De Grondwet mag dan al het sluitstuk zijn van onze staatsstructuur, het staat vast dat die tekst niet alles vertelt. Er is zelfs geen wet die de bevoegdheid van partijvoorzitters vastlegt, maar toch is iedereen het erover eens dat zij in deze particratie een cruciale rol spelen. In vroegere tijden bewaakten die partijvoorzitters de ideologische lijn en waren zij de mentor voor hun achterban. Die tijden lijken achter ons te liggen, zeker nu die voorzitters steeds meer hijgend op sociale media kokketeren met oneliners. Het kan dan ook niet verbazen dat vorige week een partijvoorzitter aankondigde een “brandmanager” te hebben aangesteld. Die voorzitter herleidt zichzelf dan tot een merk, dat dan weer moet “gemanaged” worden. Dat zegt iets over het zelfbeeld van politici. De manager in kwestie komt overigens niet onbeslagen op het ijs, want hij deed diezelfde job al eerder voor een groot muziekfestival, waarmee toch de indruk ontstaat dat ook politiek entertainment moet zijn, of toch vooral perceptie rond blitse communicatie die jongeren moet aanspreken. Tegen deze achtergrond moet de vraag worden gesteld hoe de rechterlijke macht, en bij uitbreiding justitie als hoeder van onze fundamentele waarden, zich in die communicatielogica moet positioneren. Er is al lang een vraag naar meer duiding over justitie.
Vorige week was er wat deining rond allerhande wrakingsverzoeken in grote strafzaken die daardoor niet uit de startblokken geraken. Ze krijgen veel media-aandacht en de burger verliest zijn vertrouwen in justitie. Vanuit de advocatuur werd hierover genuanceerd gecommuniceerd. De voorzitter van de Orde van Vlaamse Balies wees er in interviews op dat er, in het licht van alle behandelde zaken, maar zelden wrakingsverzoeken worden neergelegd. Hij vertelde ook dat het in zekere mate te voorspellen valt in welke zaken de kans groter is dat er dergelijke verzoeken worden neergelegd. Ik schreef een opiniestuk in Knack, waarbij ik de vergelijking maakte met risicomatchen in het voetbal (“gewraakte justitie? Net als bij de scheidsrechter is vertrouwen in de rechter niet meer vanzelfsprekend”, Knack, 6 februari). In eenzelfde beweging beschreef ik ook het voorstel van de OVB om in die zaken camera’s in de zittingszaal te plaatsen, wat mij de gedachte ontlokte dat dit voorstel neerkomt op – zoals in het voetbal – het installeren van een VAR in de zittingszaal. Ik probeerde verder, in al mijn naïviteit, een breder denkkader aan te bieden:
“Het kadert allicht ook in een breed maatschappelijk fenomeen. De scheidsrechter in het voetbal was vroeger onaantastbaar en iedereen legde zich neer bij zijn onafhankelijk oordeel. De komst van de VAR maakte dat het vertrouwen in de scheidsrechter wat erodeerde. Eenzelfde evolutie zien we bij justitie. De procedureregels zijn gemaakt vanuit de veronderstelling dat we de rechter vertrouwen en zijn onafhankelijkheid en onpartijdigheid het uitgangspunt zijn. Wie daaraan twijfelt moet sterke papieren hebben. Maar, net zoals bij de voetbalscheidsrechter, is dat vermoeden van onvoorwaardelijk vertrouwen niet meer zo vanzelfsprekend. Justitie zal zich daarop moeten organiseren. Dat moet niet door de regels te wijzigen, maar misschien wel door ze beter uit te leggen en in concrete zaken goede praktische en transparante afspraken te maken die vertrouwen wekken.”
Ik kreeg voor deze gedachte een flinke tik op de vingers van de magistratuur. De “woordvoerder van de hoven en rechtbanken van Antwerpen en Limburg” (is dat een synoniem van brandmanager?) nam aanstoot aan mijn bedenking dat het vertrouwen in de rechter niet meer zo vanzelfsprekend is. Hij vindt dat zelfs “feitelijk en juridisch onjuist en uiteindelijk schadelijk” (Luc De Cleir, “wrakingen zijn geen barometer van het wantrouwen in justitie, De Standaard, 8 februari). Echt, ben ik nu een schadelijk sujet wanneer ik vaststel dat rechters – zoals alle anderen die gezagsfuncties bekleden – het moeilijker hebben, zeker in situaties die de burger niet begrijpt?
Alle vergelijkingen lopen natuurlijk in zekere mate mank, maar het beeld van de voetbalscheidsrechter is voor velen helder. De tussenkomst van de VAR was het gevolg van het tanende vertrouwen in het oordeelsvermogen van de scheidsrechter, maar zorgde wel voor een kwaliteitsverbetering in de arbitrage. Het is dus met die positieve ingesteldheid dat ik de vergelijking maak met justitie, maar ik noteer dus dat de magistratuur dat schadelijk vindt en daarvoor mijn excuses.
En natuurlijk is het zo – het kan niet genoeg worden herhaald – dat er weinig wrakingsverzoeken zijn, maar wanneer ze in die mediatieke zaken aan de orde zijn, komt justitie er belabberd uit. Dat kan feitelijk en juridisch onjuist zijn, het is wel die perceptie die blijft hangen. En moet niet iedereen die begaan is met justitie strijden tegen die perceptie? Mag het nog wat met het vuur van de overtuiging?
Hugo Lamon
Lees hier meer columns van meester Hugo Lamon over Justitie.
Op de hoogte blijven van alle nieuwigheden binnen justitie, advocatuur en de juridische en fiscale wereld? Volg Jubel.be op LinkedIn.



0 reacties