Het jongste nummer van de Juristenkrant kopte op de voorpagina: “Advocate die meehelpt in restaurant echtgenoot van het tableau geschrapt”. Dat werd opgepikt door een aantal kranten, waarna het zich op sociale media als een lopend vuurtje verspreidde.
Een advocate die enkel in het weekend en onbezoldigd als gastvrouw meehelpt in het restaurant van haar echtgenoot is door de raad van de orde van de balie Limburg weggelaten van het tableau. Het is een beslissing “zoals in tucht”. Volgens de raad van de orde voldoet de advocate niet meer aan de wettelijke voorwaarden. Artikel 437, 3° Ger.W. stelt immers dat het beroep van advocaat onverenigbaar is “met het drijven van handel en nijverheid”.
Reeds op 14 januari werd die weglating bevestigd door de tuchtraad van beroep in een zeer uitgebreid gemotiveerde beslissing die 47 pagina’s telt. Er kan nog altijd een voorziening in cassatie tegen de beslissing worden ingesteld (zodat de weglating nog niet uitvoerbaar is), wat allicht verklaart waarom de tekst nog niet is gepubliceerd. De aandacht die de beslissing kreeg in de Juristenkrant maakt wel dat het debat binnen (maar ook buiten) de balie daarmee werd aangewakkerd.
Vooreerst dit: de tuchtraad van beroep heeft duidelijk een principiële uitspraak willen doen. Er wordt gedetailleerd ingegaan op de feiten, maar er is ook een uitgebreide juridische analyse. Kort samengevat stelt de beslissing dat artikel 437, lid 1, 3° Ger.W. van openbare orde is en de beperking aan de vrijheid van ondernemen strikt moet worden geïnterpreteerd, hetgeen – nog steeds volgens de tuchtraad van beroep – niet strijdig is met artikel 49 VWEU, artikel 25 EU-richtlijn 2006/123/EG en de artikelen II.3 en II.4 WER (en stelt daarom geen prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie). De tuchtraad van beroep vindt verder dat die interpretatie niet strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet (en stelt dus geen prejudiciële vraag van het Grondwettelijk Hof). De weglating (en dus de facto schrapping) stelt volgens de tuchtraad in beroep ook geen problemen inzake evenredigheid.
Dat zal enige tijd vragen, maar dat belet niet dat er nu al het debat wordt gevoerd over de wenselijkheid van de gevolgen van de beslissing
De beslissing zal ongetwijfeld aanleiding geven tot diverse al even diepgaande juridische analyses. Dat zal enige tijd vragen, maar dat belet niet dat er nu al het debat wordt gevoerd over de wenselijkheid van de gevolgen van de beslissing. Wanneer een deontologische regel tot een ongewenst effect leidt, moet er dan niet worden nagedacht over de vraag of deze niet aan vervanging toe is? Dat is dus het debat over de opportuniteit van de huidige situatie. Ik geef hiertoe graag een aanzet in vijf stappen.
1.
Het bestaand deontologisch kader is al langer voorwerp van discussie. Toen Koen Geens minister van Justitie was bestelde hij rapporten bij experts met de vraag om voorstellen te doen over de modernisering van het beroep van notaris, gerechtsdeurwaarder en advocaat. Voor de eerste twee beroepsgroepen leidde dit achteraf tot wetgevend ingrijpen. Mr. Patrick Henry en mr. Patrick Hofströssler overhandigden op 25 februari 2017 een lijvig rapport met aanbevelingen voor de modernisering van de advocatuur. Daarin werd o.m. voorgesteld om de tekst van artikel 437 Ger.W. te wijzigen en meer bevoegdheid te geven aan de advocatenordes.[1] Ze wilden meer bevoegdheid toekennen aan de advocatenordes, maar waren er zelf geen voorstander van een cumul van advocatuur met “niet juridische beroepen”.
