Over de bevoegdheid van de rechter met betrekking tot het beoordelen van administratieve sancties worden reeds meer dan 25 jaar discussies gevoerd en arresten geveld. Vanaf 2019 ontstond er zelfs tegengestelde rechtspraak van het Hof van Cassatie.[1]
Reeds jaren werd geoordeeld dat de rechter boetes (en inzake inkomstenbelasting – belastingverhogingen) kon verminderen naar ‘evenredigheid’. De rechtspraak was standvastig.[2] Het gaat hier om constante rechtspraak die we niet allemaal opsommen.[3]
Over deze rechtspraak ontstond enkele jaren geleden onduidelijkheid doordat de Nederlandstalige en Franstalige afdelingen van het Hof van Cassatie er plots een andere mening op na gingen houden. De Nederlandstalige afdeling bleef haar oude rechtspraak aanhouden. De Franstalige afdeling was van mening dat een vermindering van de boete door de rechter alleen mogelijk was indien vooraf een genadeverzoek was ingediend bij toepassing van het Regentsbesluit uit 1831.[4]
Het leek erop dat de controverse uiteindelijk beslecht werd in een arrest van het Hof van Cassatie van 25 april 2025.[5]
Maar nu is er op 12 februari 2026 een arrest geveld dat opnieuw vragen doet rijzen (F.24.0026.N).
Voor de duidelijkheid blijven we eerst even stilstaan bij het arrest van 25 april 2025.
Het arrest van 25 april 2025
Het Hof overweegt onder meer:
De rechter moet wat betreft sancties met een repressief karakter de wettigheid ervan onderzoeken. Bovendien mag hij nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de internationale verdragen en de algemene rechtsbeginselen.
Tot zover wijkt het hof niet af van vroegere rechtspraak. Tot de algemene rechtsbeginselen behoort het evenredigheidsbeginsel (zie o.m. art. 49 van het EU-Handvest). De rechter zou dus mogen onderzoeken of de sanctie niet onevenredig is. Maar dan vervolgt het Hof :
Dat de volle rechtsmacht waarover de rechter beschikt, niet inhoudt dat de rechter de sanctie mag verminderen beneden het wettelijk minimum of het wettelijk vastgelegd vaste boetetarief.
Dat lijkt ons tegenstrijdig te zijn met het eerste punt, nl. dat de rechter de evenredigheid van de sanctie mag beoordelen. Immers, het wettelijk vaste tarief van de boete kan in bepaalde gevallen onevenredig zijn.
Als de sanctie niet mag verminderd worden beneden het wettelijk minimum of vast tarief, blijft er van de evenredigheidstoets niets meer over. Deze toets houdt als het ware per definitie in dat de sanctie verminderd wordt beneden het vastgestelde tarief. Men kan een sanctie niet verminderen tot een evenredig bedrag indien men niet beneden het wettelijk tarief mag verminderen, indien dat wettelijk tarief onevenredig zou zijn, temeer omdat de administratie normaliter nooit een hogere boete oplegt dan het wettelijk tarief. (Dat zou een wetsovertreding zijn, die niets te maken heeft met de problematiek in casu).
Het leek erop dat de evenredigheidstoets niet meer aan de orde was. De rechter zou altijd een volledige opportuniteitstoets kunnen doen. Dat gaat verder dan een evenredigheidstoets. Dus, waarom ons dan nog zorgen maken over de evenredigheid van de sanctie?!
De vraag is of dit aansluit bij de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en het Europees Hof van Justitie (zie verder). Het Hof vervolgt :
Alles wat onder de bevoegdheid van de administratie valt, moet door de rechter kunnen worden getoetst.
De vraag is dan : “wat valt onder de bevoegdheid van de administratie ?” Dat is niet zo duidelijk. Het Hof van Cassatie lijkt ervan uit te gaan dat de administratie niet mag afwijken van de wet, behalve wanneer een genadeverzoek is ingediend. Dit lijkt evenwel niet aan te sluiten bij de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof (zie verder).
