De juridische persoonlijkheid vangt aan bij de levende (en levensvatbare) geboorte. Vóór de geboorte heerst er echter onzekerheid over de status en de bescherming van het ongeboren leven: menselijk leven dat zich binnen (in vivo) of buiten (in vitro) het lichaam van een geboren mens ontwikkelt.
Binnen het in België gehanteerde basisonderscheid tussen personen en voorwerpen (en dieren) zou ongeboren menselijk leven moeten worden gekwalificeerd als voorwerp. Deze kwalificatie wringt echter in het licht van de soms verregaande bescherming ervan. Dit gaf aanleiding tot verschillende (rechtsfilosofische) theorieën over de status en bescherming van ongeboren leven,[1] waarmee wordt getracht een oplossing te bieden voor de moeilijke, of minstens oncomfortabele, kwalificatie van ongeboren menselijk leven als voorwerp. Elk van deze theorieën draagt echter bij tot een conflictmodel door de nadruk te leggen ofwel op de bescherming van ongeboren leven, ofwel op de belangen van de zwangere persoon. Het ongeboren leven komt hierdoor tegenover de zwangere persoon te staan, wat leidt tot juridische onzichtbaarheid en onspreekbaarheid van de één dan wel de ander. Dit conflictmodel sluit onvoldoende aan bij de realiteit van de zwangerschap, waarbij een menselijke entiteit zich in en door het lichaam van een mens ontwikkelt tot mens.
Daarom is er nood aan een benadering die dit conflict overstijgt: de vermenselijking van ongeboren leven. Deze vermenselijking verwijst ten eerste naar de kwalificatie van ongeboren leven als stadium in de ontwikkeling van een mens. Het is beschermwaardig vanwege de biologische relatie met de nadien geboren mens en de mensheid in het algemeen. Iedere mens heeft het stadium van ongeboren leven doorgemaakt (het is onderdeel van het menselijk leven of van de menselijke soort in het algemeen) en het kan zich ontwikkelen tot een bepaalde mens (het is een stadium in het leven van een geïndividualiseerde mens). Vermenselijking verwijst ten tweede naar de (groeiende) symbolische waarde als bijna-mens. In het licht van de (toenemende) associatie met de geboren mens, en dan in het bijzonder het geboren kind, komt aan ongeboren leven een zekere waarde toe als symbool van de mens. Die waarde groeit naarmate het zich verder ontwikkelt en ‘menselijker’ wordt. De gelijkenis met en anticipatie van een geboren baby is immers veel sterker bij een foetus van acht maanden dan bij een embryo van acht weken. Vermenselijking heeft ten derde betrekking op de inbedding van ongeboren leven in menselijke relaties. Het is op unieke wijze verbonden met het lichaam van een geboren mens, namelijk de zwangere persoon. Deze unieke verbondenheid moet door het recht worden erkend en beschermd. Het maakt daarnaast deel uit van een bredere gezinscontext. Tussen het ongeboren leven, de ‘ouders’ en de overige gezinsleden kan immers een beschermwaardige relatie ontstaan, waaraan in voorkomend geval bescherming moet toekomen als familieleven in de zin van artikel 8 EVRM.
De benadering leidt tot een fluïde juridische status van ongeboren leven die niet statisch is. De symbolische en de relationele waarde ervan zijn enerzijds afhankelijk van de maatschappelijke en de familiale context en kunnen anderzijds ook wijzigen naargelang de ontwikkeling van het ongeboren leven en de vordering van de zwangerschap. De vermenselijking van ongeboren leven is dan ook geen ‘statusleer’, maar relationeel en contextgericht. Dit staat de consistentie en coherentie van de benadering niet in de weg. De benadering biedt immers duidelijke handvatten die leiden tot een coherente en consistente bescherming van ongeboren menselijk leven in uiteenlopende domeinen, zoals abortus, preventief en repressief ingrijpen bij prenatale schade, medisch begeleide voortplanting, onderzoek op embryo’s en doodgeboorte. Op basis hiervan kunnen dan ook aanbevelingen worden gedaan binnen deze domeinen. Ik licht er in deze bijdrage één toe naar aanleiding van het voorstel op Vlaams niveau om gerechtelijke jeugdhulpverlening uit te breiden naar ongeboren menselijk leven.[2]
De uitbreiding van gerechtelijke jeugdhulpverlening naar ongeboren leven is niet evident in het licht van het recht op eerbiediging van het privé-, familie- en gezinsleven van de ‘ouders’, en in het bijzonder dat van de zwangere persoon. Niettemin is een beperkte uitbreiding mijns inziens mogelijk ter bescherming van het algemeen belang in de bescherming van ongeboren leven als stadium in de ontwikkeling van een mens. De bescherming sluit dan aan bij de legitieme doelstelling van de bescherming van de gezondheid en de goede zeden in de zin van artikel 8, § 2 EVRM. In het licht van het recht op fysieke integriteit van de zwangere persoon mag een uitbreiding van gerechtelijke jeugdhulpverlening naar ongeboren leven niet gepaard gaan met fysieke dwang en moet zij beperkt blijven tot een vorm van ‘opgelegde opvolging’.