De wetgever heeft niets met deze voorstellen gedaan. De opeenvolgende ministers van Justitie Geens, Van Quickenborne en Van Tigchelt hebben wel herhaaldelijk overleg gehad met de advocatenordes, maar noch minister Koen Geens noch zijn opvolger Vincent Van Quickenborne hebben in het parlement hierover een wetsontwerp ingediend met het oog op het wijzigen van de bepalingen in het Gerechtelijk Wetboek om op die manier het advocatenberoep te moderniseren. De volgende minister van Justitie, Paul Van Tigchelt, legde vlak voor het einde van de legislatuur een wetsontwerp neer dat nooit werd besproken (en waar overigens de problematiek van de onverenigbaarheid “met handel en nijverheid” niet aan bod komt)[2]. Voor de huidige minister van Justitie Annelies Verlinden lijkt de modernisering van de advocatuur geen beleidsprioriteit.[3]
2.
De Orde van Vlaamse Balies heeft niet gewacht op de trage wetgever. Op de algemene vergadering van de OVB van 19 december 2018 werd de aanpassing van de OVB-codex deontologie goedgekeurd, waarbij de deontologische regels inzake de onverenigbaarheden werden gewijzigd. Huidig OVB-bestuurder Jan Meerts schreef eerder reeds dat dit onder meer gebeurde als reactie op de wet van 15 april 2018 “houdende de hervorming van het ondernemingsrecht” waarbij o.m. de begrippen “handelaar” en “koopman” sneuvelen (en overigens ook het Wetboek van Koophandel) en werden vervangen door een alomvattend begrip “ondernemer”. Er werd in de nieuwe deontologische regeling ook rekening gehouden met “de verwachting dat artikel 437 Ger. W. minstens op dat punt spoedig zou worden aangepast”.[4] Oud Stafhouder Patrick Dillen herinnerde er recent aan dat het perimeterreglement unaniem werd aangenomen door de algemene vergadering van de OVB waarbij “artikel 437,lid 1, 3° zo niet expliciet zou worden afgeschaft, dan toch minstens haar draagwijdte had verloren”.[5] Naast het streven naar een modernere advocatuur, is het reglement ook ingegeven door de bekommernis om een zekere uniformiteit in de beslissingen van de lokale raden van de orde te realiseren.[6]
Het deontologisch reglement over de onverenigbaarheden (terug te vinden in de artikelen 11 e.v. OVB-codex) wordt ook aangeduid als het “reglement perimeter”. Voor toenmalige OVB-bestuurder Alex Tallon vertegenwoordigt dit reglement over de onverenigbaarheden “een paradigmashift in de wijze waarop deze worden behandeld.”[7] OVB-bestuurder Jan Meerts was genuanceerder, maar stelde ook: “Alleszins werd nu duidelijkheid gecreëerd en werd afstand genomen van de willekeur die vroeger niet uitgesloten was. Ook vroeger was een advocaat soms een ontwikkelaar van software en computerprogramma’s, een gevierd auteur of dichter, dan wel pianist of zangeres, die tegen betaling optredens gaven, boeken of muziek uitgaven, meedraaiden in een kunstgalerij of het restaurant van hun partner, scheidsrechter waren in gevierde sporten dan wel commentator, zonder dat dit alles in kaart werd gebracht bij de Orde van advocaten. Vandaag moet de andere activiteit worden gemeld, wordt deze geregistreerd en komt het finaal toe aan iedere raad van de orde om de onverenigbaarheid al dan niet vast te stellen”.[8]
In toepassing van artikel 11bis van de OVB-codex deontologie is een andere activiteit dan deze van advocaat verenigbaar met het beroep van advocaat voor zover de onafhankelijkheid en het beroepsgeheim in de uitoefening van het beroep van advocaat niet worden geschonden
In toepassing van artikel 11bis van de OVB-codex deontologie is een andere activiteit dan deze van advocaat verenigbaar met het beroep van advocaat voor zover de onafhankelijkheid en het beroepsgeheim in de uitoefening van het beroep van advocaat niet worden geschonden. De advocaat moet zijn stafhouder minstens één maand voor aanvang verwittigen en toelichten hoe hij voor die andere activiteiten de deontologische beginselen van “waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid” zal aanhouden, terwijl ook het publieke vertrouwen in de advocatuur niet in het gedrang mag worden gebracht.
