In het hart van Europa, in Brussel, werd eind augustus met trots aangekondigd dat de voorgevel van het majestueuze Justitiepaleis aan het Poelaertplein, na een jarenlange renovatie, in ere was hersteld.[1]. Achter die façade is voorlopig nog niet alles goud wat blinkt: meerdere incidenten bevestigen het structurele verval van het gebouw.[2] Maar niet getreurd: mits betaling van een bescheiden kostenplaatje van 600 miljoen euro, zal tegen 2040 ook de volledige binnenzijde opgekalefaterd zijn.[3] Wie houdt van onwaardige werkomstandigheden én van een juridische loopbaan, lijkt zijn gading overigens niet per se te moeten zoeken in Brussel.[4]
Terug naar een tiental dagen geleden en naar wat zich achter de gevel van het Brusselse Justitiepaleis afspeelde. Ter hoogte van een van de zittingszalen hing een eenvoudig briefje, gericht aan de bezoekers van de Franstalige kamer van inbeschuldigingstelling. Het ging om zittingen over vrijheidsberoving van personen in voorarrest.
De algemene aankondiging hield in dat in alle zaken de debatten, wegens de overbelasting van de rol en de korte termijn waarbinnen over iemands vrijheid moet worden beslist, tot tien minuten zouden worden beperkt
De algemene aankondiging hield in dat in alle zaken de debatten, wegens de overbelasting van de rol en de korte termijn waarbinnen over iemands vrijheid moet worden beslist, tot tien minuten zouden worden beperkt. Indien schriftelijke conclusies waren neergelegd, zou de beschikbare pleittijd nog verder worden ingekort. Binnen die tijdspanne — ongeveer de gaartijd van een builtje basmatirijst — moesten het openbaar ministerie, de advocaat én de aangehoudene hun standpunt hebben uiteengezet.
Dat deze mededeling uitsluitend bestemd was voor de toevallige passant die in de betrokken zittingszaal werd verwacht, wekt in de eerste plaats verbazing. Binnen Justitie wordt de laatste jaren immers bewust ingezet op een stipte en heldere informatieverstrekking aan de bevolking.
Een overbelaste rol is onder de Belgische zon helaas geen nieuw verschijnsel. Het voorgeschreven medicijn — een drastische beperking van de behandelingstijd in elke zaak — is dat daarentegen wel. Het ware dan ook aangewezen geweest deze maatregel zorgvuldig te kaderen binnen het ruimere ziektebeeld. Met het ophangen van een droge dienstmededeling laat de Franstalige kamer van inbeschuldigingstelling de kans onbenut om publiekelijk toe te lichten wat de oorzaken van het probleem zijn, welke symptomen zich voordoen en waarom precies voor deze remedie gekozen wordt. Men hoeft bovendien geen hypochonder te zijn om voor besmettingsgevaar elders in het land te vrezen.
Het huidige aantal voorlopige hechtenissen in het Brusselse ressort lijkt moeilijk los te zien van het vervolgingsbeleid dat procureur des Konings Julien MOINIL sinds zijn aantreden in 2025 voert. Dat beleid wordt met verantwoordelijkheidszin verdedigd en gaat steevast gepaard met een oproep aan de Wetstraat 16 om bijkomende middelen.[5]
Ook de magistratuur luidt al jarenlang de alarmbel over de lamentabele toestand van de Belgische justitie. Daarvan getuigen onder meer de actiedagen en een breed gedragen open brief.[6]
Voor iedereen die zich met toewijding inzet voor een rechtvaardige rechtsbedeling, is het dagdagelijks ongetwijfeld de moed bijeenrapen om door te gaan
Deze legitieme noodkreten lijken politiek nog steeds op een koude steen te vallen. In tijden waarin ingrijpende besparingen onafwendbaar worden geacht [7], dreigt Justitie nog minder prioritair te worden. Behalve wanneer een spontane kans (bijvoorbeeld een vonnis) politiek kan worden gekaapt met polariserend (online) gejoel, lijkt Justitie een beleidsdomein waarvan politici zich liefst ver weg houden.
Voor iedereen die zich met toewijding inzet voor een rechtvaardige rechtsbedeling, is het dagdagelijks ongetwijfeld de moed bijeenrapen om door te gaan.
Om de noodzakelijke maatschappelijke voedingsbodem te creëren die ons van het punitieve populisme kan wegleiden, moeten alle actoren binnen Justitie wel zélf overtuigd blijven van de nood tot proactieve communicatie over de chronische aandoening, haar symptomen en haar risico’s, bijvoorbeeld voor de toekomstige kwaliteit van de rechtsbedeling of de veiligheid in de gevangenissen.
