Aviniti

Als het van de minister van justitie afhangt zal zijn eerste grote hervormingswet nog voor de nationale feestdag wet zijn. Met wat hij consequent de “potpourriwet 1” noemt (er aan toevoegend dat hij er daarna nog drie andere wil laten goedkeuren) hoopt hij op relatief korte tijd zijn ambitieus justitieplan te kunnen realiseren. Het siert Koen Geens in ieder geval dat hij nu zowat in heel Vlaanderen rondtrekt om zijn plannen toe te lichten aan al wie het wil horen en op die manier ook een maatschappelijk draagvlak hoopt te vinden voor de grondige wijzigingen die hij binnen justitie wil doorvoeren. Het valt daarbij op dat de advocaten daar zo stil bij blijven, terwijl de hervormingen toch een grote impact zullen hebben op hun professioneel functioneren en dat overigens ook uitdrukkelijk de bedoeling van de minister is. Zelfs indien de OVB zich bij dit alles gematigd optimistisch noemt, zou ze toch wat meer van zich mogen laten horen en vooral niet wachten tot de wet gestemd is. De potpourriwet 1 zou wel eens op 1 september in werking kunnen treden, zodat het niet verstandig zou zijn om nu de wetgevende initiatieven zomaar te laten voorbijgaan.

Eén van de nieuwigheden die minister wil doorvoeren is de nieuwe regeling voor invordering van onbetwiste vorderingen van ondernemingen. De minister wil dit niet langer via de rechtbank laten lopen en dit grotendeels door de gerechtsdeurwaarders laten afhandelen. De procedures in B2B-relaties zal immers voortaan zonder tussenkomst van de rechter plaatsvinden. De minister zegt wel dat “nu de verweerder naar de rechtbank zal moeten stappen in plaats van de eiser”, omdat er tegen de door de gerechtsdeurwaarder afgeleverde uitvoerbare titel nog verzet mogelijk is bij de rechter, het blijft een feit dat een heel contentieux niet meer bij de rechtbank komt en het dus wel over een grote hervorming gaat.

Het is de gerechtsdeurwaarder die een cruciale (bijna exclusieve) rol zal spelen bij de invordering van de schuld. Voor de minister wordt de rechterlijke macht daarmee ontheven van taken die niets te maken hebben de kerntaak van justitie, “want het gaat hier om onbetwiste schulden”. Voor een aantal advocaten dreigt dit al op heel korte termijn wel belangrijke gevolgen te hebben. Dit zal op advocatenkantoren die zich toeleggen op invorderingen niet enkel voor grote omzetdalingen zorgen, maar ook een heel aantal administratieve medewerkers in die kantoren overbodig maken. Het blijkt op het terrein blijkbaar nog niet tot iedereen te zijn doorgedrongen dat de inleidingszittingen op de rechtbanken van koophandel zeer binnenkort er dan ook helemaal anders zullen uitzien. De advocaat die er naar uitkeek om iedere week met een stapel invorderingsdossiers steeds maar “vonnis bij verstek conform de dagvaarding” te gaan debiteren zal zijn beroepsactiviteiten moeten heroriënteren. Dat die advocaten dat niet leuk vinden is begrijpelijk, maar de vraag naar de meerwaarde van dit soort advocatenhandelingen is tot op heden ook te weinig in vraag gesteld. Toch klonk bij sommigen wel meer fundamentele kritiek. Zij wezen erop dat de rechterlijke controle van vorderingen toch een garantie biedt voor een goede rechtsbedeling. In een van de schaarse persberichten van de OVB werd daarbij ook verwezen naar de meervoudige rol van de gerechtsdeurwaarder: “Zo zal één en dezelfde partij de eis instellen, erover oordelen en ze uitvoeren. Er is geen controle meer door een onafhankelijke en onpartijdige rechter. Eiser en rechter worden één. Dat is ongezien en schaadt onbetwistbaar de rechten van de verdediging en de toegang tot het recht van elke rechtzoekende”.