3.
Negen maanden na de inwerkingtreding van het perimeterreglement van de OVB volgde een eerste evaluatie. Van de toen 125 gerapporteerde nevenactiviteiten werden er slechts vier onverenigbaar verklaard.[9] Zo werd verenigbaar geacht met het beroep van advocaat het beroep van zelfstandige tuinaannemer, het beroep van begeleider van studenten in de rechten en het geven van workshops, het beroep van sportmakelaar,…[10]
Er zijn ook nu nog maar weinig activiteiten onverenigbaar verklaard, zoals werken als loontrekkende in Duitsland in een verzekeringsmaatschappij of een stage als vastgoedmakelaar.
De raad van de orde van Brussel oordeelde in de begindagen van het reglement dat de activiteit van zaalmedewerker in een horecazaak onverenigbaar was, maar hulp bieden in een horecazaak wordt meestal zonder problemen als verenigbaar beschouwd met het beroep van advocaat. Zo is een “helpende hand in een horeca-etablissement” of een “betalende flexi in een sporthal in het weekend” of het “allround ondersteunen van een culinaire online shop” verenigbaar beschouwd.
In de Juristenkrant verwijst raadsheer Jelle Flo met gevoel voor humor naar een ver verleden: “Als televisieprogramma’s en bestsellers een graadmeter zijn, dan is ondernemen in de mode en was koken dat al langer (…) Onze eerste televisiekok was John Bultinck, die van 1968 tot 1973 op de toenmalige BRT het programma ‘Kijk en Kook’ presenteerde. In diezelfde periode verloor hij als advocaat, want dat was hij ook, het beroemde proces Masscheroen voor Hugo Claus”[11]. Advocaten en koken: het is al langer een punt.
In de beslissing van de tuchtraad van beroep wordt bij de beoordeling van de advocate die haar echtgenoot in het weekend helpt geoordeeld dat in haar situatie er een probleem is omdat ze door het uitoefenen van die activiteit haar onafhankelijkheid verliest, gelet “op de strijdige belangen bij het drijven van handel, die wel degelijk bestaan, met deze vereist door de na te streven onafhankelijkheid als advocaat, en die veel verder gaan dan die ontstaan door het louter ontmoeten en serveren met borden, servetten, glazen, bestek, eten, drank, water en wijn van en aan cliënteel, en het weer afdienen van deze borden, servetten, glazen, bestek en lege flessen.”[12]
4.
De perimeterregeling zorgde in de literatuur voor polemieken. Gewezen Brussels stafhouder Dirk Lindemans bracht een cassatiearrest van 26 maart 2021 in herinnering dat stelt dat artikel 437 eerste lid 3° Ger.W. nog niet opgeheven en van openbare orde is en vond dat de algemene vergadering van de OVB terug aan zet was “om de openbare orde te herstellen”.[13] In een reactie voerde gewezen Brussels stafhouder, gewezen OVB-bestuurder en toekomstig CCBE-voorzitter (en dus niet de eerste de beste) Alex Tallon “opportunistische” en “principiële en legalistische” argumenten aan. Eerst de zogenaamde opportunistische: “Zich verzetten tegen nevenactiviteiten die ook als ‘mercantiel’ kunnen worden beschouwd is daarbij een nutteloze strijd, omdat men niet goed inziet wat het zou opleveren om de advocaat niet toe te laten een andere activiteit te ontwikkelen louter om het feit dat ze ‘mercantiel’ zou zijn. Het is een contraproductieve strijd, omdat de wens van de advocatuur die zich opsluit in enkel haar kerntaken de toekomst van de beroepsgroep ondermijnt en meer en meer juristen zal doen afzien van een toetreding aan de balie”.[14] Hij heeft ook ”legalistische” argumenten en verwijst daarvoor naar de wet van 15 april 2018 waarbij het Wetboek van Economisch Recht werd ingevoerd dat de begrippen “handelaar, koopman of afgeleide begrippen” afschaft, maar toch in artikel 254 laat verder bestaan als ze te maken hebben met onverenigbaarheden met de uitoefening van een vrij beroep. Hij stelt vast dat artikel 254 van die wet een overgangsbepaling is die eindigt wanneer de overgang volbracht is en dat de beroepsgroep kan bepalen tot wanneer deze overgangsbepaling geldt.
