KnopsPublishing

KnopsPublishing wil u als juridische professional zo goed mogelijk ondersteunen in uw dagelijkse beroepspraktijk. Met de juiste informatie, op papier én digitaal. Met interactieve opleidingen gericht op úw praktijk. Met eigentijdse antwoorden op uw communicatie- en marketingvragen. Zodat u zich volop kunt concentreren op uw corebusiness: uw cliënten een efficiënte en kwalitatieve dienstverlening bieden.

Ontdek het aanbod hier!

Auteur Bruno LUYTEN, Ere-eerste-voorzitter van het hof van beroep Antwerpen en Ere-advocaat bij de balie Brussel, schreef deze tekst oorspronkelijk voor het Liber Amicorum Bernard Peeters. U kunt zijn tekst, zoals het verscheen in het Liber, hier integraal lezen.


Juristen en informatisering, het is zelden liefde op het eerste gezicht. Onze samenleving verandert echter in zeer snel tempo ingevolge de informatie- en communicatietechnologieën (ICT). Wij kunnen ons als juristen dus niet permitteren om deze evolutie te negeren. De ICT zal de manier waarop geschillen aangepakt worden in een informatiemaatschappij, die door data gestuurd wordt en waar netwerken een basisorganisatievorm zijn, sterk beïnvloeden.[1]

Het is duidelijk dat artificiële intelligentie (AI), machine learning (ML) en legal analytics (LA) in snel tempo een belangrijke rol zullen spelen in het voorkomen, beheren en beslechten van conflicten.

Er dient zich hier een kans aan, namelijk om rechtspraak op een beredeneerde en systematische manier te analyseren. Op basis van dergelijke analyse kunnen rechtspraak, wetgever en samenleving de conflictbeslechting oriënteren.[2]

Met deze technologie kunnen immers in snel tempo zeer grote hoeveelheden tekst gelezen en geanalyseerd worden, uitspraken voorspeld worden, deze voorspellingen vergeleken worden met de uitspraken en, op basis van deze feedback, de technologie zelf verbeterd worden.[3]

Wil men dit efficiënt doen, dan dient men te beschikken over de rechtspraak in machineleesbare vorm. Tevens is vereist dat het gaat om de integrale rechtspraak en niet slechts om een selectie, om te voorkomen dat dit een vertekend beeld zou geven. In Nederland, dat vaak als lichtend voorbeeld wordt gesteld inzake publicatie van de rechtspraak, wordt thans slechts 4% van het totaal van de uitspraken gepubliceerd. Men hoopt er daar binnen een termijn van tien jaar in te slagen om de volledige rechtspraak te publiceren.[4]

Verder rijst de vraag onder wiens beheer deze data dienen te worden verzameld, beheerd en ter beschikking van het publiek worden gesteld. Want de elektronische verwerking van de data van Justitie stelt bijzondere problemen, onder meer op gebied van privacy.

Vele rechterlijke uitspraken, en de gegevens die aan de rechter worden verstrekt, bevatten immers vertrouwelijke gegevens, die privacygevoelig zijn. Denken we maar aan bijvoorbeeld medische dossiers inzake ongevallen, psychiatrische verslagen en dergelijke meer

Het komt mij voor dat in een rechtstaat Justitie, zoals ook de politie, essentieel een overheidstaak is, en het geenszins aanvaardbaar is dat het beheer van onze data aan derden zou worden toevertrouwd. De vonnissen en arresten, evenals de gegevens die partijen dikwijls verplicht moeten overleggen aan de rechter, dienen dus onder het exclusieve beheer te blijven van de rechterlijke orde (RO) stricto sensu. Het lijkt mij eveneens evident dat het aan de wetgever behoort om uit te maken wat er met die data mag gebeuren en in welke mate ze ter beschikking van het publiek gesteld mogen worden. Vele rechterlijke uitspraken, en de gegevens die aan de rechter worden verstrekt, bevatten immers vertrouwelijke gegevens, die privacygevoelig zijn. Denken we maar aan bijvoorbeeld medische dossiers inzake ongevallen, psychiatrische verslagen en dergelijke meer.

Er dient dus over gewaakt te worden dat de data van Justitie niet “en stoemelings” aan derden worden overgemaakt zoals onder meer gebeurde met de RegSol-applicatie, waarbij het Centraal Register Solvabiliteit, dat de gegevens en de stukken van de faillissementsprocedures bevat, vanaf 1 april 2017 onder het beheer van de Orde van Vlaamse Balies (OVB) en de Ordre des Barreaux Francophones et Germanophone (OBFG) werd gebracht. Terecht worden daar vragen bij gesteld, onder meer wie de overgedragen data uit de faillissementsprocedure opslaat en op welke manier dat gebeurt, wat de gevolgen zijn van die overdracht, aan wie de inkomsten uit het commercialiseren ervan toekomen, welke controle er is op het beheer en gebruik, enzovoort.[5] Maar blijkbaar zien, behoudens enkele zeldzame collega’s, weinigen daar de enorme risico’s van in.