Dan stelt het Hof :
Indien een belastingplichtige een genadeverzoek indient bij toepassing van het Regentsbesluit van 1831, moet de rechter de sanctie kunnen kwijtschelden of verminderen zoals de minister of zijn gedelegeerde dit kan.
Vermits de administratie de boete kan kwijtschelden of verminderen (het is een genadeverzoek), zal de rechter dit ook kunnen. De rechter is nu, net als de administratie, niet meer gebonden door het evenredigheidsbeginsel. Men kan nu oordelen, rekening houdend met alle omstandigheden. M.a.w. de opportuniteit van de sanctie kan beoordeeld worden. Zonder dat een genadeverzoek is ingediend, kan de rechter dit niet.
Vermits een genadeverzoek slechts kan worden ingediend nadat alle procedures over de wettelijkheid van de belastingheffing en bestraffing zijn uitgeput[6] , is de wettelijkheid reeds vooraf beoordeeld. Het arrest van 25 april 2025 doet geen afbreuk aan de voorafgaande beoordeling van de wettelijkheid van de straf, zoals: is men wel schuldig ? Werden de tarieven van de boete correct toegepast ? enz.
Maar dan kwam er het arrest van 12 februari 2026. [7]
Het arrest van 12 februari 2026
Het Hof herneemt eerst wat in vroegere rechtspraak en het arrest van 25 april 2025.
De rechter aan wie gevraagd wordt een geldboete opgelegd op grond van artikel 70, § 1, Btw-wetboek of het voormelde KB nr. 41 van 30 januari 1987, die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6.1 EVRM, te toetsen, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.
Het Hof verwijst hier o.m. naar het evenredigheidsbeginsel.
En dan herhaalt het Hof hetgeen ook voorgehouden werd in het arrest van 25 april 2025 :
Het bij artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter en het daaruit voortvloeiend beginsel dat een administratieve sanctie met een repressief karakter in de zin van artikel 6.1 EVRM ter controle moet kunnen worden voorgelegd aan een rechter met volle rechtsmacht, houdt niet in dat de rechter de administratieve geldboete kan verminderen tot beneden het wettelijk minimum of tot beneden het door de wet opgelegde vaste boetetarief.
Aan het vereiste dat de rechter de administratieve boete moet kunnen toetsen met volle rechtsmacht is immers voldaan indien alles wat onder de beoordelingsbevoegdheid van het bestuur valt, door de rechter kan worden getoetst.
Tot zover dus niets nieuws onder de zon.
Maar dan vervolgt het Hof met een uiteenzetting van de rechtspraak van het Europees hof van Justitie over de toetsing van sancties door de rechter aan het evenredigheidsbeginsel.
We herhalen deze rechtspraak hier niet. De samenvatting in het arrest is duidelijk.
Een recent arrest van het Europees Hof van Justitie is evenwel ontsnapt aan de aandacht van het Hof.
In een zeer recent arrest van 3 juli 2025 (C-733/23 – EOOD) beslist het HvJ dat een nationale regeling die een hoge boete oplegt, zonder dat de rechter de mogelijkheid heeft een lager bedrag dan de boete die de wet voorziet, of een ander soort lichtere straf, op te leggen, strijdig is met artikel 273 van de Btw-Richtlijn 2006/211 en artikel 49, lid 3 van het EU-handvest. Onder verwijzing naar vroegere rechtspraak stelt het Hof:
47. In dit verband zij eraan herinnerd dat de zwaarte van de straf volgens artikel 49, lid 3, van het Handvest niet onevenredig mag zijn aan het strafbare feit. Evenzo heeft het Hof voor recht verklaard dat de lidstaten bij gebreke van interne wetgevende maatregelen van de Unie op het gebied van de toepasselijke sancties bevoegd zijn om de aard en het niveau van die sancties vast te stellen, met eerbiediging van met name het evenredigheidsbeginsel [arrest van 19 oktober 2023, G. ST. T. (Evenredigheid van de straf in geval van namaak), C-655/21, EU:C:2023:791, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
48. Volgens de rechtspraak van het Hof mogen de repressieve maatregelen die krachtens een nationale wettelijke regeling zijn toegestaan, overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel niet buiten de grenzen treden van wat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de legitieme doelstellingen die met deze wettelijke regeling worden nagestreefd. De zwaarte van de opgelegde sancties moet in verhouding staan tot de ernst van de strafbaar gestelde feiten, met name door te verzekeren dat zij een reële afschrikkende werking hebben, maar zonder verder te gaan dan nodig is om dat doel te bereiken [arrest van 19 oktober 2023, G. ST. T. (Evenredigheid van de straf in geval van namaak), C-655/21, EU:C:2023:791, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak],
49. Verder vereist het evenredigheidsbeginsel dat bij de vaststelling van de sancties rekening wordt gehouden met de omstandigheden van het concrete geval [arrest van 19 oktober 2023, G. ST. T. (Evenredigheid van de straf in geval van namaak), C-655/21, EU:C:2023:791, punt 67].