Persoonlijk vind ik het debat een beetje steriel
Persoonlijk vind ik het debat een beetje steriel. Het halsstarrig handhaven van een elders afgeschaft begrip “handel en nijverheid” zorgt noodzakelijkerwijze voor verstarring. Het Hof van Cassatie heeft de theorie van de anticipatieve werking van het nieuwe burgerlijk wetboek gehanteerd toen die nog niet gestemd was door het parlement, terwijl een starre interpretatie van artikel 254 van de wet van 15 april 2018 de vrije beroepen veroordeeld tot het teruggaan in de rechtsgeschiedenis.
Recent boog ook gewezen stafhouder Patrick A. Dillen zich over het perimeterreglement. Hij herinnert eraan dat het verbod om het beroep van advocaat uit te oefenen samen met dat van advocaat haar oorsprong vindt in het Keizerlijk decreet van 14 december 1810 (!). Bij de invoering van het Gerechtelijk Wetboek werd het drijven van handel en nijverheid verboden omdat de waardigheid van het beroep zou kunnen worden aangetast, gezien de risico’s verbonden aan het koopmanschap, nl. dat de advocaat in staat van faillissement zou kunnen worden verklaard. Tevens was het verbod gestoeld op het uitsluiten van ieder winstbejag.
Die motieven lijken nu alvast niet meer pertinent. Advocaten kunnen als onderneming ook failliet worden verklaard en sinds het arrest Wouters van het Hof van Justitie (meer dan twintig jaar oud ondertussen) staat het vast dat een advocaat diensten levert op de markt van de juridische dienstverlening en dat is een activiteit waarmee hij inkomen wil verwerven.
Patrick A. Dillen onderzoekt de cassatierechtspraak en betrekt ook de wet van 27 oktober 2020 inzake de evenredigheidsbeoordeling in zijn analyse en hij komt tot de conclusie dat de tekst van artikel 437,eerste lid,3° Ger.W. de “evenredigheidstoets, zoals opgelegd door de constante rechtspraak van het Europees hof van Justitie, niet kan doorstaan. Zij dient daarom geen beletsel te vormen om daden van handel en nijverheid toe te laten, indien deze uiteraard sporen met de basisbeginselen van de advocatuur. De artikelen 11bis tot en met 11quinquies van de Codex kunnen aldus evenzeer worden toegepast op wat voorheen “het drijven van handel en nijverheid” werd genoemd. De tweede alinea van artikel 254 van de wet van 15 april 2018 houdende hervorming van het ondernemingsrecht is, minstens wat de advocatuur betreft, overbodig.”[15]
Uit wat voorafgaat blijkt dat de discussie over de onverenigbaarheid van het beroep van advocaat met het stellen van de verouderde “daden van handel en nijverheid” vele principiële discussies opwerpt, zodat het kan verbazen dat de tuchtraad van beroep de door de raadslieden van de betrokken advocate voorgestelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie en het Grondwettelijk Hof heeft afgewezen. Een orgaan dat het sluitstuk is van zelfregulering moet toch geen angst hebben om de hoogste rechtscolleges met die principiële vragen te confronteren.