Het DPA-project, waarbij het de bedoeling is om – tegen betaling – als doorgeefluik te fungeren voor vrijwel de integrale instroom en uitstroom van de Belgische rechtspraak, maakt het technisch mogelijk een databank te voeden met niet alleen alle uitspraken van hoven en rechtbanken, maar ook van de procedure- en overtuigingsstukken die daartoe werden neergelegd. Op 5 september 2018 heeft de Gegevensbeschermingsautoriteit expliciet gesteld dat de beroeporganisaties die optreden als verwerkers, de OVB en OBFG dus, “in geen enkel geval de documenten (mogen) bewaren die door hun toedoen werden doorgezonden aan de informaticasystemen van Justitie”.[6]De vraag is in hoeverre de bewaring in de DPA-Box van de in- en uitgaande communicatie van de advocaten met de rechterlijke orde, daarmee spoort.

Gelukkig werd de onwettige verplichting die aan de advocaten werd opgelegd om het DPA te gebruiken, vernietigd door de Raad van State in zijn arrest de dato 12 december 2019.[7] Maar het gevaar blijft dat gegevens van partijen, zonder dat die zich ervan bewust zijn, door het gebruik van dit doorgeefluik in handen van derden komen.

Het is dus belangrijk dat de rechterlijke orde zelf zeer snel zorgt voor een databank van de volledige Belgische rechtspraak die dan, nadat de wetgever bepaald heeft onder welke voorwaarden, onder meer geanonimiseerd, kosteloos publiek wordt gemaakt. Dit is niet alleen een verplichting die door de EU wordt opgelegd, maar is tevens noodzakelijk om te voorkomen dat er alternatieve privédatabanken worden opgebouwd, zonder waarborgen qua authenticiteit en volledigheid, en met gevaren voor de privacy tot gevolg.

Een bijzonder gevaarlijke evolutie omdat met private databanken digitale instrumenten ontwikkeld kunnen worden, waarvan de resultaten gebruikt worden in gerechtelijke procedures, hoewel de modellen, data en bewerkingen in dergelijke instrumenten niet openbaar zijn en er geen tegenspraak over gevoerd wordt. Op die manier kunnen private spelers ongemerkt maar reëel de rechtspraak beïnvloeden. Tussen de meest kapitaalkrachtige private partijen enerzijds en onwetende partijen anderzijds, maar ook de rechters, ontstaat zo een informatieasymmetrie. Daardoor kan ongemerkt de rechtsvorming gestuurd worden.

De data van Justitie

Partijen zijn ertoe gehouden stukken en gegevens aan de rechter te bezorgen om die toe te laten te oordelen. Veel gegevens vinden ook hun weerslag in de procedurestukken, verzoekschriften, dagvaardingen, conclusies, vonnissen en arresten. Heel wat van die gegevens zijn privacygevoelig. Dat gaf in het verleden zelden aanleiding tot problemen omdat onze griffiers en ons griffiepersoneel er zorgzaam mee omgaan, en een zoektocht in de papieren registers en dossiers voor onbevoegden niet evident is.

Dat wordt een heel ander verhaal wanneer die gegevens in elektronische vorm worden verstrekt en/of bewaard. Met een goede zoekrobot kan met een muisklik onmiddellijk een massa informatie gevonden worden, en met artificiële intelligentie en machine learning kan een schat aan informatie uit die gegevens gepuurd worden.

De opslag in elektronische vorm vergt dus bijkomende maatregelen om misbruik te voorkomen. Ogenschijnlijk onschuldige oplossingen die uit pragmatische overwegingen worden gekozen, kunnen een risico opleveren. Ik verwijs in dit verband naar wat hiervoor reeds gesteld werd over REGSOL en DPA.

Op de CBR-studiedagen in 2015 over de “Hervorming van de burgerlijke rechtspleging” door de eerste zogenaamde “potpourri-wet”, werd een uiteenzetting gegeven over de “Digitale procesvoering”. Onze informatici gaven daar een demo van de werking en de mogelijkheden van de twee reeds actieve “centrale componenten”, e-Deposit en VAJA. En ze schetsten daar de visie en de mogelijkheden van de verdere uitrol van deze en andere centrale componenten, die op korte termijn konden leiden tot het volledig elektronisch rechtsplegingsdossier, de “Heilige Graal” van Justitie.

Reeds de dag na de eerste van deze studiedagen, die plaatsvond op 19 november 2015, nam de CEO van een belangrijke juridische uitgeverij contact op. Hij bleek sterk geïnteresseerd in de centrale databank van de arresten van alle hoven van beroep en arbeidshoven van het Rijk sedert 1 januari 2014. En kort nadien volgden er anderen.

Helemaal niet verwonderlijk dat alerte juridische uitgevers het potentieel inzagen van de door de centrale VAJA-component opgebouwde databank, in feite een bijproduct ervan, die als eerste doel had het werk van de griffie te automatiseren en te vergemakkelijken (zie infra).

