Jubel Talks II WVV-2

Johan Verstraete

Avatar

1966 Doctor juris en lic. Notariaat K.U. Leuven
1966 Vorsersmandaat N.F.W.O. (1966-1969) Prom : Prof. Roger Dillemans
1969 Notarieel medewerker op het kantoor van vader (1969-1980)
1980 Notaris sinds 1980, sinds 14.11.2003 geassocieerd met mijn dochter Annelies
1990 Lid van het Comité voor Studie- en Wetgeving van de Koninklijke Federatie van Belgische Notarissen sinds 1990
1993 Hoofddocent KULeuven (vak: Notariële akten en notariële praktijk ivm familie- en familiaal vermogensrecht)
2002 Hoogleraar KULeuven
2002-2008 Voorzitter van de Nederlandstalige Kamer van het Comité voor Studie- en Wetgeving van de KFBN.
2002-2008 Lid van het Juridisch Bureau van de KFBN.
2007 em. Hoogleraar KULeuven
2009 sinds 31 dec. 2009 erenotaris
2010 lid Wetenschappelijk Comité Ventôsestichting van de KFBN

 

Verdeling – Regeling van de schulden van de erfgenaam aan de erflater [1]

Wij gaan in deze rubriek gemakshalve uit van de meest voorkomende hypothese, namelijk dat ouders een lening toestonden aan een van hun kinderen en dat bij hun overlijden (een deel van) de lening niet is terugbetaald. De hierna uiteengezette regeling is nochtans ruimer, vermits zij van toepassing is op elke nog openstaande schuld van een erfgenaam aan de erflater (afrekening door de erfgenaam-lasthebber, nog verschuldigde huur enz.).

Een verjaarde schuld staat in beginsel gelijk met een betaalde schuld. Vaak wordt de lening toegestaan voor een bepaalde termijn maar wordt de terugbetaling niet opgeëist. Na verloop van de verjaringstermijn (10 jaar na datum van de opeisbaarheid) is de schuld uitgedoofd en dus niet meer te verrekenen in de erfenis.[2] Het is mogelijk dat de erflater de leningsschuld bewust heeft laten verjaren met de bedoeling de erfgenaam te begunstigen. In dit geval is er sprake van een (in principe in te brengen) onrechtstreekse schenking. Een schenking moet wel steeds bewezen worden.[3]

De wettelijke regeling

1. De leningsschuld wordt ingebracht in de nalatenschap van de erflater. Hierdoor wordt de schuld, tot beloop van het erfdeel van de erfgenaam-lener, opeisbaar bij het overlijden van de uitlener, ook al werd een termijn bedongen en is de termijn nog niet verstreken. Ingebrekestelling is overbodig. De schuld wordt via het procédé van de inbreng verrekend met het erfdeel van de schuldenaar.

2. Door de verrekening van de schuld met het erfdeel waarop de erfgenaam-schuldenaar recht heeft, komt de schuld automatisch in de kavel van de erfgenaam-schuldenaar. Dit voorkomt dat een eventueel dubieuze vordering in de kavel wordt gelegd van een mede-erfgenaam. Dit zou immers in strijd zijn met de beoogde gelijkheid onder de erfgenamen. De erfgenaam-schuldenaar is dus steeds solvent tot beloop van zijn erfdeel.

3. Is de schuld groter dan het erfdeel, dan geldt voor dit surplus het gewone verbintenissenrecht. Het saldo van de schuld is dan slechts opeisbaar bij de eindtermijn van de toegestane lening. De mede-erfgenamen zullen voor de betaling van dit saldo desnoods  wel in gebreke moeten stellen.

4. Het vervroegd opeisbaar worden van de lening ingevolge de inbrengverplichting is een noodzakelijk, voorzienbaar en wettelijk gevolg van de inbrengregeling. Het geeft daarom geen aanleiding tot verdiscontering van het verlies van het voordeel van de termijn. Wat meer is: men zou zelfs niet kunnen overeenkomen dat de schuld niet zal moeten verrekend worden naar aanleiding van de verdeling van de nalatenschap vermits dit een verboden overeenkomst over een toekomstige nalatenschap zou uitmaken. Om dezelfde reden kan men niet bedingen dat de inbreng maar zal moeten gebeuren na ingebrekestelling door de mede-erfgenamen.