Intussen verliest de advocatuur alvast de perceptiestrijd. Zo berichtte Het Belang van Limburg uitvoerig over de zaak (dat is niet zonder belang, nu de betrokken advocate in Limburg kantoor houdt). De krant[16] stelt: “Aangezien de advocaten in het restaurant in de zaal staat, kan er belangenvermenging met klanten ontstaan, luidt het argument. Dit kunnen cliënten zijn, tegenstanders of zelfs rechters. Ze kan als het ware de rechter bedienen terwijl haar tegenpartij in de zaak zit”. Interessanter wordt het wanneer de krant de huidige bestuurder deontologie van de OVB aan het woord laat. Ik citeer hem nu letterlijk: “Stel dat de advocate gespecialiseerd is in familierecht en echtscheidingen. In de voormiddag staat ze tegenover de ex van haar cliënte in de rechtbank. ’s Avonds kan ze deze dan tegenkomen in haar restaurant. ‘Hier krijgt u zalm op een bedje van…’ Die man zal snel zeggen: ‘Mens, houd uwe zalm’. Bij een nevenactiviteit mag de persoon het vertrouwen dat de burger in de advocaat stelt niet schenden. Dat is hier wel mogelijk.
(…) En ja de grens is dun. Als de advocate in kwestie kok was geweest in het restaurant en niet in contact kwam met de gasten, zou dit een heel ander verhaal kunnen zijn”. Voor de goede orde: Ik citeer hier letterlijk wat de krant tussen aanhalingstekens citeert.
5.
De vraag is nu hoe het verder moet. De algemene vergadering van de Orde van Vlaamse Balies heeft met het perimeterreglement de deur willen openzetten naar een modernere advocatuur. Het reglement werd ook in die geest jarenlang zo door de stafhouders toegepast. Sommigen hebben juridische bezwaren geformuleerd, maar blijkbaar had niemand de moed om het debat in de schoot van de Orde van Vlaamse Balies opnieuw te openen.
Een lokale raad heeft nu de knuppel in het hoenderhok gegooid en de tuchtraad van beroep maakte van de gelegenheid gebruik om een bijzonder principiële beslissing te nemen. Daar is in de eerste instantie de jonge advocate het slachtoffer van, die vol goede bedoelingen haar echtgenoot in het weekend wilde helpen met zijn nieuwe horecadroom (overigens reeds door Gault Millau van een score van 13,5 voorzien). Ook de beroepsgroep zelf komt daar niet goed uit, want de buitenwereld onthoudt dat de regelgeving wankel en onduidelijk is en de advocatuur vooral een stoffige beroepsgroep wil zijn.
Het ergste wat er nu kan gebeuren, is dat iedereen weer overgaat tot de orde van de dag. Over enkele maanden worden alle beleidsorganen van de balie vernieuwd. Hopelijk gaat de verkiezingsstrijd dan ook over dit punt, dat cruciaal is voor het imago van het beroep. Welke advocatuur willen we? Zijn we bereid om als advocatuur ons beroep te definiëren en af te bakenen met hedendaagse begrippen en zijn wij als beroepsgroep bereid om dan ook bij de wetgever aan te dringen om het wetgevend kader aan te passen zodat het beroep verder op moderne wijze kan evolueren? Er zullen altijd onverenigbaarheden zijn, maar laten we daar instrumenten voor hanteren die inpasbaar zijn in het wetgevend landschap dat sterk beïnvloed wordt door het Europees recht. De advocatuur moet die pleinvrees overwinnen, zoals andere vrije beroepen dat al eerder hebben gedaan.
Tijdens de nieuwjaarsreceptie deed de voorzitter van de Orde van Vlaamse Balies een oproep tot vuur voor het beroep. Hij bedoelde zeker niet dat de balie met vuur moet spelen als het over de toekomst gaat en nog minder dat alle vernieuwing in de fik moet worden gestoken. Laten we daar dus debat over blijven voeren en zorgen voor helderheid in de regelgeving.
Hugo LAMON
Advocaat bij wie het vuur nog niet geblust is.