Het is duidelijk dat de integrale rechtspraak van de Belgische hoven van beroep en arbeidshoven, in elektronische en machineleesbare vorm bijzonder interessant is voor de juridische uitgevers. Als ondernemers beseffen zij beter dan wie ook dat datamining het nieuwe goud is.

De uitgevers begrepen eveneens het potentieel van de VAJA-component die, mits een zeer beperkte investering, beschikbaar kon gemaakt worden voor alle applicaties die gebruikt werden op de andere rechtbanken. Aldus lag een databank van de volledige Belgische rechtspraak in machineleesbare vorm binnen handbereik.

Aanbiedingen om de reeds beschikbare data “gratis” te anonimiseren en er zoekrobots voor te ontwikkelen werden beleefd afgehouden. De lessen van Google, Facebook, Instagram en aanverwanten leren ons voldoende wat het belang van de data is en dat het beweerde “gratis” niet echt gratis is.

We kunnen de juridische uitgevers natuurlijk niet verwijten dat zij hun kans waagden. Maar het spreekt vanzelf dat de rechterlijke orde (RO), waaraan de rechtzoekenden massa’s informatie verplicht moeten verschaffen, die info niet zomaar ter beschikking kan stellen aan derden, laat staan aan het grote publiek. Wie zich realiseert wat er met artificiële intelligentie en machine learning, of zelfs met een gewone zoekrobot, uit deze massa data gedistilleerd kan worden, beseft dat er grondig dient nagedacht over welke informatie al dan niet publiek mag gemaakt worden. Het zal uiteindelijk aan de wetgever zijn om dat te bepalen. Inmiddels dient de rechterlijke orde, waaraan de rechtzoekenden die info, dikwijls verplicht, hebben verschaft, er zorg voor te dragen dat deze niet in verkeerde handen valt.

In tegenstelling met de uitgevers, die het potentieel van deze VAJA-databank onmiddellijk hadden ingezien, is dit nooit doorgedrongen tot het kabinet van de toenmalige minister van Justitie Koen GEENS. Daar zette men in op het meer dan twintig (20) jaar oude MaCH-programma, dat volkomen verouderd is (zie infra).

Een databank met de volledige machineleesbare rechtspraak van het Rijk is zeer snel realiseerbaar en dit voor een heel redelijke kostprijs

Er bestaat op dit ogenblik dus reeds een centrale databank, VAJA, die alle arresten van de vijf hoven van beroep en de vijf arbeidshoven van het Rijk sedert 1 januari 2014 bevat. Dus de volledige rechtspraak van meer dan acht jaar van deze hoven.

In tegenstelling met wat het kabinet GEENS bleef beweren, zijn deze arresten perfect machineleesbaar en bruikbaar voor artificiële intelligentie, opzoekingen, analyse en wetenschappelijk onderzoek.

Het mooie is dat deze databank als het ware een bijproduct is van een technische oplossing voor de griffie om het afleveren en verzenden van afschriften en uitgiften van arresten te automatiseren.

Door een aantal knappe informatici van de FOD Justitie met een langetermijnvisie werd, in samenwerking met de griffie van het hof van beroep Antwerpen, een centrale databank van vonnissen en arresten ontwikkeld die via webservices, gebundeld in de VAJA-component, kan aangesproken worden. Daarbij werd eveneens een oplossing gevonden om de nadelen te beperken van de toen nog steeds wettelijk vereiste fysieke handtekening van magistraten en griffier.

Men opteerde voor de ontwikkeling ervan als een centrale component, die dienstig zou zijn voor alle hoven en rechtbanken van het Rijk.

Deze component, reeds sedert 1 januari 2014 (01.01.2014) probleemloos in gebruik door alle hoven van beroep en arbeidshoven, wordt aangesproken vanuit de eigen applicatie van ieder rechtscollege, maar werkt centraal. Hij is zodanig ontwikkeld dat hij kan gebruikt worden, mits de ontwikkeling van een webapp, door alle verschillende applicaties die thans in gebruik zijn bij de diverse rechtbanken. Net zoals e-Deposit overigens, die eveneens als centrale component ontwikkeld werd, aanvankelijk alleen in gebruik was bij de hoven van beroep en arbeidshoven, maar inmiddels in gebruik is bij alle rechtbanken.

De griffier die het ontwerp van arrest ontvangt van de magistraat, genereert vanuit de applicatie van het hof (HBCA/CTAH) een MS-Word-document, waarbij alle nuttige gegevens uit het dossier (partijen, advocaten, bestreden vonnis e.d.m.) automatisch worden ingevuld. De griffier vult dit aan met de motivering en het beschikkend gedeelte van het arrest uit het ontwerp dat hij ontving van de magistraten, en laadt het – steeds vanuit de applicatie van het hof – op naar VAJA. Hij ontvangt onmiddellijk een pdf-versie van het arrest terug waarvan elke bladzijde voorzien is van een unieke barcode/QRcode. Deze barcodes maken het mogelijk nadien de ondertekende arresten “en vrac” in te scannen op gelijk welke multifunctionele printer (MFP) van de entiteit. Zij maken tevens bladverwisseling en/of -verlies onmogelijk.