5. Alleen aanvaardende erfgenamen zijn tot inbreng van schulden verplicht. Een erfgenaam die de nalatenschap verwerpt, is geen erfgenaam en kan dus ook niet verrekenen met zijn erfdeel. De eventueel nog openstaande schuld zal moeten terugbetaald worden overeenkomstig de regels van het verbintenissenrecht.

6. De verplichting tot inbreng van de schuld in de nalatenschap rust niet alleen op de wettelijke erfgenaam, maar ook op de contractueel erfgestelde, de algemene legataris of de legataris ten algemenen titel.

7. De erfgenaam-schuldenaar moet slechts inbrengen in de mate dat hij (aanvaardend) erfgenaam is. Dit is logisch, maar de toepassing van deze regel is niet altijd even evident:

  • Werd bijvoorbeeld een lening aangegaan door een kind bij zijn beide ouders (die hem elk de helft leenden), dan zal bij het overlijden van de vader de inbreng enkel (voor de helft) moeten gebeuren in de nalatenschap van de vader. De overige helft, of wat daarvan nog rest, wordt pas ingebracht bij het overlijden van de moeder.
  • Werd de lening toegestaan door ouders, gehuwd onder het stelsel van gemeenschap en verblijft de vordering of het gehele gemeenschappelijke vermogen ingevolge huwelijkscontract aan de langstlevende van hen, dan zal het saldo van de leningsschuld pas opeisbaar zijn bij het overlijden van de langstlevende ouder. De vordering (tot terugbetaling van de lening) behoort dan immers niet tot de nalatenschap van de eerststervende ouder, maar komt ingevolge het huwelijkscontract toe aan de langstlevende.
  • Een lening, aangegaan door de zoon en de schoondochter, komt enkel in aanmerking voor inbreng voor het deel dat geleend werd door de zoon. De schoondochter blijft vreemd aan de erfenis van haar schoonouders. Vermits zij geen erfgename is, heeft zij ook geen erfdeel waarmee zij kan verrekenen.
  • Werd de lening enkel aangegaan door de zoon en werd deze leningsschuld via huwelijkscontract gemeenschappelijk gemaakt, dan heeft dit geen invloed op de inbrengverplichting door de zoon. Hij zal de volledige schuld moeten inbrengen in de nalatenschap van zijn ouders. In dit opzicht is het huwelijkscontract voor zijn mede-erfgenamen een “res inter alios acta”.
  • Heeft de erflater zich borg gesteld voor een schuld van zijn erfgenaam, dan wordt aangenomen dat de overige erfgenamen het recht hebben te eisen dat de erfgenaam-schuldenaar ofwel décharge bekomt van de borgstelling, dan wel dat de gewaarborgde schuld wordt aangerekend op zijn erfdeel.[4]
  • Niet zelden investeren ouders nog gelden in de familiale onderneming die door een van de kinderen werd overgenomen. Wanneer later deze vennootschap failliet gaat, bestaat er voor het kind geen enkele wettelijke plicht tot verrekening van deze verloren gegane investering van de ouders. De familiale vennootschap is immers een derde.[5]
  • De ouders/uitleners die gelden hebben geleend aan hun zoon en schoondochter en nadien de schuld zonder meer kwijtschelden, doen niet enkel een schenking aan hun zoon, maar ook aan hun schoondochter.

8. De erfgenaam-schuldenaar is geen schuldenaar, maar (mede-)eigenaar van de nalatenschap, reden waarom de regels van de compensatie (art. 1289 e.v. BW) niet van toepassing zijn.[6]

9. Algemeen wordt aanvaard dat de regel van de verrekening van de schulden met het erfdeel niet enkel geldt voor schulden die ontstaan zijn vóór het openvallen van de nalatenschap, maar eveneens toepasselijk is op schulden die nadien zijn ontstaan voor zover zij betrekking hebben op de onverdeeldheid (woonstvergoeding, vergoeding verschuldigd door een deelgenoot wegens beschadiging van een goed dat behoort tot de nalatenschap enz.).

10. Bovendien geldt de verplichting tot verrekening niet alleen bij verdelingen van nalatenschappen maar, mutatis mutandis, ook bij om het even welke andere verdeling (zoals de verdeling van een ontbonden gemeenschappelijk vermogen, onverdeeldheid van gemeen recht, vennootschapsvermogen).

Johan Verstraete
Erenotaris
Em. hoogleraar KU Leuven


[1] Zie hierover meer uitgebreid: o.m. H. DE PAGE, Traité, T. IX, Les Successions nrs. 1300-1327; – M. PUELINCKX-COENE, Erfrecht, Kluwer, Mechelen (2011) blz. 795-810 nrs. 769-780; –  Ch. SLUYTS, “Inbreng en inkorting. De problematiek van de waardeschommelingen” in W. PINTENS en B. VAN DER MEERSCHE (eds.), Vereffening-verdeling van de nalatenschap, Maklu Uitgevers, Antwerpen (1993), blz. 17-76; – A. VASTERSAVENDTS, “Inbreng van schulden” in Liber Amicorum ROGER DILLEMANS, Deel I, Familierecht en familiaal vermogensrecht, E. Story-Scientia, Kluwer Rechtswetenschappen (1997), blz. 417-428; – J. VERSTRAETE,  “Lenen aan toekomstige erfgenamen” in Liber Amicorum JACQUES HERBOTS, Kluwer (2002), blz. 537-551 en “Inbreng van schulden” in A. VERBEKE, F. BUYSSENS en H. DERYCKE (eds.), Handboek Estate Planning, Larcier (2009), Algemeen deel 2, Schenking, Topic 51, blz. 287-302.

[2] Wil men dit onbedoeld verlies van vordering voorkomen, dan kan men overwegen om een stilzwijgend hernieuwbare termijn voor de opeisbaarheid overeen te komen. Zo zou men bijvoorbeeld kunnen bedingen dat de lening na vijf jaar moet worden terugbetaald, maar dat, indien de uitlener zijn wil om terugbetaling niet minstens drie maanden voor het einde van de lopende vijfjarige periode bij aangetekende brief heeft ter kennis gebracht van de lener, telkens een nieuwe vijfjarige termijn begint te lopen.

[3] Gebeurde de kwijtschelding van schuld om een faillissement te voorkomen en aldus de familie-eer te redden, dan neemt men aan dat er geen sprake is van een schenking (zie M. PUELNCKX-COENE, Erfrecht, p. 808 nr. 780 en voetnoot 255).

[4] A. SCHICKS en A. VANISTERBEEK,  Traité Formulaire, IV, p. 216 nr. 670; – R.P.D.B., Tw. “Successions”, nrs. 2282-2283.

[5] Een andere hypothese is deze: een gefailleerde erfgenaam die een lening aanging bij de erflater. Tijdens het leven van de erflater wordt deze gefailleerde verschoonbaar verklaard. Vermits de erflater zelf geen betaling meer kon eisen, moet men aannemen dat de schuld ook niet meer moet worden ingebracht. Dit is wellicht niet zo indien de erfgenaam na het overlijden van de erflater werd verschoonbaar verklaard (zie hierover:  M. PUELINCKX-COENE, Erfrecht, nr. 780, p. 809).

[6] M. PUELINCKX-COENE, Erfrecht, nr. 77, p. 799).

Avatar

Johan Verstraete

1966 Doctor juris en lic. Notariaat K.U. Leuven
1966 Vorsersmandaat N.F.W.O. (1966-1969) Prom : Prof. Roger Dillemans
1969 Notarieel medewerker op het kantoor van vader (1969-1980)
1980 Notaris sinds 1980, sinds 14.11.2003 geassocieerd met mijn dochter Annelies
1990 Lid van het Comité voor Studie- en Wetgeving van de Koninklijke Federatie van Belgische Notarissen sinds 1990
1993 Hoofddocent KULeuven (vak: Notariële akten en notariële praktijk ivm familie- en familiaal vermogensrecht)
2002 Hoogleraar KULeuven
2002-2008 Voorzitter van de Nederlandstalige Kamer van het Comité voor Studie- en Wetgeving van de KFBN.
2002-2008 Lid van het Juridisch Bureau van de KFBN.
2007 em. Hoogleraar KULeuven
2009 sinds 31 dec. 2009 erenotaris
2010 lid Wetenschappelijk Comité Ventôsestichting van de KFBN

Bekijk alle artikelen

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.