LAMON op woensdag

Mr. Hugo Lamon is advocaat aan de balie van Limburg en Brussel NL.
Hij publiceert over o.m. ondernemingsrecht en deontologie.

Hij mengt zich al jaren in het maatschappelijk debat over justitie.

Ieder jaar wordt er op 20 maart door allerhande magistratenverenigingen actie gevoerd. Dit jaar was dat een dag eerder en virtueel met de actie “L’état de droit, j’y crois” (“Ik geloof in de rechtstaat”). De centrale eis was dit keer “een overheidsdienst die beantwoordt aan de vereisten van de rechtstaat, waarbij niet enkel de cijfers als enige logica gehanteerd worden, maar waar er steeds kwaliteit wordt nagestreefd binnen een redelijke termijn, zodat de rechtzoekende een antwoord krijgt op zijn vragen en zorgen en op die manier het vertrouwen in justitie wordt hersteld.”

In de afgelopen jaren waren er op die actiedag soms verborgen agenda’s, maar dit jaar werd de syndicalistische controverse vermeden en was er een breed gedragen oproep voor de rechtsstaat. Het actiefilmpje dat naar aanleiding van de dag werd gemaakt is viraal verspreid. Het was onderhoudend, maar inhoudelijk van wisselende kwaliteit. Naast anekdotische tussenkomsten van rechters te velde in verpauperde gebouwen, was er ook de tussenkomst op hoog niveau van de President van het Hof van Justitie Koen Lenaerts, die zoals het een eminent topjurist betaamt alles in een breder perspectief plaatste. Ook de bevlogen woorden van de emeritus vicevoorzitter van het Hof voor de Rechten van de Mens Françoise Tulkens waren beklijvend. In een eenvoudige en heldere tussenkomst benadrukte ze dat de rechtsstaat geen juridisch weetje is. Op de vraag waar dat begrip dan wel voor staat analyseerde ze vlijmscherp dat de rechtsstaat de weigering is van willekeur en rechtsmisbruik. Het is tegelijk ook een voorwaarde en een noodzaak; het imperatief van eerbied van het recht en onze vrijheden. Het is “het recht op recht en het recht op de tussenkomst van de rechter”. Het is in deze barre coronatijden met de schier oneindige reeks van ministeriële besluiten wel het gepaste moment om aan die basisprincipes te herinneren.

Voorzitter van de Orde van Vlaamse Balies Peter Callens ging verder in op het thema in zijn veertiendaagse en door velen gesmaakte vrijdagbrief en scheef dat de rechtsstaat “is wat ons afschermt van willekeur, corruptie en machtsmisbruik. De rechtstaat beschermt de burger tegen een overmachtige overheid met instellingen en regels die robuust genoeg zijn om het ordentelijk samenleven in een vrije, democratische maatschappij te waarborgen, en elke burger een kader te bieden waarin hij of zij zich kan ontwikkelen en ontplooien.” Zijn standpunten dwingen gezag af en daarmee plaatst hij zich in de galerij van de spraakmakende OVB-voorzitters zoals Geneviève Boliau (die met haar gedrevenheid aan de basis lag van de oprichting van de Orde) en Edward Janssens (die puin moest ruimen en de interne werking op orde stelde).

Hopelijk zullen de parlementsleden zich al deze beschouwingen over de rechtsstaat nog herinneren wanneer ze zich zullen buigen over de pandemiewet, al moet misschien eerder de hoop worden gekoesterd dat het de redacteurs van de debatfiches zal inspireren.

Het debat over de rechtsstaat leeft ook in juridische geschriften. Onlangs verscheen het nieuwe handboek over contractenrecht van Ignace Claeys en Thijs Thange. In dit vuistdikke boek (een aanrader voor wie nog oog heeft voor de juridische aspecten van contractuele afspraken), wordt vastgesteld dat een voorontwerp van boek V (verbintenissen) van het Nieuw Burgerlijk Wetboek al wordt toegepast door het Hof van Cassatie. De ‘anticipatieve toepassing’ van een tekst die door academici is voorbereid en nog niet door het parlement is goedgekeurd wordt er bekritiseerd. “De verhouding tussen de wetgevende macht en de rechterlijke macht krijgt hier openlijk – een vanuit democratisch oogpunt bekeken – gevaarlijke invulling”. Eric Dirix (die zelf ook afdelingsvoorzitter is in het Hof van Cassatie) liet die kritiek niet over zich heengaan en reageerde in het Rechtskundig Weekblad (nr. 29, 20 maart 2021). In een met vele citaten onderbouwd stuk steunt hij de “rechtsvinding door anticipatie. Hiermee wordt bedoeld dat de rechter bij de uitleg van een wetsbepaling vooruitloopt op de toekomende wetgeving, die dus niet in werking is getreden”. In het artikel wordt erop gewezen dat dit niet nieuw is. De vraag is echter of die houding in de huidige visie over de rechtsstaat niet opnieuw tegen het licht moet worden gehouden. Wanneer rechters nog niet goedgekeurde wetten ‘anticipatief’ gaan toepassen, is dat niet hetzelfde als zeggen dat het parlement er niet toe doet? Misschien moet daar maar eens een breder debat aan worden besteed, dat ruimer gaat dan dikke boeken en commentaren in juridische tijdschriften. Ook dat is in het belang van de rechtsstaat.

Hugo LAMON

***

Meer blogposts lezen van Hugo Lamon? Dat kan hier!

Hugo Lamon

Mr. Hugo Lamon is advocaat aan de balie van Limburg en Brussel NL. Hij publiceert over o.m. ondernemingsrecht en deontologie. Hij mengt zich al jaren in het maatschappelijk debat over justitie.

Bekijk alle artikelen

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.