Facebook is voor velen een onmisbaar communicatiemiddel geworden. Het  wordt door een steeds grotere groep mensen dagelijks gebruikt, al zullen jongeren wijzen op de nieuwere en hippere vormen van interactie. Toch zijn de meesten van hen toch aan dit medium verslingerd, wat bij verontruste ouders wel eens voorzichtig als een “verslaving” wordt omschreven.

Sommige internetgebruikers zijn selectief in wie ze als vriend toelaten. Anderen zijn dan weer ongebreideld actief in het richten van vriendschapsverzoeken en reageren bijna automatisch op ieder verzoek. Het aantal facebookvrienden is vaak een soort status en een graadmeter voor de virtuele populariteit. De enige beperking lijkt dan de door Facebook zelf bepaalde technische bovenlimiet van 5000 vrienden. Het zegt natuurlijk wel wat over de aard van die vriendschap. Zeg nu eerlijk, 5000 vrienden staat ver af van stellingen als: “Als je één echte vriend hebt, heb je geluk” zoals Thomas Fuller het ooit mooi omschreef. Het lijkt wel over een ander soort vriendschap te gaan dan wat  er na de magische klik op Facebook ontstaat.

Het mag juristen niet verbazen dat ook de aard van die Facebookvriendschap de inzet kan vormen van een juridisch geschil. Het Hof van Cassatie van Frankrijk heeft er zich recent – op 5 januari 2017 – over gebogen. De feiten die daartoe aanleiding gaven waren interessant. Een advocaat van de balie van Parijs wordt tuchtrechtelijk vervolgd. In Frankrijk vervolgt de Stafhouder en wordt de zaak dan behandeld door de raad van de orde. De vervolgde advocaat legde een verzoek tot wraking neer nadat hij had vastgesteld dat de klager en de stafhouder facebookvriendjes waren van de tuchtrechters (advocaten, lid van de raad van de orde). De vervolgde advocaat vond dat hiermee een schijn van partijdigheid ontstond. Het Hof van beroep moet volgens de in Frankrijk geldende procedure over dit wrakingsverzoek oordelen en stelde dat het begrip “vriend” dat wordt gebuikt om personen aan te duiden die aanvaarden om met iemand anders in contact te komen via sociale media “niet kan worden gelijkgesteld met een ‘vriend’ in de traditionele betekenis van dat woord’. Uit die facebookvriendschap volgt geen bijzondere vriendschap die in het kader van een procedure een schijn van partijdigheid kan doen ontstaan. Die facebookvriendschap is enkel “een bijzondere communicatievorm tussen personen die eenzelfde interesse delen” en dat is iets anders dan “vrienden zijn”. Het Franse Hof van Cassatie heeft die stelling gevalideerd. Dat betekent dus dat voor het hoogste Franse rechtscollege een facebookvriend een vriend kan zijn, maar dat dit evenwel niet betekent dat alle facebookvrienden ook vrienden zijn.

Daarmee wordt een maatschappelijk fenomeen in een moderne context naar mijn aanvoelen correct geëvalueerd. Het betekent ook dat ook rechters (weze het nu beroepsrechters of advocaten die in het kader van tuchtzaken als rechter optreden) recht hebben op hun portie flauwekul, al dan niet leuke mopjes, familiefoto’s in diverse vormen, kiekjes van maaltijdschotels in restaurants, al dan niet verdoken reclameboodschappen, frustraties allerhande, misprijzende bagger en nu en dan links naar diepzinnige beschouwingen over mens en maatschappij. Die virtuele vriendschap is in essentie dus virtueel en staat mijlenver af van de edele betekenis van de innige band die vrienden omringt.

De visie van het Franse Hof van Cassatie oogt in ieder geval realistischer dan bijvoorbeeld de beschouwingen die onze Hoge Raad voor de Justitie maakte in het  jaarverslag 2014. Daar wordt verwezen naar een klacht van een man die na de behandeling van zijn zaak over alimentatievergoeding vaststelde dat de rechter op Facebook bevriend was met de advocaat van zijn ex-vrouw. De Franstalige klachtencommissie van de Hoge Raad onderzocht de zaak en verwees meteen naar artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De klachtencommissie herinnerde eraan dat krachtens de rechtspraak van het Europees Hof en het adagium ‘justice must not only be done it must also be seen to be done’, elke partij de zekerheid moet hebben dat de rechter niet vooringenomen is en geen persoonlijk belang mag hebben. Voor de Hoge Raad heeft de rechter door zijn facebookvriendschap niet meer de nodige onpartijdigheid om de zaak te beoordelen en had de rechter zich in die concrete zaak “onbevoegd” (sic) moeten verklaren, “aangezien zijn relatie met de advocaat van de ex-echtgenote van de klager (bovendien op het sociaal netwerk Facebook openbaar gemaakt) door deze laatste rechtmatig kan worden opgevat als een gebrek aan ‘objectieve’ onpartijdigheid”’.

Die opvatting, werd verwijzing naar de grote rechtsprincipes, lijkt voor juristen aantrekkelijk. Het miskent echter de realiteit van al diegenen die dagelijks facebooken (de activiteit is trouwens zelf al tot werkwoord gepromoveerd). Wie voeling wil houden met de realiteit, doet er dus best aan ook daar nu en dan met een halve blik naar te kijken. Het leert immers veel over wat vele burgers bezighoudt. Het zal dan ook geen toeval zijn dat zoveel politici zich gretig op dit medium hebben gestort. Zouden we dat aan rechters moeten ontzeggen, zodat we hen daarna weer wereldvreemdheid kunnen verwijten?

De uitspraak van het Franse Hof van Cassatie gaf intussen al aanleiding tot interessante beschouwingen. Goede juristen stellen zich de vraag of er bij de “sociale media” geen onderscheid moet worden gemaakt tussen Facebook (waar de vriendschap uitdrukkelijk moet worden aanvaard) en bijvoorbeeld Twitter. Dat debat is zeker nog niet helemaal uitgeput, maar het verdient ook in ons land te worden gevoerd. Hier, in de juridische tijdschriften en elders. En waarom zouden we er niet over kunnen debatteren op Facebook?

Hugo Lamon

Mr. Hugo Lamon is advocaat aan de balie van Limburg en Brussel NL. Hij publiceert over o.m. ondernemingsrecht en deontologie. Hij mengt zich al jaren in het maatschappelijk debat over justitie.

Bekijk alle artikelen

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.