Dit pdf-document wordt afgedrukt, en door de magistraten en griffier ondertekend. Vervolgens wordt dit ingescand.

Deze scan is slechts nodig voor zover de wet nog steeds een fysieke handtekening vereist. Maar het systeem zorgt ervoor dat de gescande versie steeds identiek is aan de originele pdf-versie. Ook deze originele pdf-versie blijft bewaard in de centrale databank en vormt de basis voor de centrale databank van uitspraken, die volledig machineleesbaar en elektronisch doorzoekbaar zijn.

De bewering van het kabinet GEENS dat de zoekmogelijkheden ervan beperkt zijn, is dus manifest in strijd met de waarheid.

De “centrale componenten”, modulaire of agile-aanpak van de realisatie van het volledig elektronische rechtsplegingsdossier

Iedereen is het erover eens dat een volledig elektronisch rechtsplegingsdossier noodzakelijk is voor een efficiënte werking van Justitie. De zoektocht naar deze Heilige Graal duurt al decennia.

Een pijnpunt is dat er meer dan tien verschillende applicaties in gebruik zijn bij de diverse types van hoven en rechtbanken. Dit is een erfenis uit het verleden omdat er in het begin van de jaren 1990 geen sprake was van netwerken, het internet nog in de kinderschoenen stond en iedereen al blij was als er op een bescheiden wijze kon geautomatiseerd worden.

Er is dus nood aan een uniformisering van de applicaties.

Diverse pogingen om een eenheidsstructuur te creëren mislukten om diverse redenen. Onder meer het Phenix-project, waarin veel tijd, energie en geld is gekropen, maar dat uiteindelijk mislukte. Een van de redenen was dat het te omvangrijk en als een monoliet werd ontwikkeld en een “big bang” in Justitie nu eenmaal niet mogelijk is, gelet op de daaraan verbonden risico’s. Maar er werd in het kader van dat project wel goed werk geleverd en bepaalde analyses bleven bruikbaar. We weten inmiddels hoe dit afgelopen is. Dit mislukte project kostte de belastingbetaler 28 miljoen euro.[8]

Bij de basis wilde men echter niet bij de pakken blijven zitten en rond 2010 staken enkele knappe informatici van de FOD Justitie de koppen bij elkaar, samen met enkele gedreven leden van de griffie. Ze ontwikkelden met zeer bescheiden budgetten de centrale componenten VAJA en e-Deposit. In plaats van een monolithische aanpak werd gekozen om modulair te werk te gaan, de zogenaamde “agile-aanpak”.

Aldus werden in de nieuwste technologie, bottom-up, centrale componenten ontwikkeld die voor alle types van rechtbanken dienstig zouden zijn, en die zodanig ontworpen werden dat zij door de diverse applicaties van alle types rechtbanken aanspreekbaar zouden zijn. Voordeel is dat de gebruikers met de hun vertrouwde applicaties kunnen blijven werken, maar dat zij toch gebruik kunnen maken van deze nieuwe componenten. Er is dus geen, of slechts zeer beperkte “change” nodig, en evenmin een datamigratie. Zo krijgen de gebruikers bijkomende functionaliteiten terwijl zij met hun vertrouwde applicatie blijven werken.

Met de ontwikkeling van nieuwe centrale componenten, onder meer e-Reference, e-Inventaris, e-Communicate, enzovoort, en die telkens beschikbaar te stellen voor de applicaties van de diverse rechtbanken, worden alle bestaande applicaties onmerkbaar uitgekleed. Zodra alle componenten ontwikkeld en werkzaam zijn voor alle rechtbanken, kan daarrond een gemeenschappelijke schil gelegd worden, zodat alle hoven en rechtbanken met hetzelfde systeem werken.

Dat deze aanpak werkt, blijkt uit het feit dat e-Deposit sedert februari 2015 probleemloos werkt op alle hoven van beroep en arbeidshoven, en inmiddels ook werd uitgerold naar alle rechtbanken.

VAJA werkt sedert 1 januari 2014 eveneens probleemloos bij alle hoven van beroep en arbeidshoven.

Op 23 januari 2015 gaven onze informatici een uiteenzetting met een demo over de “centrale componenten” aan een afvaardiging van de Hoge Raad der Nederlanden, waarop we de volgende reacties ontvingen: “Onze delegatie (waarin ook automatiseringsdeskundigen) is ervan overtuigd geraakt dat jullie in België het digitaal procederen slimmer hebben aangepakt dan in Nederland. In elk geval is het project eDeposit veel verder gevorderd dan het Nederlandse KEI-project (met dezelfde doelstelling) en dat tegen een fractie van de kosten.