Voetnoten
[1] P. HENRY en P. HOFSTROSSLER, De toekomst van de advocatenberoep – L’avenir de la profession d’avocat: Rapport aan de minister van justitie – Rapport au Ministre de la justice, Brussel, 2017, 654 p. Zie voorstel 3, p. 211 in het rapport tot wijziging van Art. 437 § 3. Ger.W. “Het beroep van advocaat is slechts verenigbaar met andere zelfstandige activiteiten of bezoldigde samenwerkingsvormen, publiek of privé, voor zover ze de onafhankelijkheid van de advocaat en de fundamentele waarden van het beroep niet in gevaar brengen, binnen de grenzen vastgelegd door de Ordre des Avocats en de Orde van advocaten, in overeenstemming met artikel 495”.
[2] Wetsontwerp houdende modernisering van het beroep van advocaat, Parl.St. Kamer 2023-2024, DOC nr. 55-3880/3-4.
[3] Zie de beleidsnota van de minister van justitie van 21 januari 2026, Parl. St. Kamer, 2024-2025, DOC 56-1282/017, met op pagina 21 het volgende magere zinnetje: “ Voor het beroep van advocaten worden dit jaar en 2026, in nauw overleg met de Ordes van Advocaten, in eerste instantie de werkzaamheden met betrekking tot de modernisering van de tuchtprocedure verdergezet met het oog op een wetgevend initiatief.”
[4]J. MEERTS, De advocaat?! Een oud beroep in een modern landschap, Antwerpen, Intersentia, 2021, 9, nr. 13; J. MEERTS , “Grenzen aan de perimeter van het beroep van advocaat?”, Today’s Lawyer, 2021/3, 2.
[5]P. DILLEN, “De ene advocaat wil ook nog kabinetschef worden, de andere frituuruitbater”, in V. DESCHEPPER en T. VERMEIR (ed.) , Liber amicorum Luc Vanheeswijck – belast met deontologie, Leuven, Lea uitgevers, 2025, 25 die in voetnoot 10 verwijst naar een nota van de stafhouder van Brussel, gecommuniceerd op 28 oktober 2022.
[6] I. VANDEVELDE, “De advocaat en zijn andere activiteiten: wat doet hij allemaal?” Today’s Lawyer 5-6/2019, 18.
[7] A. TALLON, “Advocaat en nevenactiviteiten”, Today’s Lawyer, 2012/3, 14.
[8] J. MEERTS, De advocaat?! Een oud beroep in een modern landschap, Antwerpen, Intersentia, 2021, 10.
[9] I. VANDEVELDE
[10] Zie H. BUYSSENS, “Co-existentie van advocatendeontologie en gemeen recht: enkele aspecten”, RW 2021-22/26, 1018.
[11] J. FLO, “Advocate die meehelpt in restaurant echtgenoot van het tableau geschrapt”, Juristenkrant 28 januari 2026 (nr. 522), 1.
[12] Tuchtraad van beroep voor advocaten, TB-0351-2025, 14 januari 2025, p. 44.
[13] D. LINDEMANS, “Kan de advocaat nu ‘handel en nijverheid drijven’ ? – Een reactie op J. Meerts ‘grenzen aan de perimeter van het beroep van advocaat’’, Today’s Lawyer 1-2022, 9.
[14] A. TALLON, “Advocaat en nevenactiviteit”, Today’s Lawyer 3-2022, 14.
[15] P. DILLEN, “De ene advocaat wil ook nog kabinetschef worden, de andere frituuruitbater”, in V. DESCHEPPER en T. VERMEIR (ed.) , Liber amicorum Luc Vanheeswijck – belast met deontologie, Leuven, Lea uitgevers, 2025, 31.
[16] G HOUBEN, “Limburgse mag geen advocate meer zijn omdat ze opdient in restaurant van haar man”, Het Belang van Limburg, 29 januari 2026.




0 reacties