Advocaten Bedrijfsjuristen Fiscalisten Notarissen

Het fiscaal visitatierecht blijft overeind, doch binnen duidelijke grenzen!

Geschreven door Cazimir

Op 12 oktober 2017 sprak het Grondwettelijk Hof zich uit over een prejudiciële vraag. De verwijzende rechter wilde nagaan of de fiscale visitatie, neergeschreven in artikel 319, lid 1 WIB en 63, lid 1 WBTW verenigbaar was met de grondrechten vervat in de artikelen 15 en 22 van de Belgische Grondwet en artikel 8 EVRM.

De verwijzende rechter meent dat het visitatierecht een algemeen, onvoorwaardelijk en onbeperkt recht van vrije toegang tot de beroepslokalen verleent aan fiscale ambtenaren. Op basis van de Belgische rechtspraak desbetreffend (Cassatie 16 december 2003, Cassatie 12 september 2008, Rb. Brussel 17 januari 2012, Rb. Antwerpen 20 december 2013 en Rb. Antwerpen 7 februari 2014) handelden de fiscale ambtenaren inderdaad op deze manier. Niettemin werd deze handelwijze op flink wat kritiek onthaald. Bijgevolg wenst de verwijzende rechter na te gaan of zijn standpunt strijdig was met het recht op de onschendbaarheid van de woning en het recht op een privéleven. Er heerst immers onzekerheid over de precieze draagwijdte van het visitatierecht. Deze vraag had dus geen betrekking op de toegang tot een particuliere woning, noch over het meenemen of kopiëren van stukken.

Het staat vast dat het visitatierecht een inperking vormt op bovenstaande grondrechten. Deze restrictie is geoorloofd indien aan enkele voorwaarden is voldaan. Zo moet de overheidsinmenging vooreerst tegemoet komen aan de formele wettigheidsvereiste, ten tweede moet de maatregel noodzakelijk zijn in een democratische samenleving en ten slotte moet de proportionaliteitsvoorwaarde vervuld te zijn. Het Grondwettelijk Hof oordeelt dat de opgeworpen grondrechten in casu niet werden geschonden door het visitatierecht. Op het eerste gezicht lijkt de fiscus dus aan het langste eind te trekken.

Een goede lezing van het arrest leidt echter tot de vaststelling dat het Grondwettelijk Hof de grenzen van het fiscale visitatierecht duidelijker heeft gesteld.

Zowel wat betreft het recht op toegang tot de bedrijfslokalen als het recht van de administratie om de boeken en bescheiden daar aanwezig te onderzoeken, oordeelt het Hof dat het om een doelgebonden onderzoeksbevoegdheid gaat, welke slechts kan worden aangewend ter controle van de naleving van de fiscale wetgeving en van de regelmatigheid van de ingediende belastingaangifte. Het Hof vervolgt dat in de wettelijke bepalingen bovendien duidelijk wordt gepreciseerd wat het voorwerp, de plaats en het tijdstip van de visitatie betreft.

Daarnaast worden de bevoegdheden van de fiscale ambtenaren ter plaatse ook enigszins afgelijnd. Zo dienen zij in het bezit te zijn van een aanstellingsbewijs, dat na verzoek hierom moet worden voorgelegd. Verder mag de fiscale controle er niet toe leiden dat de belastingplichtige in tussentijd zijn beroepsactiviteit niet verder kan uitoefenen. Tot slot moet ook het beroeps- en briefgeheim van de belastingplichtige gerespecteerd worden.

Om de werkelijke draagwijdte van de fiscale visitatie te bepalen hecht het Hof aandacht aan zowel de wettekst, de parlementaire stukken als een zinvolle interpretatie van de bepaling. Het Hof besluit dat er in hoofde van de belastingplichtige een verplichting tot medewerking bestaat. De uitoefening van het visitatierecht kan per slot van rekening niet afhankelijk zijn van de keuze van de belastingplichtige.

Desalniettemin besluit het Hof dat op grond van deze interpretatie het aan fiscale ambtenaren niet is toegelaten om zich manu militari een toegang tot de bedrijfslokalen te verschaffen. Indien de wetgever dergelijke afdwingbaarheid wilde voorzien, zou dit expliciet in de wettekst zijn opgenomen. En aangezien dit niet het geval is, besluit het Grondwettelijk Hof dat eigenmachtig toegang afdwingen in geval van verzet door de belastingplichtige uit den boze is. De fiscale administratie beschikt bijgevolg niet over een algemeen, onvoorwaardelijk en onbeperkt recht van vrije toegang tot de beroepslokalen.

Wat betekent dit nu concreet voor de praktijk?

Een belastingplichtige kan niet gedwongen worden om de ambtenaren van de fiscale administratie toegang te verschaffen tot zijn beroepslokalen. Indien hij de toegang weigert, kan de fiscale visitatie niet plaatsvinden. Indien men toch besluit de ambtenaren toe te laten, hoeft dit niet meteen een vrijgeleide tot uw computer- en servergegevens te betekenen.

Weet wel dat het weigeren van de toegang tot uw beroepslokalen gevolgen met zich mee kan brengen. De fiscale administratie kan een administratieve boete opleggen, of in bepaalde gevallen zelfs een strafrechtelijke sanctie. Verder vermeldt het Hof dat een ambtshalve aanslag kan worden gevestigd en de procureur des Konings kan worden ingelicht.

Hoewel de fiscale ambtenaren het recht hebben om zich ter plaatse in de beroepslokalen te begeven, oordeelt het Hof dat het geenszins een huiszoeking betreft. De finaliteit van deze fiscale onderzoeksbevoegdheid beperkt zich slechts tot het vaststellen van de belastingschuld. Dit recht is duidelijk begrensd: wat achter slot (en grendel) zit, is verboden terrein voor de belastingambtenaren. Hierbij kan gedacht worden aan afgesloten deuren, kasten en kluizen. Enkel en alleen met toestemming kan een controleur inzage in deze lokalen dan wel boeken of bescheiden verkrijgen. Het is dan ook aan de belastingplichtige om, nu zijn rechten duidelijker zijn afgebakend, op zijn strepen te staan.

Het Hof meent dus dat de fiscale visitatie geen schending van bovenstaande grondrechten uitmaakt. Desalniettemin wordt het visitatierecht, hetgeen mettertijd steeds grotere proporties aannam, opnieuw herleid tot wat de wetgever oorspronkelijk voor ogen had. Wij denken dan ook dat de fiscale administratie slechts een Pyrrusoverwinning behaalde en men met dit arrest de belastingplichtige opnieuw een stok achter de deur geeft.

Cazimir Advocaten

Wenst u op de hoogte te blijven? Volg Cazimir ook op LinkedIn!

Opmerking plaatsen

X