50. Bij de beoordeling van de evenredigheid van de sancties moet ook rekening worden gehouden met de mogelijkheid die de nationale rechter heeft om de kwalificatie in de tenlastelegging te wijzigen – hetgeen tot de oplegging van een minder strenge sanctie kan leiden – en met de mogelijkheid om de sanctie aan te passen aan de ernst van de vastgestelde inbreuk [arrest van 19 oktober 2023, G. ST. T. (Evenredigheid van de straf in geval van namaak), C-655/21, EU:C:2023:791, punt 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
Zeer verrassend, o.i. tegenstrijdig met hetgeen voordien gesteld werd, besluit het Hof van Cassatie in het arrest van 12 februari 2026 :
21. Hieruit volgt dat de nationale rechter een overeenkomstig voormeld KB nr. 41 van 30 januari 1987 opgelegde administratieve geldboete in toepassing van het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel kan verminderen tot beneden de in dit koninklijk besluit bepaalde vaste boetetarieven, rekening houdend met de aard en de ernst van de inbreuk en de concrete omstandigheden van de zaak.
De rechter mag dus wel de sanctie verminderen beneden het wettelijk minimum door toepassing te maken van het evenredigheidsbeginsel.[8]
Dat is een aanvulling op het arrest van 25 april 2025.
Wat houdt een toetsing aan het evenredigheidsbeginsel in?
Het gaat in de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie steeds over de toepassing van het evenredigheidsbeginsel, maar hier wordt in het arrest van 3 juli 2025 ook onder begrepen dat de rechter rekening kan houden met de persoon van de belastingplichtige. Het Europees Hof van Justitie lijkt een brede invulling te geven aan het begrip ‘evenredigheid’. De rechter moet de mogelijkheid hebben de overtreding te herkwalificeren en de sanctie aan te passen aan de ernst van de overtreding.
Dit lijkt te verwijzen naar de criteria die in het strafrecht worden toegepast. Derhalve zou de rechter steeds moeten kunnen oordelen zoals in het strafrecht.
Hoever gaat de bevoegdheid van de administratie?
Het Hof van Cassatie houdt voor dat alles wat onder de bevoegdheid valt van de administratie door de rechter moet kunnen worden gecontroleerd. De vraag is dus : wat valt onder de bevoegdheid van de administratie? Valt de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel ook hieronder?
De vraag is misschien niet meer relevant in het licht van de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie (zie infra).
Het Grondwettelijk Hof heeft zich reeds menigmaal uitgesproken over de grondwettelijkheid van de fiscale boetes.
Wat uit deze rechtspraak naar voren komt, is dat de administratie zelf ook gebonden is door het evenredigheidsbeginsel. En als dat inderdaad zo is, gaat het Hof van Cassatie uit van een verkeerd uitgangspunt, nl. dat de administratie niet gebonden is door het evenredigheidsbeginsel (zo lijkt het althans).
