Btw-tarief ingrijpend gerenoveerde gebouwen: Cassatie legt vraag voor aan Hof van Justitie cover

16 mei 2022 | Tax & Private equity

Btw-tarief ingrijpend gerenoveerde gebouwen: Cassatie legt vraag voor aan Hof van Justitie

Recente vacatures

Jurist
bestuursrecht internationaal recht Omgevingsrecht Publiek recht sociaal recht
Brussel
Advocaat
Ondernemingsrecht
3 - 7 jaar
Limburg
Paralegal
Vastgoed
0 - 3 jaar
West-Vlaanderen

Aankomende events

Opgelet: dit artikel werd gepubliceerd op 16/05/2022 en kan daardoor verouderde informatie bevatten.

Het Hof van Cassatie verwijst naar het Europese Hof van Justitie: mogen ingrijpend gerenoveerde gebouwen in België onderworpen worden aan het btw-tarief voor nieuwbouw? Het Hof besliste in zijn arrest van 28 maart 2022 om een prejudiciële vraag te stellen aan het Europese Hof van Justitie nadat er een dispuut ontstond omtrent het toepasselijke btw-tarief in geval van de verkoop van ingrijpend gerenoveerde oude gebouwen. Mag de fiscus bij een gebrek aan omzetting van artikel 12, §2 van de btw-richtlijn in de Belgische wetgeving het nieuwbouw btw-tarief van 21% toepassen op vernieuwbouw? (Hof van Cassatie 28 maart 2022, F.20.0139.F).

Een echtpaar kocht in 2009 een appartement met bijhorende garage van een vennootschap die eigenaar was van de grond en een oud schoolgebouw, en sloot een overeenkomst met een andere vennootschap die zou overgaan tot het transformeren van dit gebouw in appartementen. De constructie bestond dus uit de aankoop van een oud gebouw, gevolgd door een renovatie die onderworpen was aan het 6%-tarief, en de aankoop van een nieuw gebouwde garage, onderworpen aan een tarief van 21%.

De fiscus ging echter niet akkoord met deze kwalificatie en stelde dat het appartement moest worden onderworpen aan het nieuwbouw tarief van 21% omdat het zijns inziens een ‘nieuw gebouw’ was in de zin van artikel 44 §3, 1° a) W.BTW. Ter onderbouwing van die stelling werd verwezen naar de Circulaire 16/1973 van 28 juni 1973, de administratieve beslissing genummerd E.T. 19.497 en nummer 152/2 van de btw-handleiding dat “verbouwde oude gebouwen” betreft. In dit laatste document wordt gewezen op de situaties waarin een oud gebouw toch als nieuwbouw kwalificeert en bijgevolg valt onder het btw-tarief van 21%. Het moet dan gaan om een renovatie die een radicale wijziging inhoudt van de wezenlijke kenmerken van het gebouw, bestaande uit de aard, de structuur (zoals draagmuren), en eventueel de bestemming. Wanneer dit moeilijk te bepalen blijkt, wordt er gekeken naar de kosten van de verbouwingen en betreft het ook nieuwbouw wanneer deze 60% van de verkoopwaarde van het gebouw overschrijden.

Voor het hof van beroep te Luik wierp de Belgische Staat volgende argumenten op om aan te tonen dat het om een nieuwbouw ging. Onder andere onderging het schoolgebouw een bestemmingswijziging naar appartementen voor privégebruik en bureaus voor werkgelegenheid. Er werd een verdieping toegevoegd, muren afgebroken en nieuwe draagmuren geplaatst, er werd een lift geïnstalleerd en de renovatiekosten bedroegen 80% van de verkoopwaarde van het appartementsgebouw met bijhorende garages.

Uiteindelijk oordeelde het hof van beroep te Luik op 4 juni 2019 dat alle voormelde documenten (de circulaire, de administratieve beslissing en de btw-handleiding) geen kracht van wet hadden en dat bijgevolg België heeft nagelaten om artikel 12, §2, tweede alinea van de btw-richtlijn – hetwelk betrekking heeft op het bepalen van de voorwaarden van het criterium van oude gebouwen – om te zetten. Het hof stelde dan ook dat bij gebrek aan omzetting de Belgische Staat er geen toepassing van kan maken. De Belgische Staat argumenteerde dat het volgt uit het begrip ‘nieuwe gebouwen’ zoals bedoeld in artikel 44 §3, 1° a) W.BTW, dat een oud gebouw ‘nieuw kan worden’ en opnieuw het voorwerp kan uitmaken van eerste ingebruikname van zodra het een voldoende ingrijpende verbouwing heeft ondergaan. Hierdoor zou een omzetting van artikel 12, §2 van de btw-richtlijn niet noodzakelijk zijn.

Het Hof van Cassatie besloot dat er nood was aan een Europeesrechtelijke interpretatie van de artikelen 12, §§1-2 en 135 van de btw-richtlijn en verwees dan ook een prejudiciële vraag naar het Europese Hof van Justitie.

Het antwoord op die vraag zal bepalend zijn voor het al dan niet noodzakelijk zijn van het ingrijpen van de wetgever voor de toepassing van het nieuwbouw-tarief na een ingrijpende renovatie.

Céline Vangheel – Aspirant FWO-Vlaanderen aan de Universiteiten van Gent en Hasselt

Recente vacatures

Jurist
bestuursrecht internationaal recht Omgevingsrecht Publiek recht sociaal recht
Brussel
Advocaat
Ondernemingsrecht
3 - 7 jaar
Limburg
Paralegal
Vastgoed
0 - 3 jaar
West-Vlaanderen

Aankomende events

Blijf op de hoogte

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

0 Reacties

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.