Dringt een eengemaakte werkloosheidsregeling voor werknemers en zelfstandigen zich op? cover

5 mrt 2026 | Employment & Benefits

Dringt een eengemaakte werkloosheidsregeling voor werknemers en zelfstandigen zich op?

Recente Jobs

Deskundige
Publiek recht
0 - 3 jaar
Vlaams-Brabant
Advocaat
Arbeidsrecht
1 - 3 jaar
Antwerpen
Advocaat
Ondernemingsrecht Vennootschapsrecht
1 - 3 jaar
Antwerpen
Advocaat-stagiair
Omgevingsrecht
0 - 3 jaar
Antwerpen
Tax manager
Fiscaal recht
3 - 7 jaar
Vlaanderen

Aankomende events

view calendar

De Programmawet van 18 juli 2025 past de werkloosheidsverzekering voor werknemers aanzienlijk aan. Deze hervorming leidt in grote lijnen tot een beperking van de uitkeringen in de tijd, een uniforme wachtperiode, de verhoging van de startuitkeringen en een sterkere degressiviteit van de uitkeringen. De hervorming heeft niet alleen een impact op de werkloosheidsverzekering zelf, ze veroorzaakt bovendien een grote mate van convergentie tussen het werkloosheidsstelsel voor werknemers en het overbruggingsrecht voor zelfstandigen.

Bij Programmawet van 18 juli 2025 heeft de wetgever de werkloosheidsverzekering voor werknemers grondig hervormd. De voornaamste wijzigingen bevinden zich op het niveau van de wachtperiode, de opbouw van rechten, de uitkeringsduur en uitkeringshoogte. Door de hervorming groeien de regeling voor werknemers en het overbruggingsrecht voor zelfstandigen naar elkaar toe.

Het overbruggingsrecht voorziet uitkeringen voor zelfstandigen in twee toepassingsgevallen of gebeurtenissen: (1) wanneer zij ofwel hun activiteit gedwongen onderbreken of stopzetten door omstandigheden onafhankelijk van hun wil en (2) wanneer zij hun activiteit stopzetten door economische moeilijkheden. Deze verzekering werd door de regelgever ingevoerd in 1996 en kende oorspronkelijk enkel uitkeringen toe in geval van faillissement. Gedurende de laatste decennia is de bescherming die deze verzekering biedt, systematisch uitgebreid. Vandaag kunnen werkloze zelfstandigen binnen de grenzen van deze twee toepassingsgevallen aanspraak maken op uitkeringen in aanzienlijk meer situaties of verzekerde risico’s dan enkel faillissement (bv. natuurramp, brand, beschadiging, beperkt inkomen).

Convergentie in wachtperiode en duurtijd van rechten

In de nieuwe werkloosheidsverzekering bouwen werknemers sociale rechten op volgens twee vergoedingsperiodes. Binnen een eerste vergoedingsperiode maakt de werknemer voortaan aanspraak op twaalf maanden aan uitkeringen wanneer hij in een referteperiode van zesendertig maanden die aan zijn aanvraag tot uitkeringen voorafgaat, 312 arbeidsdagen kan aantonen. De wachttijd van de nieuwe verzekering maakt niet langer een onderscheid naargelang de leeftijd van de werknemer. Binnen een tweede vergoedingsperiode maakt hij bovendien aanspraak op een extra maand uitkeringen voor elke extra 104 gewerkte arbeidsdagen. Beide periodes bestaan uit maximaal twaalf maanden waardoor de werknemer tot vierentwintig maanden aan uitkeringen kan genieten.