Zo heeft het Hof onder meer in een arrest van 8 juli 2024 (nr. 86/2024) gesteld :
B.4.2. Het staat aan de wetgever te oordelen of het aangewezen is de administratie en de rechter te dwingen tot gestrengheid wanneer die overtredingen inzonderheid het algemeen belang schaden. Maar indien hij van oordeel is dat de administratie de mogelijkheid moet hebben om de omvang van de sanctie te moduleren, dan mag niets van wat onder de beoordeling van de administratie valt aan de controle van de rechter kunnen ontsnappen.
B.4.3. Hieruit volgt dat artikel 70, §§ 1 en 4, van het Btw-Wetboek bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet voor zover het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het de rechter bij wie een verzet tegen een dwangbevel aanhangig is, toestaat een controle met volle rechtsmacht uit te oefenen op de beslissing om fiscale geldboetes op te leggen.
Aldus kan de rechter nagaan of de beslissing van de administratie in rechte en in feite verantwoord is en of de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, zijn geëerbiedigd. In voorkomend geval zal hij de boete kunnen moduleren, te dezen opheffen of verminderen binnen de in de aan de administratie gestelde grenzen."
Het Hof geeft aan dat de administratie zelf ook gebonden is door het evenredigheidsbeginsel.
Uit dit arrest onthouden we dat de rechter pas over de evenredigheid van de boete kan oordelen indien ook de administratie het evenredigheidsbeginsel in acht moet nemen. De rechter kan dus, op het eerste gezicht, niet méér dan wat de administratie mag. De rechter beoordeelt het werk van iemand anders, in casu de administratie en verbetert dat desgevallend (zie evenwel ook infra) [9].
Blijkbaar wordt artikel 70 § 1 en 4 WBTW aldus geïnterpreteerd dat in de beoogde situatie de administratie gebonden is door het evenredigheidsbeginsel [10].
Nog duidelijker is het Grondwettelijk Hof in een zeer recent arrest van 19 juni 2025 (arrest 90/2025):
B.7.3. Bovendien dient de belastingadministratie bij de toepassing van de in het geding zijnde bepalingen (art. 444 WIB/92 jo art. 226 KB/WIB) in een concreet geval de beginselen van behoorlijk bestuur te eerbiedigen, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Die beginselen verhinderen dat de belastingadministratie op arbitraire wijze de in het geding zijnde bepalingen zou toepassen of niet op afdoende wijze de redenen zou uiteenzetten die haar beslissing dragen, wat in voorkomend geval door de bevoegde rechter dient te worden nagegaan.
En verder:
B. 18.3. Het bodemgeschil betreft echter geen situatie waar de belastingadministratie en de rechter een volstrekt gebonden bevoegdheid hebben. Bij een eerste overtreding van een belastingplichtige wegens een onvolledige of onjuiste aangifte zonder het opzet de belasting te ontduiken, beschikt de belastingadministratie, krachtens artikel 444, tweede lid, van het 1 WIB 1992, in samenhang gelezen met artikel 226 van het KB/WIB 1992, over een beoordelingsbevoegdheid om de belastingverhoging van minstens 10 % al dan niet effectief toe te passen.
B.18.4. Aangezien de rechter een toetsing met volle rechtsmacht uitoefent op de belastingverhoging, kan de rechter binnen dezelfde grenzen als die van de belastingadministratie nagaan of, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, de belastingverhoging en de daaruit voortvloeiende aftrekbeperking al dan niet dienen te worden toegepast.
Hiermee is weer duidelijk :
- De administratie moet bij het opleggen van boetes of belastingverhogingen verschillende beginselen in acht nemen, o.a. het evenredigheidsbeginsel.
- De rechter houdt hier toezicht op.
- Maar het Hof herhaalt dat de rechter slechts kan oordelen binnen de grenzen die de administratie zijn opgelegd. De rechter mag niet méér dan de administratie.
- Bij een eerste overtreding zonder opzet van belastingontduiking kan afgezien worden van de belastingverhoging van 10 %. Hier is er geen sprake van een gebonden bevoegdheid. De rechter kan/moet nagaan of de belastingverhoging van 10 % moet toegepast worden. Hij/zij kan de beslissing van de administratie hierover desgevallend verbeteren en dus zijn/haar beslissing in de plaats stellen van deze van de administratie.