Het zal niet meevallen om in Nederland het grootschalige en logge project nog bij te buigen op basis van hetgeen wij in België hebben geleerd. Het is als het bijsturen van een tanker.”

En:

Wij zijn onverminderd onder de indruk van de goed doordachte, heldere lijn die u gekozen hebt en de efficiënte en flexibele manier waarop u daaraan uitvoering hebt gegeven. Het digitaal procederen is daardoor in België veel verder ontwikkeld dan in Nederland. Wij zijn ervan overtuigd dat wij veel van u kunnen leren, zowel op organisatorisch vlak, als ook op technisch gebied.”

We weten inmiddels dat de grote digitaliseringsoperatie van de Raad voor de Rechtspraak in Nederland, het project Kwaliteit En Innovatie rechterlijke macht (KEI), dat meer dan 200 miljoen euro kostte, faliekant is afgelopen. Vicevoorzitter STERK van de Raad liet in 2018 weten: “Willen we de ICT goed werkbaar maken dan moeten we verder investeren, maar nu is die investering niet toekomstbestendig. Daarom hebben besloten er niet mee verder te gaan.”[9]

Niettegenstaande het concept van de “centrale componenten” bewezen heeft goed te werken bij de hoven, en zelfs lovende woorden kreeg van onze Nederlandse collega’s, werd de uitrol van VAJA naar de andere rechtbanken begin 2018 stopgezet door het kabinet van de toenmalige minister van Justitie, Koen GEENS.

De argumenten van het kabinet GEENS om de uitrol van VAJA naar alle rechtbanken te stoppen

De argumenten van het kabinet GEENS om de ontwikkeling van de webapp die VAJA beschikbaar zou maken voor alle rechtbanken, te stoppen kunnen beleefd omschreven worden als “alternatieve feiten”. Ik verwijs daarvoor naar het artikel in De Tijd van 20 juni 2018.[10]

De beweringen van het kabinet luidden als volgt:

Bewering kabinet: “De tot nu toe gebruikte technologie is achterhaald. Ze laat bijvoorbeeld niet toe artificiële intelligentie te gebruiken om gerichte opzoekingen te doen in de massa vonnissen.”

Dit is manifest onjuist. De door de griffier gegenereerde barcoded PDF-a-versie van het arrest, die gegarandeerd identiek is aan het gescande arrest, is perfect machineleesbaar. Deze barcoded PDF-a-versie van de arresten worden eveneens bewaard in de VAJA-databank en zijn een perfecte basis voor artificiële intelligentie, machine learning en legal analytics. De gebruikte technieken zijn Java, Web services, Oracle Web Logic Application server en Oracle als Databank. Dat is perfect als basis voor gerichte opzoekingen, wat iedereen met een – zelfs beperkte – kennis van ICT zal bevestigen.

Aan de hand van de acht jaar rechtspraak van alle hoven in de VAJA-databank kan deze loze bewering van het kabinet overigens gemakkelijk weerlegd worden. Delen ervan worden immers reeds jaren gebruikt voor testen en experimenten inzake tekstanalyse en automatische anonimisering.

Het is dus bijzonder ergerlijk dat men deze flagrante leugen steeds maar blijft herhalen, onder meer: “Maar ook Geens botste op de ­realiteit en de voortschrijdende technologie. In 2018 trok hij de stekker uit de verdere uitrol van ­Vaja, een digitale databank die de vijf Belgische hoven van beroep en arbeidshoven al gebruikten, tot frustratie van de betrokken magistraten. Vaja liet niet toe dat vonnissen en arresten digitaal onder­tekend werden – die moesten nog afgedrukt en fysiek gehandtekend worden. Daardoor waren ook de zoekmogelijkheden beperkt.[11]

Bewering kabinet: “Ook een elektronisch handtekening gebruiken bleek een probleem

Dat is eveneens volkomen onjuist.

VAJA bevat drie versies van het vonnis of arrest die identiek zijn:

  • De MS-Word-versie, waarin het arrest wordt opgemaakt; de gegevens uit het dossier worden door de applicatie automatisch gegenereerd en de griffier voegt de motivering en het beschikkend gedeelte in.
  • Zodra de tekst klaar is, wordt daarvan een barcoded pdf-document gegenereerd, met op iedere bladzijde een unieke barcode/QR-code.
  • Na de ondertekening van die versie door de magistraten en de griffier, wat immers nog steeds door de wet vereist was, wordt deze ondertekende versie ingescand, wat, gelet op de aanwezige barcodes, snel en eenvoudig kan op gelijk welke multifunctionele printer (MFP) van het hof.
  • Op dat ogenblik wordt de kennisgeving artikel 792 Ger.W. met het arrest instant gemaild aan de advocaten waarvan wij over een gevalideerd e-mailadres beschikken.
  • Zodra de wet dit zou toelaten is het zeer eenvoudig een elektronische handtekening of een andere wijze van authenticatie in te voegen. Dan is de derde – ingescande – versie vanzelfsprekend niet meer nodig.

