Soms wordt een wet niet ingehaald door een latere wetswijziging, maar door een werkelijkheid die sneller verandert dan de wetgever kan volgen. De Cerebro-wet, goedgekeurd in oktober 2022 en bedoeld om België eindelijk een centraal register van vonnissen en arresten te bezorgen, dreigt daarvan een pijnlijk voorbeeld te worden. Op papier was Cerebro een ambitieuze stap vooruit: meer transparantie, meer toegankelijkheid, meer modernisering van de rechterlijke macht. Rechtspraak zou niet langer versnipperd en moeilijk vindbaar zijn, maar gecentraliseerd en digitaal beschikbaar.
En toch is de vaststelling vandaag ongemakkelijk eenvoudig: het register is in de praktijk nog altijd niet gerealiseerd. Het project sleept aan, de uitvoering blijft uit en de grote digitaliseringssprong lijkt voorlopig vooral een sprong in het luchtledige.
Vandaag leven we echter niet meer in die klassieke internetwereld. We leven in een AI-wereld. En in een AI-wereld betekent publicatie iets totaal anders dan vroeger
Men kan dat verklaren met de klassieke Belgische cocktail van institutionele complexiteit, gebrekkige middelen en uitstelcultuur. Maar misschien is er een fundamentelere verklaring. Misschien is Cerebro niet problematisch omwille van zijn moderniteit, maar precies omdat het ontwerp al bij zijn geboorte tot het verleden behoorde. De wet is geschreven in een tijdperk dat intussen bijna archaïsch aanvoelt: het tijdperk waarin digitalisering nog vooral werd begrepen als het online plaatsen van documenten. De wetgever dacht in termen van databanken, publicatie, pseudonimisering en het verhinderen van massale downloads. Het was de logica van het internet van gisteren: informatie toegankelijk maken, maar tegelijk beheersbaar houden. Vandaag leven we echter niet meer in die klassieke internetwereld. We leven in een AI-wereld. En in een AI-wereld betekent publicatie iets totaal anders dan vroeger.
Openbaarheid is niet langer een burger die een vonnis leest of een journalist die een arrest opzoekt. Openbaarheid is een algoritme dat miljoenen uitspraken opslorpt, structureert, analyseert en hergebruikt. Rechtspraak is geen archief meer, maar trainingsdata. Wat in 2022 nog klonk als een administratief moderniseringsproject, is vandaag in werkelijkheid een juridische dataset van onschatbare waarde. Wie toegang heeft tot rechtspraak, heeft toegang tot de mogelijkheid om patronen te herkennen, voorspellingen te maken, profielen van rechters op te stellen, strategische procesvoering te ontwikkelen en juridische argumentatie te automatiseren. Rechtspraak is geen passieve tekstverzameling meer, maar het ruwe materiaal waaruit artificiële systemen juridische patronen distilleren. Wie toegang heeft tot die totaliteit beschikt niet enkel over informatie, maar over een nieuwe vorm van macht. Dat besef ontbreekt opvallend in de Cerebro-wet. Ze is gebouwd op het idee dat men rechtspraak digitaal kan publiceren zoals men vroeger boeken in een bibliotheek plaatste: beschikbaar, maar passief. AI heeft die passiviteit weggevaagd. Een gepubliceerde uitspraak is geen tekst meer, maar een datapunt in een model.
Pseudonimisering is geen muur, maar een gordijn en AI kijkt er moeiteloos doorheen
De wetgever heeft geprobeerd het systeem veilig te maken door pseudonimisering. Namen van natuurlijke personen moeten worden weggewerkt, identificerende elementen verwijderd. Dat klinkt geruststellend, maar het is een geruststelling uit een verdwenen tijd. Vandaag weten we dat artificiële intelligentie geen naam nodig heeft om iemand te herkennen. Een combinatie van feiten volstaat: een datum, een woonplaats, een familiale context, een medische situatie. Pseudonimisering is geen muur, maar een gordijn en AI kijkt er moeiteloos doorheen. De vraag is dus niet of de wet voldoende namen schrapt, maar of het hele idee van veilig publiceren van rechtspraak in een AI-context nog realistisch is.
Daar komt bij dat de Cerebro-wet een principieel verbod bevat op massaal downloaden en verwerken van gegevens. Scraping moet worden verhinderd, overtredingen worden zelfs strafrechtelijk bestraft. Ook dat klinkt op papier als controle. Maar het is een illusie. Alsof men denkt dat een internationale AI-industrie zich laat afremmen door een Belgische strafbepaling. Data circuleert altijd: via commerciële databanken, partners, API’s, downstream datasets en herpublicatie. Wie zich aan de regels houdt, blijft achter. Wie ze negeert, wint. Dat is de perversiteit. Een wet die controle belooft, creëert in werkelijkheid vooral een voordeel voor wie zich niets aantrekt van die controle. Strafrechtelijke symboliek verandert niets aan technologische realiteit.
