Expertise

De nieuwe bewijsregels: waarheid of recht?

Avatar
Geschreven door Jubel

Gelijk hebben en gelijk krijgen. Het bewijs als scherprechter tussen waarheid en recht. 

Op 1 november 2020 treden de bepalingen in werking van het nieuwe bewijsrecht in burgerlijke zaken, als Boek 8 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek (Wet van 13 april 2019 tot invoering van een Burgerlijk Wetboek en tot invoeging van boek 8 “Bewijs” in dat Wetboek, BS 14 mei 2019). Deze bepalingen zijn uiteraard van cruciaal belang bij de beslechting van geschillen. 

De wetgever beperkt zich niet tot definities, formele aanpassingen en verduidelijkingen maar voert ook aan een aantal belangwekkende innovaties in. De belangrijkste nieuwigheden zijn de volgende:  

  1. Uitbreiding van het vrij bewijs. Het gereglementeerd bewijs wordt niet verlaten maar wordt sterk ingeperkt. Het vrij bewijs is voortaan van toepassing op alle rechtshandelingen met een waarde tot en met 3.500,00 euro. Dit is tevens het geval voor alle éénzijdige rechtshandelingen. Het belang hiervan voor de praktijk mag niet worden onderschat. Dit omvat immers onder meer een aanbod, een aanvaarding, een betaling,…  In lijn met het nieuwe ondernemingsrecht geldt het vrij bewijs voor àlle rechtshandelingen tussen en tegen ondernemingen in de nieuwe betekenis en derhalve ook voor vb. vrije beroepers (zoals voorzien in nieuw artikel 1348bis B.W. in werking sinds 1 november 2018). Het nieuwe bewijsrecht bevestigt de regel dat derden het bewijs van een rechtshandeling steeds met alle middelen mogen bewijzen. Nieuw is dat ook partijen zich kunnen beroepen op het vrij bewijs ten aanzien van deze derden. 
  2. De bewijsstandaard. De regel is dat een redelijke mate van zekerheid moet worden geleverd. Thans wordt evenwel voorzien dat de bewijsstandaard uitzonderlijk kan worden verlaagd tot een overwegende waarschijnlijkheid. Dit is onder andere het geval bij het bewijs van negatieve feiten. De wetgever beslecht hiermee ook de controverse in de (cassatie)rechtspraak over wie het bewijs moet leveren in geval van beweerde miskenning van de informatieplicht door een professional (zoals arts, advocaat of notaris). Dit komt in principe toe aan de bestemmeling van de informatie (patiënt of cliënt) maar in voorkomend geval kan de bewijsstandaard worden verlaagd. 
  3. De verlegging van de bewijslastEr wordt voorzien in een nieuwe veiligheidsklep. In uitzonderlijke gevallen, kan de rechter de bewijslast verleggen indien de toepassing van de normale regels inzake bewijslast tot zeer onbillijke gevolgen zou leiden. Dit kan onder andere het geval zijn indien de tegenpartij het bewijs onmogelijk heeft gemaakt. 

 Het bewijsrecht blijft, zoals voorheen, in essentie van aanvullend recht. Partijen kunnen in principe derhalve bewijsovereenkomsten sluiten of clausules inzake bewijs opnemen in hun overeenkomsten die afwijken van het gemene bewijsrecht. Thans moet daarbij wel rekening worden gehouden met de beperkingen van de contractvrijheid ingevolge de nieuwe wet inzake B2B-verhoudingen (Wet van 4 april 2019 inzake misbruik van economische afhankelijkheid, oneerlijke marktpraktijken en onrechtmatige bedingen in B2B-verhoudingen). 

Inwerkingtreding? 

Het nieuwe bewijsrecht zelf voorziet niet in een overgangsregeling zodat de gemeenrechtelijke overgangsregels gelden. Vanaf 1 november 2020 gelden de nieuwe bewijsregels voor alle feiten en het bewijs ten aanzien van derden, ongeacht wanneer deze feiten plaatsvinden. Voor overeenkomsten geldt dat deze dient te worden bewezen volgens de regels van toepassing op het ogenblik van de contractsluiting. De regels inzake bewijslast worden geacht tot het formeel procesrecht te behoren en zijn derhalve onmiddellijk van toepassing. Of dit ook het geval is voor de regels inzake bewijsstandaard, is betwist. 

 Simon Deryckere 

Advocaat bij Athena Law & Strategy 

Opmerking plaatsen

Uw naam wordt privé weergegeven op de website en is niet zichtbaar voor anderen. Uw e-mailadres wordt opgeslagen maar niet gepubliceerd.