maken hebben met voormelde procedurele démarches ‘gestraft’ worden door de proceshouding van bepaalde andere beklaagden.”.
Dus het hof heeft het over een gewekte “indruk van partijdigheid” wat toch iets volkomen anders is dan “een rechter die partijdigheid uitstraalt” of “vijandige rechters” zoals de voorzitter van de orde van Vlaamse Balies schrijft.
Dit roept bij ons volgende vragen op. Heeft de voorzitter van de Orde van Vlaamse Balies deze meningen geuit namens de Orde van Vlaamse Balies, en gebeurden die ook namens de hele advocatuur of zijn die strikt persoonlijk?
Want wij worden regelmatig aangesproken door advocaten die helemaal niet gediend zijn met het optreden van dit kleine kliekje strafpleiters die voortdurend processen inzake zware criminaliteit lamleggen en de slechte naam die de hele advocatuur daardoor krijgt bij de publieke opinie.
Er mag niet uit het oog verloren worden dat het systematisch onrechtmatig blokkeren en saboteren van processen inzake zeer zware criminaliteit de goede werking van de hoven en rechtbanken, die al kampen met een gebrek aan mensen en middelen, ernstig verstoort en aldus de rechtstaat hypothekeert. De maatschappij mag verwachten dat er daarvoor een adequate oplossing komt.
Niemand stelt het principe van de wrakingen zelf in vraag, en het zou volstaan het schorsend effect van wrakingsverzoeken weg te nemen tot net voor de einduitspraak. Terecht wijst collega Thiriar erop dat de wraking inzake arbitrage, waarop de voorzitter van de Orde van Vlaamse Balies zich beroept, geen schorsende werking heeft.
De wetgever kan dus met een eenvoudige ingreep een einde stellen aan dit ernstig procesrechtsmisbruik waarmee uitsluitend de belangen van de zware georganiseerde criminaliteit gediend worden.
Dirk Van Overloop, ere-kamervoorzitter hof van beroep Antwerpen, ere-advocaat balie Antwerpen
Bruno Luyten, ere-eerste voorzitter hof van beroep Antwerpen, ere-advocaat balie Brussel
Lees van deze auteurs nog meer opiniestukken over wrakingsverzoeken:


0 reacties