Het overbruggingsrecht kent een dubbele wachttijd. De zelfstandige moet aantonen dat hij (1) in het kwartaal van de stopzetting of onderbreking en de drie kwartalen die eraan voorafgaan, verzekeringsplichtig is geweest of bijdragen verschuldigd was en (2) dat hij in het kwartaal van de stopzetting of onderbreking en de vijftien kwartalen die eraan voorafgaan, effectief bijdragen ter waarde van vier kwartalen heeft betaald of pensioenrechten heeft opgebouwd. Deze wachttijd sluit dus nauw aan bij die van de nieuwe werkloosheidsverzekering. Zo moeten zowel werknemers als zelfstandigen een verzekeringsplicht van een jaar aantonen. Wanneer zelfstandigen de dubbele wachttijd vervullen, maken zij aanspraak op een financiële uitkering van twaalf maanden en op het behoud van sociale rechten gedurende vier kwartalen binnen de gezondheidszorg en ziekte- en invaliditeitsverzekering. De duurtijd van het basisrecht in het overbruggingsrecht stemt bijgevolg overeen met de eerste vergoedingsperiode van de werkloosheidsverzekering. Daarnaast maakt de verzekerde zelfstandige aanspraak op een aanvullend recht, bestaande uit extra maanden aan uitkeringen en behoud van sociale rechten wanneer de zelfstandige het basisrecht heeft uitgeput en voldoende pensioenvormende kwartalen heeft opgebouwd tussen twee gebeurtenissen. De zelfstandige heeft per individuele gebeurtenis weliswaar slechts recht op maximaal twaalf maanden uitkeringen en vier kwartalen behoud van sociale rechten.

Aanzienlijke verschillen in uitkeringshoogte

De wetgever verhoogt ook de startuitkeringen. Nieuwe werklozen die de verzekering betreden, zullen gerechtigd zijn tot uitkeringen waarvan de maxima tot bijna 500 euro per maand hoger liggen dan in de oude werkloosheidsverzekering. Daarnaast versterkt de Programmawet van 18 juli 2025 de degressiviteit van de uitkeringen. Zij zullen met andere woorden sterker en sneller dalen na verloop van tijd. Waar de eerste vergoedingsperiode de uitkeringen koppelt aan het laatste inkomen van de werkloze, leidt de versterkte degressiviteit er onder meer toe dat de tweede vergoedingsperiode van de werkloosheidsverzekering gekenmerkt wordt door forfaitaire bedragen.

In tegenstelling tot de eerste vergoedingsperiode van de werkloosheidsverzekering bestaan de prestaties van het overbruggingsrecht uitsluitend uit forfaitaire bedragen. Omwille van de versterkte degressiviteit in de werknemersregeling liggen deze forfaits na zes maanden werkloosheid hoger dan de maximale uitkeringen voor werknemers met gezinslast en overstijgen zij na twaalf maanden de maxima van elke werknemer, ongeacht de gezinscategorie. Bovendien liggen deze vaste uitkeringen in elk geval hoger dan de minimale dagbedragen in de werknemersregeling. De zelfstandige die over een beperkt inkomen beschikt, zal steeds hogere uitkeringen ontvangen dan de werknemer wiens inkomen zich rond deze minima situeert.

Zelfstandigen anno 2026 evenwaardig beschermd tegen het werkloosheidsrisico?

Het overbruggingsrecht voor zelfstandigen kent ten gevolge van de werkloosheidshervorming een bescherming die op het eerste gezicht gelijkwaardig is aan, en in sommige gevallen financieel zelfs voordeliger dan, de werkloosheidsverzekering voor werknemers. Dit valt enigszins te verbazen gelet op de aloude perceptie dat zelfstandigen geacht worden om risico’s te nemen, waarbij het risico bij uitstek de bedrijfssluiting uitmaakt. Een belangrijke nuance hierbij is weliswaar dat zelfstandigen slechts in een limitatief aantal toepassingsgevallen of gebeurtenissen aanspraak kunnen maken op uitkeringen in tegenstelling tot de werkloosheidsverzekering die werknemers uitkeringen verschaft telkens wanneer zij onvrijwillig werkloos worden en aan de voorwaarden van de verzekering voldoen.

Deze uitgebreide bescherming van zelfstandigen staat dan weer in schril contrast met het gebrek aan enige beschikbaarheidsvoorwaarde. In de werkloosheidsverzekering moeten werknemers actief op zoek gaan naar werk, medewerking verlenen aan begeleidings- en activeringstrajecten en zich dus beschikbaar opstellen voor de arbeidsmarkt. Het overbruggingsrecht kent deze vereiste daarentegen niet. Wanneer zelfstandigen weigeren om zich actief in te spannen om de arbeidsmarkt opnieuw te betreden en hiertoe de nodige stappen te ondernemen, worden zij niet gesanctioneerd en behouden zij hun uitkering. Wanneer we dit vervolgens bekijken in het licht van de uitkeringen die na de zesde maand werkloosheid vaak hoger liggen dan de uitkeringen voor werknemers, kunnen we niet anders bemerken dan dat zelfstandigen in deze situaties financieel beter af zijn dan werknemers en dit zonder enige aanmoediging tot activering.