Daarnaast kan het niet anders dan dat zij, ook in unfaire werkomstandigheden, de rechtsstaat in al zijn geledingen blijven beschermen. Het gaat niet op om de praktische gevolgen van één maatschappelijke doelstelling — de bestrijding van criminaliteit — in een barstend systeem te willen bezweren door geruisloos te vijlen aan een hoeksteen van onze rechtsstaat: de rechten van verdediging. In dit geval gaat het bovendien om de rechten van een gemarginaliseerde groep, m.n. personen in voorlopige hechtenis. Weliswaar geldt het vermoeden van onschuld, maar in de publieke perceptie lijkt nog steeds de gedachte te overheersen dat de eerste persoon die zonder reden wordt opgesloten, nog geboren moet worden.
België heeft er met recht en reden voor gekozen om de kamer van inbeschuldigingstelling een vorm van effectieve controle op de voorlopige hechtenis toe te kennen. Daaruit vloeit de plicht voort om een daadwerkelijk tegensprekelijk debat met gelijke wapens te organiseren.[8]
Door een kattenbelletje aan een ondergrondse zittingsdeur dreigt dan ook een strijd op het verkeerde toneel en met gemiscaste actoren.
In de eerste plaats is er de aangehoudene. Na weken in de gevangenis en uren wachten in de kelders van het Justitiepaleis, in omstandigheden die nauwelijks te bevatten zijn[9], verneemt hij dat zijn zaak in ijltempo zal worden behandeld — omdat er nu eenmaal nog vele andere zaken op de rol staan. Dat ontneemt hem ieder perspectief.
De advocaat zal zich daarnaast tegen die regeling willen verzetten: de individuele zaak van zijn cliënt kan niet in één zucht worden afgedaan. Tegelijk loopt de zandloper verder en dreigt er wrevel tussen de raadsman en de in tijdsnood verkerende rechter die straks moet beslissen over vrijheid of niet.
Aan de essentie is men op dat ogenblik nog niet eens toegekomen. Redelijkerwijs lijkt het onmogelijk om binnen tien minuten een daadwerkelijk debat te voeren over iets dermate essentieel als iemands vrijheid. Het tweede scenario, met verminderde behandelingstijd ingeval van schriftelijke conclusies, is zo mogelijk nog problematischer. Wanneer van een partij wordt verlangd dat zij mondelinge behandelingstijd prijsgeeft in ruil voor een gemotiveerd antwoord op haar schriftelijke conclusies — waartoe de wet verplicht[10] — wordt met een ogenschijnlijk beperkte ingreep wezenlijk geraakt aan de fundamenten van de procedure.
Het mondelinge debat, met zijn verbale en non-verbale interacties, moet aan de rechterlijke besluitvorming kunnen bijdragen op een wijze die schriftelijke argumentatie niet kan evenaren
Het mondelinge debat, met zijn verbale en non-verbale interacties, moet aan de rechterlijke besluitvorming kunnen bijdragen op een wijze die schriftelijke argumentatie niet kan evenaren.
Dat debat mag gerust achter een gevel die minder een goednieuwsshow moet uitstralen, zolang het vermoeden van onschuld intact blijft en de rechter zich comfortabel genoeg voelt om de tijd te nemen om te luisteren.
Door het recht op woord en wederwoord te kortwieken, ontstaat evenwel de indruk dat het strafdossier en de schriftelijke argumenten op zichzelf volstaan. De mondelinge verdediging wordt zo herleid tot een in te dijken noodzakelijk kwaad. Dat is niet bepaald “Justice must not only be done, it must also be seen to be done.”
In plaats van de symptomen te bestrijden door de rechten van verdediging in te perken, zou resoluut moeten worden gekozen voor een beleid dat zowel het aantal voorlopige hechtenissen als de duur ervan terugdringt, o.m. door tijdig gebruik te maken van alternatieve maatregelen. Daarmee zou België tonen dat het de beginselen uit de gevestigde rechtspraak van het EHRM [11] en de aanbevelingen van de Europese Commissie [12] over het hoogst uitzonderlijke karakter van de voorlopige hechtenis daadwerkelijk uitdraagt.
Ook dringt zich gedegen statistisch onderzoek op naar de oorzaak van het hoger omschreven symptoom. Het gaat dan om vragen naar de inzet van de voorlopige hechtenis, de regionale verschillen, het aantal beroepen, wie appelleert, de uitkomst ervan, enz.
Want als men meet, weet men binnenkort in de Wetstraat misschien weer waarom het Poelaertplein, het Koninklijk Paleis en het Parlement op dezelfde rechte as liggen.


0 reacties