LAMON op woensdag

Mr. Hugo Lamon is advocaat aan de balie van Limburg en Brussel NL.
Hij publiceert over o.m. ondernemingsrecht en deontologie.

Hij mengt zich al jaren in het maatschappelijk debat over justitie.

Op 3 februari start in de bevoegde Kamercommissie de bespreking van een wetsvoorstel van twee parlementsleden van de regeringspartij CD&V. Zij willen in de wet een algemene regel inschrijven waardoor tussen ondernemingen de betalingstermijn nooit meer dan zestig dagen mag bedragen en er bij overschrijding van die termijn automatisch (“van rechtswege en zonder ingebrekestelling”) intresten zullen moeten worden betaald. De indieners van het voorstel zijn van oordeel dat “door een duidelijke termijn in de wet op te nemen, ondernemingen geen druk meer kunnen zetten om contractueel een zeer lange betalingstermijn af te spreken”. Nog steeds volgens die indieners gebruiken nu ‘grote’ ondernemingen hun machtspositie om langere betalingstermijnen af te dwingen, wat zou moeten stoppen.

De indieners vinden het niet de moeite om even stil te staan bij de reeds bestaande wettelijke regeling van “misbruik van economische afhankelijkheid”. Bovendien slaat het voorstel niet enkel op de grote ondernemingen als boosdoeners, maar het zou gelden tussen alle ondernemingen en dus ook tussen twee kmo’s. Bijvoorbeeld dus ook voor de ondernemer die een factuur ontvangt van zijn advocaat. Indien de bepalingen uit dit voorstel in deze barre coronatijden al van toepassing waren, zou dat ook voor veel kleine ondernemingen problemen opleveren. De Kamercommissie doet er dus goed aan de gevolgen van dit voorstel grondig te bestuderen.

Overigens valt in de wandelgangen te vernemen dat er nieuw politiek overleg is over een ander wetgevend initiatief. Eind 2019 werd in de Kamercommissie een draak van een tekst goedgekeurd “teneinde misbruiken tegen te gaan” bij de minnelijke invordering van schulden. De bedoeling was blijkbaar om de ‘schuldindustrie’ aan te pakken omdat die misbruik zou maken van consumenten die niet tijdig betalen. De bedoeling was om een wettelijk recht op uitgestelde betaling te voorzien, met een nieuwe regeling inzake de termijnen die moeten worden gerespecteerd bij het verzenden van ingebrekestellingen en het beperken van het vorderen van schadebedingen. Die tekst werd in een periode dat er geen volwaardige regering was zonder veel discussie in de commissie goedgekeurd. Pas bij de behandeling in de plenaire zitting van de Kamer beseften sommige parlementsleden dat de redactie van de tekst beter kon en een ernstig debat over de inhoud toch wel wenselijk was. De Kamer vroeg een advies aan de Raad van State. Die stelt vast dat het wetsvoorstel beoogt om de verhoging van de schuldenlast van consumenten tegen te gaan waarbij de Raad van State zich dan luidop de vraag stelt of “de voorgestelde regeling niet veeleer is bestemd om een bepaald deelpubliek van consumenten van een bijzondere bescherming te voorzien, waarbij dan de vraag rijst of daartoe dan in een dermate algemene regeling moet worden voorzien die – in al haar aspecten – alle categorieën consumenten betreft en alle ondernemingen met zwaardere verplichtingen confronteert op het vlak van de invordering van facturen.” Het advies werd gelezen, maar blijkbaar niet door alle Kamerleden op dezelfde wijze begrepen. De tekst onderging een nieuwe aanpassing en de wijzigingen werden andermaal voorgelegd aan de Raad van State, waarin “een ernstig voorbehoud” wordt gemaakt, omdat de voorgestelde tekst niet in overeenstemming is met wat de wetgever wil bereiken en ook strijdig zou zijn met het gelijkheidsbeginsel. Vrij vertaald: nog steeds een slechte tekst. Toch blijven een aantal parlementsleden vasthouden aan hun dogmatische stellingen.

De tekst wil nog altijd in de wet van 2 december 2002 over de “minnelijke invordering van schulden” een nieuw hoofdstuk “betaling van schulden” opnemen en die van toepassing maken “niettegenstaande elke andersluidende bepaling, op de betaling van contractuele schulden van een consument aan een onderneming, na het toesturen van een document waarbij de betaling tegen een bepaalde datum wordt gevraagd”. De consument moet dan twintig kalenderdagen de tijd krijgen om te betalen, waarna er een verplichte (kosteloze) schriftelijke ingebrekestelling moet komen met een nieuwe betalingstermijn van minstens tien dagen. Pas daarna mag er worden ingevorderd. Het gaat daarbij niet enkel om de betaling van facturen, maar ook van “documenten” waarbij betaling wordt gevraagd en dus bijvoorbeeld ook voor provisienota’s van advocaten, wat er dus toe zal leiden dat na het provisieverzoeken meteen de ENAC zal moeten worden ingeroepen? Je zou denken: wie verzint zoiets? Hun namen staan in de parlementaire werken.

Een sluwe consument zal dus aan de ondernemer altijd een facturen of “een document” vragen dat een betalingsverzoek bevat, zodat hij daardoor zichzelf een betalingstermijn van één maand geeft. Het worden nog barre tijden voor kleine zelfstandigen die deze sluwe consumenten op hun pad ontmoeten.

Hugo LAMON

***

Meer blogposts lezen van Hugo Lamon? Dat kan hier!

Hugo Lamon

Mr. Hugo Lamon is advocaat aan de balie van Limburg en Brussel NL. Hij publiceert over o.m. ondernemingsrecht en deontologie. Hij mengt zich al jaren in het maatschappelijk debat over justitie.

Bekijk alle artikelen

1 reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

  • Geachte,

    .Zou dit tot gevolg hebben dat de advocaten hun clienten beter gaan behandelen ?
    Velen advocaten nodigen je zelfs niet eens uit op je eigen zitting !
    Zelfs promoten ze de kansloze zaken voor de rechter te brengen.