De minister van justitie zegt niet ongevoelig te zijn voor die kritiek. Hij benadrukt nu dat de procedure slechts door de gerechtsdeurwaarder kan worden opgestart en verder afgehandeld nadat een advocaat hem hiertoe de opdracht heeft gegeven. Hiervoor zou zelfs een nieuw monopolie voor de advocaat worden ingevoerd: het monopolie van de opdracht aan de gerechtsdeurwaarder (herleest u dat nog maar eens goed. Het is geen grap). Het lijkt een zoethoudertje voor de advocaten en mag verbazen dat hierover nog zo weinig lawaai gemaakt is. Zou het niet veel efficiënter, logischer en ook consequenter zijn om bij de invoering van een dergelijk systeem de gerechtsdeurwaarder dan ook als enige verantwoordelijk te maken ? Wat is immers de rol van een advocaat, die als hulpje van de gerechtsdeurwaarder alleen maar aan die laatste mag zeggen dat hij verder alles moet afhandelen? Welke zin heeft die beperkte en wat dwaze tussenkomst van de advocaat? Devalueert dit niet nog meer het beroep van advocaat? Waar blijft de OVB in dit debat?

Hugo Lamon

Mr. Hugo Lamon is advocaat aan de balie van Limburg en Brussel NL. Hij publiceert over o.m. ondernemingsrecht en deontologie. Hij mengt zich al jaren in het maatschappelijk debat over justitie.

Bekijk alle artikelen

2 reacties

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

  • Ik had het niet beter kunnen verwoorden. Het is toch niet voor te stellen dat de advocatuur zich opnieuw wentelt in de pleinvrees zoals deze bestond ten tijde van de nationale orde en dit oorverdovend stilzwijgen een reden was voor de splitsing van deze orde. Alsof er in 15 jaar niets veranderd is.

  • Reeds verschillende jaren werd de verzuchting om wat zuurstof toe te dienen aan onze in ademnood verkerende justitie door een omkering van het contentieux in specifieke dossiers stiefmoederlijk behandeld.
    De rechtsleer én de courante praktijk in verschillende landen van de Europese Gemeenschap én de EG richtlijn 2011/7 waren nochtans eenduidig: een omkering van het contentieux schendt geenszins het principe van artikel 6 EVRM mits de toegang tot de rechter gewaarborgd wordt.
    Samen met u lees ik dat de geviseerde materie geen kerntaak van justitie zou zijn: ik ben zo vrij om deze premisse wat te milderen in de context van het voorgaande.
    Eén formulering in uw tekst moet ik met klem tegenspreken omdat hierdoor een verkeerde perceptie ontstaat: de titel wordt immers niet door de gerechtsdeurwaarder afgeleverd; integendeel het dwangschrift (id est: de titel) wordt uitvoerbaar verklaard door de magistraat na vaststelling van het onbetwist karakter van de schuld en de niet betaling ervan.
    De besproken ‘regeling’ voor invorderingen van onbetwiste schuldvorderingen slaagt in ieder geval in haar examen voor de volgende disciplines:
    – Proceseconomie
    – Efficiëntie
    – Digitalisering
    Ik begrijp ten volle uw vraag om de positionering van de juridische beroepen te verduidelijken en ik voeg hier graag in één adem aan toe dat de eerste aanzet hiertoe best komt uit een gesprek tussen de klassieke actores van justitie, waartoe onze beide beroepsgroepen behoren.

    In het kader van dit noodzakelijk gesprek mag volgens mij niet voorbij gegaan worden aan één specifiek facet van onze amechtige mater justitiae, met name haar ongezonde relatie met pater pecuniae.
    Wij hebben in de wet op de hervorming van de griffierechten het kindje van beiden geschouwd en ik meen begrepen te hebben dat we allebei achter onze oren gekrapt hebben..
    Wat zei Cato de Oudere ook alweer ? Was en bleef hij niet immer dezelfde mening toegedaan ? Niet Carthago maar de onnatuurlijke spreidstand tussen Justitie en Financiën zou best vernietigd worden.

    Ivo Goeyens
    Erevoorzitter Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders
    24.06.2015