Het moge duidelijk zijn dat het Grondwettelijk Hof het niet nodig acht dat vooraf een genadeverzoek bij de Koning wordt ingediend noch wanneer het gaat om een eerste overtreding met een minimumboete van 10 %, noch in andere situaties.
Of de administratie een aantal hiervoor opgesomde beginselen in acht moet nemen, is een feitenkwestie die verschilt van geval tot geval.
Een situatie waarin het Grondwettelijk Hof ervan uitging dat de administratie niet bevoegd was om rekening te houden met het evenredigheidsbeginsel, vinden we in een arrest van het Grondwettelijk Hof van 5 mei 2022, (nr. 61/2022), waarin het Hof stelt :
De rechter bij wie een beroep is ingesteld tegen een beslissing waarbij een administratieve geldboete wordt opgelegd aan de overtreder, moet kunnen nagaan of de beslissing van de bestraffende beambte in rechte en in feite verantwoord is, in het bijzonder of het verantwoord is een dergelijke sanctie uit te spreken ten aanzien van alle relevante elementen van de zaak. Er bestaat een algemeen beginsel dat de rechter steeds moet kunnen nagaan of iemand enige schuld treft. De rechter dient dus binnen dezelfde grenzen als die van de bestraffende beambte de opgelegde administratieve geldboete al dan niet te bevestigen, zonder het bedrag ervan te kunnen moduleren.”
Twee zaken vallen op:
- De rechter moet steeds kunnen beoordelen of iemand schuld treft.
- De rechter moet binnen de grenzen die de bestraffende ambtenaar heeft, de geldboete al dan niet bevestigen, zonder het bedrag te kunnen moduleren.
Dit laatste zou dus betekenen dat de rechter de boete niet kan verminderen beneden het wettelijk minimum indien de bestraffende ambtenaar dit ook niet kan. Zou de beambte de boete wel mogen verminderen beneden het wettelijk minimum bij toepassing van het evenredigheidsbeginsel, dan zal de rechter dat ook kunnen. In de casus van het arrest van 5 mei 2022 kan de ambtenaar dat blijkbaar niet.[11]
In elk geval zou de rechter, op grond van deze rechtspraak steeds de boete kunnen verminderen tot beneden het wettelijk minimum, op basis van het evenredigheidsbeginsel. De rechter zal evenwel geen opportuniteitsbeslissing kunnen nemen en rekening houden met de persoon en bijvoorbeeld verzachtende omstandigheden.
Maar er is evenwel méér in overweging te nemen.
Dat lijkt nl. niet aan te sluiten bij de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie.
Volgens het Europees Hof van Justitie lijkt het niet van belang te zijn dat de rechter niet méér mag dan de administratie. Volgens het Europees Hof van Justitie mag de rechter altijd de evenredigheid van de sanctie beoordelen ook al zou de administratie dat niet mogen (zie supra het arrest van 3 juli 2025 en de rechtspraak geciteerd door het Hof van Cassatie). Hoever de bevoegdheid van de administratie reikt, lijkt voor het Europees Hof van Justitie geen rol te spelen.
Besluit
Het arrest van 12 februari 2026 lijkt ons wat tegenstrijdig geformuleerd te zijn (vergelijk nr. 19 met nr. 20 van het arrest).
De conclusie lijkt nochtans juist te zijn. De rechter mag altijd oordelen of een sanctie evenredig is. Het speelt geen rol wat de bevoegdheid van de administratie is. Dit sluit aan bij de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie.
Een evenredigheidstoets is evenwel geen opportuniteitstoets! Het Europees hof van Justitie lijkt dit echter anders te zien. Dit Hof geeft de indruk het begrip “evenredigheid” een bredere invulling te geven.
Heusden-Zolder, 2 maart 2026.
Henri Vandebergh
Advocaat, vrijwillig wetenschappelijk medewerker aan de onderzoeksgroep CORe (Centrum voor overheid en recht) aan de UHasselt.
