Enkele dagen geleden verscheen het laatste nummer van de jaargang 2020 van het Tijdschrift voor Privaatrecht. Volgens aloude traditie rijkelijk laat verschenen, maar ook van de gekende superieure kwaliteit. Het nummer bevat een uitgebreid overzicht van rechtspraak over koop. Voor de oudere lezers waren die overzichten destijds een vertrekpunt bij iedere juridische opzoeking, in tijden waarin het internet en juridische databanken niet bestonden.  Ze blijven ook nu nog een aanrader omdat het ook jongere lezers helpt om niet te verzuipen in de toevloed aan hits bij het zoeken in die juridische databanken en op het internet. De overzichten blijven dus, met hun helikopterzicht, nog steeds een nuttig instrument voor wie inzicht wil verwerven in juridische problemen.

Hetzelfde nummer bevat ook een bijdrage over collaboratief onderhandelen, met de weinig verhullende titel: “Balanceren tussen het failliet van de advocatuur en de hoop op een nieuw positief elan”. De auteur is een vermaarde professor aan de universiteiten van Leuven, Harvard, Tilburg en Lissabon, die naast tal van andere functies ook nog advocaat is. Het tijdschrift heeft een A-ranking en de bijdragen zijn dubbel peer reviewed. Met andere woorden: een topwetenschapper die schrijft in een toptijdschrift. Die bijdrage kan daarom dus niet anders dan als bijzonder gezaghebbend worden gekwalificeerd.

Het artikel concludeert tot het “failliet” van de klassieke advocatuur. Een advocaat die zijn deontologische plicht vervult om een cliënt bij te staan als partijdige raadsman (en die dus oog heeft voor de rechtspositie van de cliënt) zou blijk geven van “morele degeneratie van liegen en bedriegen”. Geheel conform de wetenschappelijke methode verwijst de auteur daarvoor in een voetnoot naar een bron, maar dat blijkt bij nader inzien hijzelf te zijn. Er wordt ook verwezen naar een Amerikaanse studie die zou aantonen dat burgers een beter resultaat bekomen zonder advocaat, maar dat dit  verandert als één van de partijen een advocaat inschakelt.  Daarom nemen alle partijen dan toch maar een advocaat. Het vervolg citeer ik even woordelijk, omdat u anders niet gelooft wat er dan volgt: “Deze Ashenfelter Challenge is een klassiek prisoner’s dillemma. Als ik geen advocaat neem, en de ander wel, dan verlies ik. Beiden weten dat, en dus nemen beiden een advocaat, waardoor ze beiden slechter af zijn. Want als beiden geen advocaat nemen, dan is het resultaat voor iedereen beter”. Einde citaat, voor de duidelijkheid. In het ganse artikel wordt dit vileine wantrouwen geïllustreerd met verwijzingen naar het familierecht. Mag een bescheiden rechtspracticus uit een geheel andere rechtstak hier toch enige tunnelvisie ontwaren?

Het artikel hakt stevig in op de klassieke advocaat, die in een wetenschappelijk jargon wordt weggezet als “zero sum-onderhandelaar” of boudweg een “vechtadvocaat”. Volgens de auteur moet een advocaat de cliënt begeleiden om “de emoties te plaatsen en te verwerken en dan de focus te leggen op de toekomst”. Mag ondergetekende, helaas zelf “erkend” collaboratief advocaat, hierbij toch even de wenkbrauwen fronsen? Is het niet zo dat er zoiets als wetten bestaan, waarmee de wetgever de samenleving wil ordenen? Rechtzoekenden kunnen daar toch juridische rechten uit putten? En mag diezelfde rechtzoekende niet opkomen om die rechten gerespecteerd te zien?  Of het nu om de rechten van een merkhouder gaat, of de opzeggingsvergoeding van een ontslagen personeelslid of nog de onteigeningsvergoeding wanneer de overheid het eigendomsrecht aantast: wat is er mis met de advocaat die een cliënt bijstaat om die rechten op te eisen?

Als die rechten dan toch allemaal niet veel voorstellen, en er enkel moet worden gekeken naar de emoties en hoe daarna samen lekker gezellig met elkaar door het leven wordt gegaan, betekent dat dan niet dat die wet niet deugt en ontstaat dan niet het gevaar dat de sterkste het laken naar zich toe trekt? Zijn juridische “rechten” er niet vooral voor de zwaksten en is het niet de verdomde plicht van de advocaat om al zijn – juridische – talenten in te zetten om die cliënt te geven waarop hij “recht” heeft? Willen sommigen het recht dan afschaffen en advocaten daarom vervangen door psychologen of therapeuten?

Het klinkt bizar te moeten lezen dat wie als advocaat zijn beroep uitoefent als juridische partijdige raadsman geen “ethisch oprechte” advocaat zou zijn. Dat beweren is zonder meer beledigend ten aanzien van de advocatuur. Een dergelijke aanval mag niet onbeantwoord blijven. Het toont, misschien meer dan wat dan ook, wel het failliet van de collaboratieve advocatuur aan.

Hugo LAMON

***

Meer blogposts lezen van Hugo Lamon? Dat kan hier!

Hugo Lamon

Mr. Hugo Lamon is advocaat aan de balie van Limburg en Brussel NL. Hij publiceert over o.m. ondernemingsrecht en deontologie. Hij mengt zich al jaren in het maatschappelijk debat over justitie.

Bekijk alle artikelen

2 reacties

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

  • Ik heb eveneens het laatste nummer van TPR bij de hand genomen, al was het maar om de identiteit van de hoogleraar te achterhalen.

    Toen ook ik deze opleiding van collaboratie onderhandelen volgde, na de ‘gewone’ opleiding bemiddelaar, heb ik me toch even vast gehouden op mijn stoel… Voor alle duidelijkheid, om er niet van af te vallen.
    Wat zal de volgende stap zijn ; advocatuur moet zich bijscholen in psychologie en therapie ?
    Kunnen we wederom opdelen : therapeut in familiale geschillen, therapeut in burenruzies, handelsgeschillen… enzoverder.
    Opleidingen te over.
    Ik ga een opleiding springen volgen, ik spring nog op tafel voor mijn cliënten.
    Erkenning in aanvraag. Punten volgen wel.