Bewering kabinet: “Daarom hebben we het Instituut voor Gerechtelijke Opleiding gevraagd een analyse te maken en de markt te verkennen om een nieuwe openbare aanbesteding te kunnen uitschrijven.”

Dit is eveneens een loopje nemen met de waarheid:

  • Het project dat toen liep bij het IGO had tot doel na te gaan hoe er best gezocht kan worden in de VAJA-databank en hoe de arresten automatisch geanonimiseerd kunnen worden.
  • De testen gebeurden overigens op de arresten van het hof van beroep van Brussel die in de VAJA-databank zitten!
  • Het kabinet sprak zichzelf overigens tegen. Want als VAJA niet zou toelaten om gerichte opzoekingen te doen, zoals zij voorhielden, waarom zouden de arresten die in VAJA zitten dan als archief overgepompt moeten worden naar de nieuwe databank, eveneens een bewering van het kabinet in hetzelfde artikel.

Bewering kabinet: “Het (kabinet Geens) is er gerust in dat de VAJA-databank niet nodig is om vonnissen te kunnen versturen. Dat kan ook rechtstreeks vanuit het computerprogramma ‘MACH’ dat we volop uitrollen bij alle rechtbanken”, luidt het. De kritiek dat het programma MACH ook achterhaalde technologie gebruikt, wuift het kabinet weg. “Dat is wel een stap vooruit. Er zijn regelmatig nieuwe versies.”

Ook dit argument raakt kant noch wal:

  • De enige versie van de vonnissen die MaCH bevatte, waren de Open-Office-documenten waarin de teksten zijn opgemaakt. Die konden door veel gebruikers voortdurend gewijzigd worden en boden geen enkele waarborg qua authenticiteit. De minuut was dus voortdurend wijzigbaar. Slechts zeer recent werd dit min of meer geremedieerd.
  • Maar het was ondenkbaar dat die versie dienstig zou kunnen zijn voor het afleveren van uitvoerbare uitgiften of eenvormige afschriften voor kennisgevingen.

Ik heb dit alles tijdens een persoonlijk onderhoud met de minister op 11 juli 2018 uitgelegd, en hem dienaangaande een gemotiveerde nota overhandigd. Evenwel vruchteloos.

Zeer jammer, want inmiddels gingen niet alleen belangrijke besparingen aan personeels- en portokosten verloren, maar werd de VAJA-databank uitsluitend gevoed door de uitspraken van de hoven en niet met die van de eerstelijnsrechtbanken. Aldus ging weer eens bijna vier jaar aan eerstelijnsrechtspraak verloren voor deze databank.

De VAJA-databank met de volledige rechtspraak van de vijf hoven van beroep en de vijf arbeidshoven van België bevat inmiddels meer dan acht jaar rechtspraak van die hoven, en wordt overigens gebruikt voor proeven inzake automatische anonimisering en tekstanalyse. Wie de “alternatieve feiten”/beweringen van het kabinet GEENS over VAJA wil toetsen, kan dat dus.

Het kabinet GEENS zette volledig in op de volkomen verouderde MaCH-applicatie

Het is zeer merkwaardig dat het kabinet GEENS VAJA verouderde techniek noemt en dit wilde opvangen door de uitrol van de MaCH-applicatie, die ontwikkeld is in Oracle Forms v.11.0, wat stokoude techniek van meer dan 20 jaar oud is.

Mammoet Central Hosting (MaCH) is een programma dat in de jaren 1990 ontwikkeld werd om de vredegerechten en politierechtbanken te automatiseren. Het werd in 2008, toen het al 10 jaar oud was, door de toenmalige minister van Justitie hernieuwd.[12]

In 2018 ging het kabinet GEENS met dit 20-jaar oude programma de hoge nood aan informatisering van alle rechtbanken aanpakken. Wie daar vragen durfde bij stellen werd weggezet als een “zwartgallige zeurpiet”.

Nochtans zou de ouderdom van het programma, meer dan 20 jaar, en het feit dat het ontwikkeld werd voor relatief kleine entiteiten, met name vredegerechten, politierechtbanken en politieparketten, tot voorzichtigheid moeten aanzetten om dit uit te rollen naar alle rechtbanken.

Het grote probleem is dat dit programma gebaseerd is op stokoude technologie, met name Oracle Forms v.11.0, en de implementatie ervan overal problemen oplevert.

Oracle Forms is een technologie uit de jaren 1990 en is dus zeker niet recent te noemen. Reeds jaren geleden werd er afgeraden om nieuwe applicaties met Oracle als totaaloplossing te starten:

“Upgrading to Forms 12c is more than likely going to cost more than ever before – whilst nothing has been officially announced yet and this is purely speculation I strongly suspect that if one needs to purchase additional licenses for a Forms environment the cost of doing so will be big. Oracle may not be putting Forms “end of life” but they are going to make it more expensive to purchase and support, therefore (eventually) forcing you into a change.”[13]

MaCH is momenteel tevens een technische en kennismonopoliesituatie. Enkel de firma die MaCH ontwierp en onderhoudt, kan een offerte indienen die de nodige garanties geeft. Dit heeft zeer nadelige gevolgen op de gemiddelde dagprijs van de profielen en sluit concurrentie uit. Door alle applicaties te laten opslorpen door MaCH versterkt men dit alleen.