Dat voor een beperkte uitbreiding van gerechtelijke jeugdhulpverlening een juridische grondslag kan worden gevonden, betekent nog niet dat een uitbreiding ook wenselijk is. Er werd al vaak, ook vanuit de praktijk, gewezen op het risico dat (de dreiging van) gerechtelijke tussenkomst tijdens de zwangerschap drempelverhogend kan werken en de zwangere persoon ertoe kan brengen iedere vorm van hulpverlening, met inbegrip van prenatale zorg, te mijden. Een dergelijke maatregel zou op die manier een averechts effect hebben, waardoor de gezondheid van de zwangere persoon en die van het ongeboren ‘kind’ net meer onder druk komen te staan. Een doeltreffende bescherming van ongeboren leven wordt dan ook best bereikt door de focus te verschuiven van bescherming tegen de zwangere persoon, naar bescherming in samenhang met de zwangere persoon. Te denken valt aan een sterkere strafrechtelijke bescherming tegen schade of vernietiging door derden. Daarnaast moet ook preventief worden ingezet op de bescherming van ongeboren leven, niet via dwang, maar via een betere omkadering van de zwangerschap in onder meer het arbeids- en socialezekerheidsrecht en in de medische en hulpverleningspraktijk. Dit zijn uiteraard geen ‘quick wins’, maar maatregelen die op een veel fundamentelere manier kunnen bijdragen aan de bescherming van zowel het ongeboren leven, als de zwangere persoon. Hierbij zal het nooit mogelijk zijn om alle schade aan het ongeboren leven of nadien geboren kind te voorkomen. De juridische erkenning van de feitelijke fysieke verbondenheid met de zwangere persoon leidt ertoe dat de overheid in sommige zeer schrijnende gevallen niet zal kunnen ingrijpen ter bescherming van het ongeboren leven. De gevolgen hiervan kunnen uiteraard bijzonder erg zijn. De vraag rijst echter of het alternatief zo mogelijk niet nog erger is, namelijk dat we als samenleving toelaten dat verregaande dwang op zwangere personen deel gaat uitmaken van ons rechtssysteem. Dit houdt immers het risico in dat hiermee één van de fundamenten van dit rechtssysteem wordt ondermijnd, zijnde de algemene en gelijke toekenning van mensenrechten aan alle geboren mensen.
Charlotte Termonia De Mulder, postdoctoraal medewerker Universiteit van Antwerpen.
TERMONIA DE MULDER C., De status en bescherming van ongeboren menselijk leven in het Belgische recht, Doctoraat UAntwerpen, 2026, Wolters Kluwer.
Voetnoten
[1] Bv. de leer van de progressieve rechtsbescherming van LEENEN; Zie LEENEN H. J. J., GEVERS J. K. M. en LEGEMAATE J., Handboek gezondheidsrecht, Deel I Rechten van mensen in de gezondheidszorg, Bohn Stafleu van Loghem, 2007, 140 e.v.
[2] Meest recent: Besl.Vl.Reg. 17 oktober 2025, Conceptnota Transparant, toegankelijk, proactief en geïntegreerd: de jeugdhulp van morgen, VR 25 1710 MED.0398/1, https://www.vlaanderen.be/vlaamse-regering/beslissingen-van-de-vlaamse-regering.





0 reacties