Naar een geüniformeerde werkloosheidsverzekering voor werknemers en zelfstandigen?

Gelet op de inhoudelijke gelijkenissen en verschillen, tussen de werkloosheidsregelingen dringt de vraag zich op of de werkloosheidsverzekering en het overbruggingsrecht niet geüniformeerd kunnen worden. De Europese Pijler voor Sociale Rechten en de bijhorende Aanbeveling met betrekking tot de toegang tot sociale bescherming (C387) wakkeren deze eenmakingsdiscussie opnieuw aan. Hoewel deze Europeesrechtelijke instrumenten juridisch niet-bindend zijn, formuleren zij een aantal richtsnoeren voor de verdere ontwikkeling van nationale socialezekerheidsstelsels. Zo moeten werknemers en zelfstandigen niet alleen formeel opgenomen zijn in het toepassingsgebied van deze stelsels, maar ook effectief rechten kunnen opbouwen en uitkeringen kunnen genieten wanneer een bepaald sociaal risico zich voordoet. Daarnaast moeten de stelsels een adequaat niveau van sociale bescherming aan hun sociaal verzekerden bieden en voldoende transparant zijn.

Essentieel hierbij is dat deze instrumenten vertrekken van arbeidsneutraliteit: het arbeidsstatuut mag in principe niet bepalend zijn om sociale bescherming te genieten. Beginsel 12 van de Pijler stelt immers expliciet dat werknemers en, onder vergelijkbare voorwaarden, zelfstandigen recht hebben op adequate sociale bescherming. Tegelijk erkent de Aanbeveling dat de eigen karakteristieken van bepaalde arbeidsstatuten ook een aparte invulling van de algemene en verdere uitwerking van specifieke regelingen kunnen verantwoorden. Zo gelden de beginselen van formele en effectieve dekking, en adequaatheid en transparantie voor alle werknemers en zelfstandigen, maar erkent de Aanbeveling dat verschillende regels op hen van toepassing kunnen zijn.[1]

Binnen deze context lijkt een uniformering van de werkloosheidsregelingen voor werknemers en zelfstandigen, of ruimer: voor alle beroepsactieven, zich op te dringen. Enerzijds convergeren de werkloosheidsverzekering en het overbruggingsrecht waardoor hun basisvoorwaarden momenteel in verregaande mate overlappen. Anderzijds sturen ook de Pijler en de bijhorende Aanbeveling aan op een meer arbeidsneutrale verzekering. Mocht zulke werkloosheidsverzekering voor beroepsactieven vorm krijgen, vereist dit weliswaar dat de specifieke uitwerking van de regels rekening houdt met de eigen karakteristieken inzake inkomen, arbeidstijd, … van de zelfstandige activiteit door bijvoorbeeld hun verdiende inkomen om te zetten in arbeidsdagen. Uiteraard zal een uniformering de invoering van een beschikbaarheidsvereiste voor zelfstandigen vergen, zodat zij zich eveneens actief moeten inspannen om naar de arbeidsmarkt terug te keren. Op deze manier kennen zelfstandigen een echte werkloosheidsverzekering die de herinschakeling op de arbeidsmarkt bevordert.

Kasper Daenen en Paul Schoukens

De auteurs geen dieper op dit thema in tijdens hun voordracht op de 33ste VRG Alumnidag.


Voetnoten

[1] Punt 5 Aanbeveling van de Raad van 8 november 2019 met betrekking tot de toegang tot sociale bescherming voor werknemers en zelfstandigen (2019/C 387/01), Pb.C. 15 november 2019.

Recente Jobs

Deskundige
Publiek recht
0 - 3 jaar
Vlaams-Brabant
Advocaat
Arbeidsrecht
1 - 3 jaar
Antwerpen
Advocaat
Ondernemingsrecht Vennootschapsrecht
1 - 3 jaar
Antwerpen
Advocaat-stagiair
Omgevingsrecht
0 - 3 jaar
Antwerpen
Tax manager
Fiscaal recht
3 - 7 jaar
Vlaanderen

Aankomende events

view calendar

Blijf op de hoogte

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

0 Reacties

0 reacties

Een reactie versturen

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *