Jubel

Dit is de Jubel-postbus. Op deze pagina verschijnen artikels geschreven door specialisten in het recht, notariaat, fiscaliteit, accountancy en Legal Tech zonder eigen auteurspagina op Jubel.be.

De artikels geplaatst onder de Jubel-postbus, spelen in op de juridische en fiscale actualiteit in België. Om die reden is de Jubel-postbus een onmisbare hulp voor wie op de hoogte wil blijven van de juridische en fiscale wereld en het Belgisch recht.

Wil u zelf bijdragen aan de Jubel-postbus? Mail dan naar redactie@jubel.be. Na evaluatie door de redactie, wordt uw bijdrage gepubliceerd.

Toelichting vonnis Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt dd. 11.10.2018

In een vonnis van 11 oktober 2018, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt moeten oordelen over de vervulling van de bewijslast in het kader van intracommunautaire leveringen die door de belastingplichtige werden gedaan vanuit België naar verschillende Europese lidstaten, waaronder Hongarije en Duitsland.

De belastingplichtige had in casu op deze verkopen de vrijstelling van Belgische btw toegepast (art. 39bis WBTW).

De belastingplichtige kan in België van deze btw-vrijstelling genieten, indien hij:

  • een levering heeft gedaan voor een afnemer die in het buitenland voor de btw geïdentificeerd is, en die verplicht is deze transactie aldaar aan te geven en de btw hierop af te dragen;
  • en indien hij bewijst dat de goederen door de afnemer of voor zijn rekening verzonden of vervoerd worden buiten België, maar binnen de gemeenschap. De belastingplichtige moet te allen tijde in het bezit zijn van de stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt.

Men moet dus als leverancier een dubbel bewijs leveren, namelijk dat de levering is geschied voor een belastingplichtige die voor de btw geïdentificeerd is in een andere lidstaat, en anderzijds dat de goederen die het voorwerp uitmaken van de intracommunautaire levering, het Belgische grondgebied hebben verlaten en aangekomen zijn op het grondgebied van een andere lidstaat.

In casu is er volgens de Belgische Administratie sprake van een internationaal opgezet fraudecircuit waarvan de belastingplichtige deel uitmaakt, en waarbij de goederen geleverd worden door de belastingplichtige aan een “missing trader” en de goederenstroom vervolgens niet meer te volgen is. In het kader van een internationale gegevensuitwisseling, had de Administratie vernomen van de buitenlandse belastingdiensten, dat de betreffende afnemers hun fiscale verplichtingen in het land van herkomst niet vervulden. De intracommunautaire verwervingen werden niet opgenomen in de btw-aangifte van de afnemers, en de btw werd dus ook niet afgedragen in de lidstaat van aankomst van de goederen.

De Administratie weigerde de belastingplichtige de btw-vrijstelling, omdat de belastingplichtige zou gehandeld hebben met een frauduleus opzet, en sprak de belastingplichtige niet enkel aan voor de btw verschuldigd op de betreffende leveringen, maar er werd tevens een boete opgelegd van 200%. In totaal werd er van de belastingplichtige ongeveer 1.500.000 EUR gevorderd.

In casu bracht de belastingplichtige een kopie bij van de paspoorten van de afnemers en controleerde de belastingplichtige de btw-nummers van de afnemers, die geldig bleken te zijn op het moment van de leveringen. Tevens kon de belastingplichtige ondertekende bestelbonnen en facturen voorleggen. Daarnaast werden er ook ondertekende verklaringen voorgelegd van de afnemers, waarin werd bevestigd dat het vervoer door de afnemer verzorgd zou worden naar een andere EU-lidstaat.

Volgens de Rechtbank volstaat dit als bewijs van het bestaan van de echtheid van het vervoer van de goederen, en werd tevens aangetoond dat de levering geschiedde voor een belastingplichtige die voor de btw is geïdentificeerd in een andere lidstaat.

De Rechtbank oordeelt dat fraude niet vermoed wordt, maar dient bewezen te worden. De elementen die in het concrete dossier aangehaald worden door de Administratie overstijgen volgens de Rechtbank het niveau van een loutere bewering niet. Het feit dat de afnemers, die een geldig btw-nummer hadden op het ogenblik van de verkoop, later hun fiscale verplichtingen niet voldeden, kan volgens de Rechtbank niet aan de leverancier in België worden verweten. Ook het feit dat er familiale banden zouden zijn tussen de zaakvoerders van de betreffende vennootschappen, bewijst volgens de Rechtbank niet dat er fraude zou zijn in hoofde van de belastingplichtige.

Gelet op het feit dat volgens de Rechtbank de bewijslast vervuld wordt, en de belastingplichtige bijgevolg kan genieten van de vrijstelling voor intracommunautaire leveringen, wordt ook de boete van 200% kwijtgescholden.

Annemiek Lewandowski
Gevaco Advocaten

Jubel

Dit is de Jubel-postbus. Op deze pagina verschijnen artikels geschreven door specialisten in het recht, notariaat, fiscaliteit, accountancy en Legal Tech zonder eigen auteurspagina op Jubel.be.

De artikels geplaatst onder de Jubel-postbus, spelen in op de juridische en fiscale actualiteit in België. Om die reden is de Jubel-postbus een onmisbare hulp voor wie op de hoogte wil blijven van de juridische en fiscale wereld en het Belgisch recht.

Wil u zelf bijdragen aan de Jubel-postbus? Mail dan naar redactie@jubel.be. Na evaluatie door de redactie, wordt uw bijdrage gepubliceerd.

Bekijk alle artikelen

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.