Beperkte bibliografie
Cass. 17 januari 2019, JT 2019, 812, met noot F. KONING, "Le pouvoir d'appréciation du juge fiscal sur la sanction administrative infligée au contribuable et le moment du recours auprès du ministre des Finances", TFR 2020, afl. 583, 505-508.
W.b. volle rechtsmacht : zie ook het advies van de advocaat-generaal bij Cass. 21 september 2018, F.0141.N.
B. COOPMAN : “Rechterlijke toetsing van fiscale boetes : cassatie teruggefloten door Straatsburg, TFR 2004, nr. 264, 636, noot onder EHRM 04/03/2004, Silvester Horeca.
F. DEBELVA & J. MOTTE, "De proportionaliteit van fiscale sancties: theoretisch kader, grondslagen en verhouding tot mensenrechten", TFR 2015, nr. 499, 968, noot bij Cass. 17 januari 2019.
F. DEBELVA en M. KELHER, "Rechterlijke matigingsbevoegdheid btw-boetes bij fraude afhankelijk van voorafgaandelijke procedure", JLMB 2019, afl. 26, 1219-1221, met noot P. MOINEAU, "La Cour de cassation et la réduction des amendes fiscales par le juge"; Fisc.Act. 2019, afl. 8, 4-5.
A. DESTERBECK, "Administratieve boeten inzake btw – Geen kwijtschelding door rechter, alleen door fiscus"; Fiscoloog 2011, afl. 1250, 4-7.
H. DUBOIS, “Het fiscaal genaderecht en een onbelangrijk arrest van het Hof van Cassatie”, TFR 2022, nr. 624, 577.
H. DUBOIS, ‘Over de rol van de poëzie bij het beoordelen van administratieve sancties”, TFR 2023, nr. 635, 99.
H. DUBOIS, “Het fiscaal genaderecht en dit keer een weinig behulpzaam arrest van het Hof van Cassatie”, noot onder Cass. 16 mei 2022, TFR 2023, nr. 635, 119.
H. DUBOIS, “Op weg naar meer helderheid inzake administratieve sancties”, noot onder Cass. 23 september 2022, TFR 2023, nr. 635, 123.
H. DUBOIS, “De eenvoudige oplossing van het boeteprobleem inzake btw; wijziging van het KB nr. 41”, TFR 2023, nr. 647, 771.
H. DUBOIS, “Cassatie tegen cassatie : Wie heeft wat te vertellen over fiscale boeten?”, TFR 2023, nr. 647, 797.
H. DUBOIS, “Wie beoordeelt de administratieve beslissing over een genadeverzoek?”, noot bij RvS 22 november 2023, TFR 2024, nr. 669, 967.
H. NELISSEN en K. LIOEN, “De matigingsbevoegdheid van de rechter bij belastingverhogingen”, noot onder Gent 15 maart 2022, TFR 2023, nr. 644, 649 e.v.
D. NORE, "Administratieve boeten – Beoordeling BTW-geldboeten : geen eenduidige criteria.
F. SMET, “Rechterlijke controle op administratieve sancties : is de motivering van de evenredigheidstoetsing de sleutel ?”, TFR 2009, nr. 370, noot bij Cass. 13 februari 2009.
E. VAN BRUSTEM, “Les divergences de jurisprudence en matière fiscale au sein de la Cour de cassation analysées au regard des exigences de la Cour européenne des droits de l’homme en matière de sécurité juridique et de droit d’accès à un tribunal : séparer le bon grain de l’ivraie” TFR 2024, nr. 659, 350.
E. VAN BRUSTEM, “Boete inzake btw met strafrechtelijk karakter – Toetsing door de rechter met volle rechtsmacht – voorwaarde – Verzoek tot kwijtschelding of vermindering op grond van het Regentsbesluit”, TFR 2023, nr. 647, 802-803.
J. VAN EYNDHOVEN, “De toetsing van fiscaal-administratieve sancties door de rechter”, Liber Amicorum prof. Dr. Bruno Peeters, Knops Publishing, 2025, 1235 e.v., weliswaar geschreven vóór het arrest van 25 april 2025, maar nog steeds waardevol.
