Expertise

Nieuwe bewijsregels in het NBW: basisprincipes

Net voor het einde van de vorige legislatuur heeft de wetgever, bij wet van 13 april 2019, een nieuw Burgerlijk Wetboek (NBW) in het Belgisch recht ingevoerd. Boek 8 bevat de nieuwe bewijsregels en is in werking getreden op 1 november 2020. In enkele korte artikels gaan we dieper in op een aantal aspecten. Deel 1 bespreekt de basisprincipes.

Aanvullend karakter van de bewijsregels

Artikel 8.2. NBW preciseert dat de regels van Boek 8 van aanvullend recht zijn, tenzij anders is bepaald. Dit betekent dat bewijsovereenkomsten die afwijken van de wettelijke bewijsregeling in principe geldig zijn. Wanneer van een specifieke bewijsregel niet bij overeenkomst kan worden afgeweken, wordt dit voortaan uitdrukkelijk in de wet aangegeven.

Voorwerp van het bewijs

Een partij moet het bewijs leveren van de feiten die zij aanvoert, voor zover deze worden betwist. Net zoals onder het huidige recht moeten algemeen bekende feiten en ervaringsregels niet worden bewezen. Wat algemeen bekende feiten zijn, wordt gedefinieerd in de parlementaire voorbereiding als feiten die ieder ontwikkeld mens kent of uit algemeen toegankelijke bronnen moet kennen (bv. het feit dat asbest schadelijk is). Ervaringsregels zijn feiten die iedereen in zijn dagdagelijkse leven kan ondervinden (bv. het feit dat bij zware regen aquaplaning een gevaar is).

Bewijslast

Het nieuw artikel 8.4 NBW hanteert een bredere formulering dan de vroegere regels van het BW over de verdeling van de bewijslast. Het bepaalt immers (i) dat hij die meent een ander in rechte te kunnen aanspreken, de rechtshandelingen of feiten moet bewijzen die daaraan ten grondslag liggen (art. 8.4, lid 1) en (ii) dat hij die beweert bevrijd te zijn, de rechtshandelingen of feiten moet bewijzen die zijn bewering ondersteunen (art. 8.4, lid 2).

Artikel 8.4, lid 3 legt partijen de verplichting op om mee te werken aan de bewijsvoering. Ook onder de vroegere regels werd al aanvaard dat partijen dergelijke verplichting hebben. Artikel 8.4., lid 4 ten slotte codificeert de theorie van het bewijsrisico en bepaalt uitdrukkelijk dat in geval van twijfel, hij die door hem beweerde rechtshandelingen of feiten moet bewijzen, in het ongelijk wordt gesteld, tenzij de wet anders bepaalt.

Nieuw is dat de rechter de bevoegdheid krijgt om in uitzonderlijke omstandigheden de bewijslast om te keren wanneer de toepassing van de hierboven beschreven regels inzake bewijslastverdeling kennelijk onredelijk zou zijn. De mogelijkheid van de rechter om de bewijslast om te keren is wel een ultimum remedium.

Bewijsstandaard

De ‘bewijsstandaard’ is de mate waarin de rechter van een bepaald feit overtuigd moet zijn opdat hij het als bewezen kan beschouwen. Vroeger bestond daar discussie over. Artikel 8.5 NBW maakt een einde aan deze discussie en legt vast dat het bewijs met een “redelijke mate van zekerheid” moet worden geleverd, behalve in de gevallen waarin de wet anders bepaalt.

Op deze regel bestaan twee uitzonderingen: (i) het bewijs van een negatief feit moet niet met dezelfde striktheid worden geleverd, in dat geval kan genoegen worden genomen met het aantonen van de ‘waarschijnlijkheid’ van dat feit (ii) hetzelfde geldt voortaan ook voor positieve feiten waarvan het omwille van de aard zelf van het te bewijzen feit niet mogelijk of niet redelijk is om een zeker bewijs te verlangen. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan de situatie waarin een verzekerde ten aanzien van zijn verzekeringsmaatschappij moet bewijzen dat zijn voertuig werd gestolen.

Wettelijke vermoedens

De wettelijke vermoedens worden geregeld in het hoofdstuk over de algemene bepalingen, omdat zij, in tegenstelling tot feitelijke vermoedens, geen bewijsmiddel zijn, maar eerder moeten gezien worden als een afwijking van de normale bewijslastverdeling.

Een wettelijk vermoeden kan erin bestaan dat degene ten voordele van wie het vermoeden bestaat, vrijgesteld wordt van het leveren van het bewijs van een bepaald feit. Een wettelijk vermoeden kan er ook in bestaan dat het voorwerp van het bewijs wordt gewijzigd, in die zin dat degene ten voordele van wie het vermoeden bestaat, niet meer alle elementen moet bewijzen die zijn recht ondersteunen, maar slechts enkele ervan of andere elementen.

Deze wettelijke vermoedens zijn weerlegbaar. De wet somt drie gevallen op waarin een wettelijk vermoeden onweerlegbaar is, namelijk: (i) wanneer de wet zelf afwijkt van het weerlegbaar karakter van het vermoeden, (ii) wanneer het vermoeden tot nietigheid van een rechtshandeling leidt en (iii) wanneer het vermoeden tot de onontvankelijkheid van een vordering in rechte leidt.

In deze reeks bespreken we enkele aspecten van de nieuwe bewijsregels in het Burgerlijk Wetboek. Deze artikels zijn gebaseerd op de uitgebreide analyse van Joke Baeck, Hoofddocent Centrum voor Verbintenissen- en Goederenrecht UGent, die kunt lezen in J. BAECK, “Boek 8 “Bewijs” van het nieuw Burgerlijk Wetboek”, Rechtskroniek voor het Notariaat, Deel 36.

Opmerking plaatsen

Uw naam wordt privé weergegeven op de website en is niet zichtbaar voor anderen. Uw e-mailadres wordt opgeslagen maar niet gepubliceerd.