De Europese Commissie voor de Efficiëntie van Justitie (CEPEJ) publiceerde richtlijnen over onder meer het opstellen van conclusies. Dat is, toegegeven, geen onderwerp dat spontaan voor opwinding zorgt. Toch is het opmerkelijk hoe een document dat in essentie pleit voor duidelijkheid, structuur en bondigheid, bij lezing zowel instemmend geknik als lichte nervositeit kan oproepen. Niet omdat de richtlijnen verrassend zijn, maar omdat ze confronterend herkenbaar zijn.
De CEPEJ vertrekt van een eenvoudig uitgangspunt: conclusies zijn een communicatiemiddel. Geen eindwerk, geen historisch overzicht van het geschil, en al zeker geen literaire oefening in volharding. De rechter is immers niet alleen een beslisser, maar ook een lezer met beperkte tijd.
Elke advocaat weet dat ‘beknopt’ in de praktijk een relatief begrip is. Wat voor de ene advocaat een kernachtige uiteenzetting is, beschouwt de andere als een gevaarlijk minimalisme
Bondigheid neemt daarin een centrale plaats in. De CEPEJ gebruikt het woord met de ernst van een Europese richtlijn, maar elke advocaat weet dat ‘beknopt’ in de praktijk een relatief begrip is. Wat voor de ene advocaat een kernachtige uiteenzetting is, beschouwt de andere als een gevaarlijk minimalisme. Niet elke advocaat is bovendien bedreven in een scherpzinnige formulering. Toch is de boodschap duidelijk: meer pagina’s betekent niet noodzakelijk meer overtuigingskracht. Vaak betekent het juist een langere weg naar de kern, of helemaal geen kern.
Ook structuur wordt uitdrukkelijk aangemoedigd. Kopjes, duidelijke nummering en een logische opbouw zijn volgens de CEPEJ geen luxe, maar noodzaak. De richtlijnen suggereren dat een rechter niet verplicht kan worden om zich een weg te banen door ellenlange alinea’s waarin feiten, middelen, rechtspraak, rechtsleer en verontwaardiging elkaar inconsistent afwisselen. Wie dit leest, denkt spontaan aan talrijke conclusies die hij of zij al heeft geschreven of gelezen.
Daarnaast vraagt de CEPEJ focus. Enkel de middelen die daadwerkelijk bijdragen tot de beslechting van het geschil, verdienen een plaats. Dat impliceert dat niet elk denkbaar argument, noch elke mogelijke zijweg, moet worden bewandeld, of dat alles moet worden betwist waarmee men het niet eens is. De Latijnse spreuken mogen rusten. De doctrine hoeft niet altijd exhaustief te worden aangehaald. Een argument dat enkel wordt opgenomen “voor alle zekerheid”, blijkt zelden doorslaggevend.
Tot zover de Europese visie. De vraag die onvermijdelijk rijst, is of dit alles meer is dan goedbedoeld normatief proza. Het antwoord lijkt voorzichtig positief, althans wanneer men kijkt naar recente initiatieven dichter bij huis.
Zo loopt er een pilootproject tussen de Franstalige Brusselse Balie en de Franstalige Ondernemingsrechtbank Brussel waarbij syntheseconclusies die beperkt blijven tot tien pagina’s en de door het Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven structuur volgen, als het ware worden ‘beloond’. De voorgeschreven tien pagina’s hebben louter betrekking op de feiten en de middelen. Die beperking is geen doel op zich, maar een middel. Het gevolg is dat conclusies die aan die voorwaarden voldoen, in ‘korte debatten’ kunnen worden behandeld en, in principe, binnen drie maanden kunnen worden gepleit. De beloning vormt geen garantie, maar een ‘best efforts’-verbintenis. Niet slecht.
Dat resultaat is intrigerend. Het suggereert dat minder papier niet leidt tot minder recht. Meer nog: een duidelijke afbakening van wat relevant is, verscherpt het debat en verkort de doorlooptijd aanzienlijk. De tijd die niet wordt besteed aan het lezen van overbodige pagina’s kan worden geïnvesteerd in pleiten en beslissen.
Franstalig Brussel test nu de praktische gevolgen van de CEPEJ-richtlijnen. Waar de CEPEJ het belang van leesbaarheid en to-the-point zijn benadrukt, vertaalt het pilootproject dat in concrete, meetbare normen. De combinatie maakt duidelijk dat efficiëntie en kwaliteit geen tegengestelden zijn, maar hand in hand gaan.
Dat brengt ons bij de praktijk. Sommige advocaten stapelen argumenten uit scherpzinnigheid en voorzichtigheid, anderen schrijven een betoog zonder (juridische) richting, dat meestal extra pagina’s oplevert. De vrees om iets te laten liggen, is eigen aan het vak. Juridische slordigheid is dat niet; die is onverenigbaar met de kern van het advocatenberoep, dat steunt op zorgvuldigheid en vertrouwen (van de klant). De CEPEJ-richtlijnen en het Brusselse pilootproject nodigen uit tot een ongemakkelijke maar nuttige reflectie: is alles wat wordt opgeschreven ook noodzakelijk en duidelijk genoeg om de rechter te overtuigen?
Het Brusselse pilootproject suggereert dat zelfbeperking leidt tot scherpte. Wie tien pagina’s krijgt, moet kiezen
Het Brusselse pilootproject suggereert dat zelfbeperking leidt tot scherpte. Wie tien pagina’s krijgt, moet kiezen. Wie moet kiezen, denkt na. Wie nadenkt over wat juridisch essentieel is, schrijft vaak beter. Dat is geen veroordeling van lange conclusies, maar een uitnodiging om lengte niet als kwaliteitscriterium te beschouwen.
Misschien is dat wel de grootste verdienste van de CEPEJ-richtlijnen: ze herinneren eraan dat concluderen in essentie een communicatieve daad is. Niet gericht op de wederpartij, maar op de rechter, de uiteindelijke lezer en beslisser. Niet om alles te zeggen, maar om het juiste te zeggen. Niet om indruk te maken door volume, maar door helderheid.
Of een gelijkaardig pilootproject ooit zijn weg zal vinden naar andere balies, is open. Misschien is dat ook niet nodig. Het Brusselse project kan bij alle rechtbanken doorwerken zonder formeel kader, want dat is er al: artikel 735, § 2, 1°, Gerechtelijk Wetboek. Het nodigt uit tot een rechtscultuur waarin bondigheid geen toegeving is, maar een vaardigheid, waarin structuur geen dwang is, maar een hulp, en waarin efficiëntie de kwaliteit van het recht versterkt in plaats van bedreigt.
Dat de zaak bovendien in ‘korte debatten’ kan worden behandeld, is geen bijkomstigheid. Het is een kernwaarde. Procederen is niet alleen een zoektocht naar gelijk, maar ook naar tijdig gelijk krijgen. Die zoektocht begint bij de bereidheid om in de eerste conclusie, en zeker in de syntheseconclusie, te kiezen.
Bezin eer u begint te schrijven.
Sofie Naessens, advocate aan de Antwerpse Balie




0 reacties