Cerebro is bovendien geen uitzondering. Het is slechts één illustratie van een bredere problematiek. Digitaliseringswetgeving met betrekking tot justitie is structureel geschreven alsof technologie een administratief hulpmiddel is, geen machtsinstrument. Dat geldt evenzeer voor andere projecten die de voorbije jaren als moderniseringssymbolen werden gepresenteerd: JustSign en de digitale ondertekening van vonnissen, e-Deposit en de digitalisering van procedurestukken, de hervormingen van het gerechtelijk dossierbeheer, of de bredere ambitie van ‘e-Justice’. Steeds opnieuw ziet men dezelfde reflex. Digitalisering wordt behandeld als een technisch project, niet als een fundamentele hertekening van juridische infrastructuur in een AI-context. De wetgever loopt niet één stap achter. Hij loopt een volledig tijdperk achter.

Nog problematischer is dat Cerebro van meet af aan een asymmetrische toegang creëert. Magistratuur en Openbaar Ministerie krijgen ruimere mogelijkheden om de authentieke databank te raadplegen dan advocaten en burgers. Dat werd al terecht bekritiseerd als een probleem van wapengelijkheid. Maar in een AI-tijdperk wordt dat probleem explosief. Ongelijke toegang tot rechtspraak betekent vandaag ongelijke toegang tot AI. Wie toegang heeft tot de volledige dataset kan modellen trainen. Wie dat niet heeft, staat juridisch in het donker. De vraag is dus niet langer of een advocaat alle vonnissen kan lezen, maar of een burger dezelfde technologische macht kan ontwikkelen als het systeem dat hem vervolgt of beoordeelt. Wapengelijkheid krijgt een digitale dimensie die de wetgever nauwelijks lijkt te hebben voorzien.
Openbaarheid heeft in het AI-tijdperk een dubbel gezicht. Wat bedoeld is als transparantie en controle, kan tegelijk leiden tot commerciële exploitatie
Openbaarheid van rechtspraak is een hoeksteen van de democratische rechtsstaat. Maar ook daar dringt zich een ongemakkelijke waarheid op. Openbaarheid heeft in het AI-tijdperk een dubbel gezicht. Wat bedoeld is als transparantie en controle, kan tegelijk leiden tot commerciële exploitatie, predictieve rechtspraak, ranking van rechters en automatisering van geschillen. Openbaarheid wordt dan niet controle door burgers op de rechterlijke macht, maar controle over burgers via de dataset geproduceerd door het gerechtelijk apparaat. En dat alles nog los van een realiteit waar de wetgever nauwelijks rekening mee lijkt te houden. Rechtspraak is niet enkel interessant voor magistraten, advocaten of academici, maar ook voor criminele organisaties, vijandige buitenlandse mogendheden en inlichtingendiensten. In een volatiele geopolitieke context is een centrale databank van uitspraken niet alleen een transparantieproject, maar ook een strategische goudmijn voor profilering, beïnvloeding en chantage. Wie denkt dat digitalisering van justitie zich afspeelt in een juridisch vacuüm, onderschat de mate waarin rechtspraak ook een infrastructuur van staatsmacht en kwetsbaarheid is.
Terugkeren naar papieren vonnissen is geen oplossing. Dat zou toegankelijkheid vernietigen en justitie opnieuw afhankelijk maken van fysieke toegang tot griffies en archieven. De echte keuze is niet digitaal of papier. De echte keuze is of we rechtspraak digitaliseren alsof AI niet bestaat, of dat we eindelijk een rechtsstatelijk AI-bewust model ontwerpen. Misschien is Cerebro daarom nog altijd niet gerealiseerd. Niet omdat België toevallig traag is, maar omdat de wet een compromis probeert te zijn tussen twee tijdperken. Cerebro is geschreven alsof rechtspraak een archief is dat men opent voor het publiek, terwijl rechtspraak intussen een dataset is geworden die door machines wordt gelezen, hergebruikt en geëxploiteerd. Wie vandaag nog een rechtspraakdatabank ontwerpt zonder AI als uitgangspunt, bouwt geen transparantie maar naïviteit. Dit is geen technisch debat. Dit is geen IT-probleem. Dit is een rechtsstatelijke vraag. De vraag is niet of Cerebro ooit zal werken, maar hoeveel digitaliseringswetten in justitie nog zullen worden gestemd alsof artificiële intelligentie niet bestaat en hoeveel structurele ongelijkheid, kwetsbaarheid en machtsverschuiving dat zal veroorzaken vooraleer iemand durft toe te geven dat justitie niet aan het digitaliseren is, maar aan het achterlopen.



0 reacties