Onze opsomming is een beperkte selectie uit de overvloedige literatuur over de problematiek.
Zie ook H. VANDEBERGH en VZW Fiskofoon, ed. BTW Handboek, editie 2025, Volume II, blz. 1889 e.v.
Voetnoten
[1] Zie de bibliografie op het einde van deze bijdrage.
[2] EHRM, 24 februari 1994, Bendenoum t/Frankrijk en EHRM, 21 februari 1984, Özturk/Duitsland.
– EHRM, 4 maart 2004, Silvester's Horeca Service, TFR, 2004, nr.264, p.636, met noot B. Coopman, 'Rechterlijke toetsing van fiscale boetes: cassatie teruggefloten door Straatsburg.
– Zie GwH 24 februari 1999, nr.22/1999 en GwH 12 juni 2002, nr. 96/2002.
– Zie o.a. Cass., 21 januari 2005, C.02.0572.N.
– Cass., 16 februari 2007, F.05.0015.N; Cass., 16 februari 2007, C.04.0390.N; Cass., 16 februari 2007, F.06.0032.N; Cass., 21 september 2018, F.17.0086.N.
– Cass. 24 maart2023, F.21.0056.N, TFR 2023, nr. 647, blz. 803 met noot Hubert DUBOIS.
Het Hof van Cassatie herhaalt haar vroegere rechtspraak, zij het dat die rechtspraak in menig arrest enigszins genuanceerd wordt.
[3] Lees o.m. het advies van de advocaat-generaal bij het arrest van 25 april 2025. Zie ook de beperkte bibliografie in bijlage bij onderhavige tekst.
[4] Lees o.m. Jef Van Eyndhoven in het Liber Amicorum prof. Dr. Bruno Peeters, Knops Publishing, 2025, blz. 1235, “De toetsing van fiscaal-administratieve sancties voor de rechter”. Lees prof. Dr. Luc Vandenberghe, geciteerd in voetnoot 1 en verschillende teksten van Hubert DUBOIS, geciteerd in de bibliografie in bijlage. Zie ook het advies van advocaat-generaal Van der Fraenen bij het arrest van 25 april 2025.
[5] Lees over dit arrest: Luc Vandenberghe, “Rechterlijke bevoegdheid inzake administratieve BTW-boeten. Een eindeloos verhaal ?”, AFT 2025/8, blz. 28 e.v. O.m. samenvatting gepubliceerd in R.W. 2024-25, nr. 42, 21 juni 2025, blz. 1717, met korte verklarende noot. Lees ter zake ook over de problematiek van het beoordelen van boetes na het arrest van 25 april 2025 : F. Debelva, “De (on)verenigde kamers”, AFT 2025/6, blz. 2. Lees over het arrest ook de bijdrage van Jef Van Eyndhoven en Hubert DUBOIS in TFR 2025, nr. 686. Zie Frederieke Compernolle, “De volle rechtsmacht van de fiscale rechter Gefnuikt”? R.W. 2024-2025, nr. 42, 21 juni 2025, blz. 1694.
[6] Zie het advies van advocaat-generaal bij het arrest van 25 april 2025, blz. 17-18 van het advies, “Genade komt na het recht”; zie Hubert DUBOIS, in TFR 2022, nr. 624, blz. 577.
[7] We beperken ons tot hetgeen het Hof van Cassatie stelt i.v.m. het beoordelen van sancties. De andere items die aan bod komen in het arrest laten we buiten beschouwing;
[8] Het hof sluit hierbij aan bij de conclusie van advocaat-generaal Van der Fraenen.
[9] Lees ook het advies van advocaat-generaal Van der Fraenen bij het arrest van 25 april 2025.
[10] Reeds in een arrest van het (toen nog) Arbitragehof van 12 juni 2002, nr. 96/2002, lezen we dat de administratie gebonden is door het evenredigheidsbeginsel.
[11] Lees ter zake ook het advies van advocaat-generaal Van der Fraenen bij het arrest van 25 april 2025, punt 3.6.3.



0 reacties