Oracle Forms wordt als verouderde technologie niet meer onderwezen op de hogescholen en universiteiten. Dus insourcingis nagenoeg onmogelijk. Dat legt een hypotheek op de toekomst en verstevigt het monopolie van de leverancier. Insourcing vraagt voor jonge mensen een toekomstperspectief. Opleiding in Oracle Forms is er niet meer. Moderne technologie laat toe om insourcing te starten en minder afhankelijk te worden van alleen maar externe firma’s.

In 2014 werd er door Deloitte, in opdracht van de Stafdienst ICT van de FOD Justitie een audit uitgevoerd met onder meer als opdracht de risico’s te beschrijven van het bestaande feitelijke monopolie en de eventuele voordeelpositie van de firma die MaCH ontwikkelde en onderhoudt.

In het verslag van september 2014 van deze audit is onder meer te lezen:

De MaCH applicatie maakt gebruik van Oracle Webforms, wat niet de meest moderne technologie is. Bovendien bemoeilijkt deze technologie o.a. het operationeel beheer van foutmeldingen.

Doordat er gebruik gemaakt wordt van minder moderne technologieën voor de ontwikkeling van de applicatie kan dit op lange termijn effect geven op de kennis van de technologie en de ondersteuning ervan. Er is immers het toenemende risico op langere termijn dat er onvoldoende aanbod van geschoolde ontwikkelaars en beheerders in deze materie zal zijn om MaCH verder uit te bouwen en operationeel te ondersteunen.

Bovendien neemt het risico toe dat het connecteren en integreren van deze technologie met andere meer modernere technologie van gelinkte systemen en partijen complexer en bijgevolg duurder wordt.[14]

En verder:

We raden met betrekking tot het domein van ontwikkeling aan om:

…Een kosten/baten studie uit te voeren voor alternatieven van Oracle Webforms als technologie, aangezien deze technologie op langere termijn risico’s met zich meebrengt. Op korte termijn suggereren we om eerder in te zetten op nieuwe functionaliteiten die de business ten goede komen, dan op en migratie naar een nieuwe technologie. Afhankelijk van de roadmap kunnen nieuwe delen wel ineens in een andere technologie ontwikkeld worden.[15]

Het volledig inzetten op MaCH voor de informatisering van de hele rechterlijke orde door het kabinet GEENS is dus onbegrijpelijk en is catastrofaal gebleken. Er is veel tijd, energie en geld verloren. En bovendien is er inmiddels een massa aan vonnissen van eerstelijnsrechters verloren gegaan voor de zo broodnodige databank.

Naar verluidt is de implementatie van MaCH op de correctionele griffies en de parketten, die onvoorstelbaar veel inzet, geld en tijd kost, dermate desastreus gebleken dat er inmiddels – gelukkig – van werd afgezien om dit totaal verouderd programma elders in te voeren. Zo blijven de burgerlijke griffies, de ondernemingsrechtbanken, de arbeidsrechtbanken en de hoven ervan gespaard.

Zeer jammer is dat het kabinet GEENS einde 2020 in extremis nog contracten afsloot met de leverancier van MaCH waardoor men er, naar verluidt, aan gebonden zou zijn tot 2028. Hopelijk werden deze overeenkomsten voldoende sluitend gemaakt om ze, in geval van wanprestatie van de leverancier, te kunnen beëindigen zonder dat de belastingbetaler er – weer eens – voor moet opdraaien.

Men had er beter aan gedaan destijds te luisteren naar de “zwartgallige zeurpieten” die er jarenlang vruchteloos op gewezen hebben dat MaCH volkomen verouderd en onbruikbaar zou blijken.

Snel handelen is geboden

Er is dus al te veel tijd verloren.

In de eerste plaats moet er zo snel mogelijk voor gezorgd worden dat de VAJA-databank, die reeds de volledige rechtspraak van meer dan acht jaar van de hoven van beroep en arbeidshoven bevat, op relatief korte termijn ook gevoed wordt met de vonnissen van de eerstelijnsrechters en de arresten van het Hof van Cassatie. Het volstaat daarvoor dat er een webapp ontwikkeld wordt om de VAJA-component bruikbaar te maken voor de bestaande applicaties van alle rechtbanken. Dat kan voor een zeer beperkte kostprijs, slechts een fractie van de jaarlijks weerkerende onderhoudskosten van MaCH.

Deze bijkomende VAJA-functionaliteit zal bovendien het werk van de betrokken griffies sterk vergemakkelijken, aangezien onder meer de kennisgevingen artikel 792 Ger.W. dan volautomatisch kunnen verlopen en het afleveren van uitgiften een kwestie van seconden wordt.

Inmiddels dient er ook gezocht naar een goede en betrouwbare manier om de uitspraken in de databank automatisch te anonimiseren. Aangezien de rechterlijke orde jaarlijks meer dan 1.100.000 uitspraken doet, kan dit vanzelfsprekend niet manueel.

Onze informatici stellen voor om in drie stappen te werken. Vooreerst kunnen er veel identificatiegegevens automatisch geanonimiseerd worden aan de hand van de metadata in de applicaties, onder meer namen, data, adressen, enzovoort. Vervolgens zullen er algoritmes ontwikkeld moeten worden om verder automatisch te anonimiseren, waarmee men trouwens reeds geruime tijd proeven doet. Ten slotte zal er nog een klein deel van de uitspraken manueel gecontroleerd dienen te worden, bijvoorbeeld gevoelige zaken waarin minderjarigen of bekende personen betrokken zijn, en dergelijke meer.

Ook moet men grondig nadenken en snel beslissingen nemen over het beheer van de data, in welke mate die publiek gemaakt mogen worden en met welk doel ze gebruikt mogen worden.

Ik ben van mening dat het beheer van die data bij de rechterlijke orde stricto sensu moet blijven, en niet gezamenlijk met het Openbaar Ministerie en de balies, die immers partijen zijn, of vertegenwoordigen, in veel zaken.

Ten slotte dient er angstvallig over gewaakt te worden dat de ongeanonimiseerde data van Justitie niet “en stoemelings” kunnen verzameld worden door derden, zoals onder meer met Regsol, de collectieve schuldenregeling (CSR), en doorgeefluiken als DPA.

Aldus kan snel werk gemaakt worden van een databank van de integrale Belgische rechtspraak, die dan kosteloos publiek gemaakt kan worden.

Het concept van de “centrale componenten”, met onder meer e-Deposit en VAJA, is laaghangend fruit, dat al jaren smeekt om geplukt te worden. Hopelijk grijpt de nieuwe minister van Justitie de kans om daarmee de “Heilige Graal” van Justitie, met name het volledig elektronische rechtsplegingsdossier, snel te realiseren.

Ondanks kaars en bril, die hem voortdurend werden aangereikt, ontbrak bij de vorige daartoe de wil.

Bruno LUYTEN, Ere-eerste-voorzitter van het hof van beroep Antwerpen, Ere-advocaat bij de balie Brussel


Referenties

[1]Zie G. Vanderstichele, “Rechtspraak in een datagestuurde informatiemaatschappij”, NJW 2017, 618 e.v.

[2]Zie G. VANDERSTICHELE, “Artificiële intelligentie ter ondersteuning van menselijke rechtspraak”, NJW 2020, 610 e.v.

[3] Zie G. VANDERSTICHELE, “Rechtspraak in een datagestuurde informatiemaatschappij”, NJW2017, 622, nr.13.

[4] H. NAVES en S. SICKING & L. VAN DER WEES, “Meer én verantwoord publiceren van gerechtelijke uitspraken”, NJB 2021/3258, afl. 44; https://www.njb.nl/blogs/meer-%C3%A9n-verantwoord-publiceren-van-gerechtelijke-uitspraken/.

[5]Zie o.m. G. VANDERSTICHELE, “RegSol: onderscheid tussen publiek en privaatrecht vervaagt”, Juristenkrant 2017, nr. 349, 11.

[6] Adv. GBA 78/2018 van 5 september 2018.

[7]RvS Arrest nr. 246.387 d.d. 12 december 2019.

[8] https://m.standaard.be/cnt/dmf20211004_91862651.

[9] https://nos.nl/nieuwsuur/artikel/2241989-digitalisering-rechtspraak-uitgelopen-op-drama-minister-moet-ingrijpen.

[10] De Tijd 20 juni 2018.

[11] De Standaard 23 september 2020, https://m.standaard.be/cnt/dmf20200922_97708406?m_bt=73813083451&_section=60659785&adh_i=fc97004d3e175d35028aa02015ee9291&imai=&utm_campaign=ochtendupdate&utm_medium=newsletter&utm_source=standaard.

[12] https://news.belgium.be/nl/ict-toepassingen-mammoet-en-mach-bij-fod-justitie.

[13] http://www.explorer.uk.com/the-future-of-oracle-forms/.

[14]Verslag audit Deloitte 09/2014, 18.

[15]Verslag audit Deloitte 09/2014, 19.

KnopsPublishing

KnopsPublishing wil u als juridische professional zo goed mogelijk ondersteunen in uw dagelijkse beroepspraktijk. Met de juiste informatie, op papier én digitaal. Met interactieve opleidingen gericht op úw praktijk. Met eigentijdse antwoorden op uw communicatie- en marketingvragen. Zodat u zich volop kunt concentreren op uw corebusiness: uw cliënten een efficiënte en kwalitatieve dienstverlening bieden.

Ontdek het aanbod hier!

Bekijk alle artikelen

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.