Gelijkheid is een belangrijke EU-waarde. Het beginsel van non-discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging is neergelegd in het Handvest van de grondrechten van de EU en in het Werkingsverdrag. De Richtlijn Gelijke behandeling op het werk is EU-wetgeving die de “gelijke behandeling ongeacht godsdienst of overtuiging” specifiek in de arbeidscontext wil waarborgen.
Maar wat betekenen die EU-regels in de praktijk? Kunnen lidstaten aan sommige godsdiensten een speciale feestdag op Goede Vrijdag toekennen en aan andere niet? De casus biedt de mogelijkheid na te denken over het gelijkheidsbeginsel en religieuze verscheidenheid. Welke godsdiensten krijgen een betaalde feestdag?
De casus toont ook concreet hoe burgers rechtstreeks EU-rechten en -plichten ontlenen aan EU-regels en illustreert de voorrang van het EU-recht op het nationale recht.[1]
De feiten: Goede Vrijdag is niet voor iedereen een betaalde feestdag
Markus Achatzi is een werknemer bij Cresco Investigation, een detectivebureau in Oostenrijk. Een Oostenrijkse wet bepaalt dat mensen die lid zijn van vier (kleinere) christelijke kerken,[2] een betaalde feestdag krijgen op Goede Vrijdag. Ze moeten dan niet werken, en als ze toch werken, krijgen ze een extra vergoeding (een toeslag boven op hun salaris). De meeste mensen in Oostenrijk zijn ook christen, maar zij horen tot de (veel grotere) rooms-katholieke kerk en krijgen die feestdag niet. Ze moeten gewoon werken en krijgen daarvoor geen extra vergoeding. Hetzelfde geldt voor niet- of andersgelovigen. Ook Markus is geen lid van een van die vier kleine christelijke kerken. Hij krijgt dus geen extra vergoeding voor zijn werk op Goede Vrijdag.
Markus vindt dit niet kunnen en stelt een vordering in tegen zijn werkgever, het detectivebureau Cresco. Hij zegt dat hij gediscrimineerd wordt en eist een extra vergoeding van 109,09 EUR voor zijn werk op Goede Vrijdag.
Na een hele rechtsgang komt de zaak bij de hoogste Oostenrijkse rechter. Die rechter meent dat de extra feestdag die wordt verleend aan de leden van de vier kerken, op het eerste gezicht een ongelijke behandeling op basis van godsdienst vormt. Hij twijfelt echter over een paar punten van EU-recht en besluit daarover vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de EU.

Welke EU-beginselen komen aan bod in dit verhaal?
Ook als lidstaten hun eigen bevoegdheden uitoefenen, zoals in deze zaak, moeten ze het EU-recht respecteren. Het EU-recht bevat belangrijke bepalingen over gelijkheid. Die zijn ook toepasselijk in zuiver interne situaties.
Non-discriminatie
De bepaling in het Handvest van de grondrechten (art. 21,1) is bijzonder krachtig: “Elke discriminatie, met name op grond van geslacht, ras, kleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuigingen, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, is verboden”. Burgers kunnen er zich rechtstreeks op beroepen, niet alleen tegenover de overheid, maar ook tegenover andere burgers, bijvoorbeeld hun werkgever.
Gelijkheid
De Richtlijn Gelijke behandeling op het werk heeft tot doel een algemeen kader te creëren voor de bestrijding van elke vorm van discriminatie op de werkvloer.[3] Iedereen heeft recht op een gelijke behandeling in arbeid en beroep. De Richtlijn concretiseert het algemene discriminatieverbod voor vier verboden gronden van discriminatie:
- godsdienst of overtuiging
- handicap
- leeftijd
- seksuele geaardheid.
De Richtlijn verplicht alle lidstaten om het beginsel van gelijke behandeling via hun wetgeving te beschermen en ongelijkheden af te schaffen. Werk is immers een belangrijke manier om gelijke kansen voor iedereen te waarborgen. Gelijkheid bij de toegang tot werk en op het werk laat toe dat iedereen zich kan ontplooien en kan deelnemen aan het economische, sociale en culturele leven.
De EU treedt hier ook op omdat discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging de verwezenlijking van EU-doelstellingen kan ondermijnen, zoals een hoog niveau van werkgelegenheid en van sociale bescherming, de verbetering van de levensstandaard, een grotere solidariteit, economische en sociale cohesie, en het vrije verkeer van personen.
Het recht op gelijke behandeling ongeacht godsdienst of overtuiging staat ook in vele nationale grondwetten en in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. In de Europese Unie krijgt dat recht echter een bijzondere betekenis. In de EU, die 27 landen opneemt in een open ruimte zonder binnengrenzen, zorgt het ervoor dat landen erop kunnen vertrouwen dat het gelijkheidsbeginsel overal wordt gerespecteerd. Het gaat samen met het EU-beginsel van wederzijds vertrouwen.
In deze zaak heeft Markus dus een EU-recht op gelijke behandeling ongeacht godsdienst of overtuiging.
Welke beperkingen worden in deze casus aan dat EU-recht gesteld?
Is er een onderscheid op grond van godsdienst of overtuiging? Ja. Immers, enkel werknemers die lid zijn van één van de vier kerken krijgen Goede Vrijdag als een feestdag. Als ze toch werken op Goede Vrijdag, dan krijgen ze een extra vergoeding. Voor anderen is Goede Vrijdag een gewone werkdag. Het overgrote deel van de Oostenrijkse bevolking is – zoals Markus – geen lid van die vier kerken en moet gewoon werken op Goede Vrijdag, zónder extra vergoeding. Het verschil in behandeling is rechtstreeks gebaseerd op godsdienst. Het gaat daarom om directe discriminatie.
De Richtlijn Gelijke behandeling op het werk bepaalt dat er directe discriminatie is wanneer iemand rechtstreeks op grond van een verboden grond ongunstiger wordt behandeld dan een ander die zich in een vergelijkbare situatie bevindt.
Is er een vergelijkbare situatie? Volgens Oostenrijk niet: de vier genoemde kerken krijgen Goede Vrijdag als een feestdag omdat de religieuze vieringen op die dag voor hen een bijzonder belang hebben. Het Hof van Justitie oordeelt dat de situatie wel vergelijkbaar is. De Oostenrijkse wet vereist namelijk helemaal niet dat de leden van die kerken op die dag aan religieuze vieringen deelnemen. Alle werknemers die formeel lid zijn van een van de vier kerken en hun werkgever daarover inlichten, krijgen die dag vrij. Ze kunnen die dag dus zelf invullen en bijvoorbeeld rusten of ontspannen. Ze kunnen die dag ook gaan werken en daarvoor dan een extra vergoeding krijgen. De situatie is in dat opzicht vergelijkbaar met die van andere werknemers die op Goede Vrijdag ook rust of ontspanning willen hebben. Daarvoor moeten zij wel een vrije dag opnemen, en als zij gewoon gaan werken, worden ze niet extra vergoed. De Oostenrijkse wet beperkt het EU-recht van Markus op gelijke behandeling ongeacht godsdienst. Door die wet moet Markus gewoon werken op Goede Vrijdag – zonder extra vergoeding – terwijl dat voor anderen die lid zijn van een van deze vier kerken een feestdag is.
Is er een rechtvaardiging voor die beperking in dit verhaal?
Maatregelen die EU–rechten beperken, zijn alleen gerechtvaardigd als
- ze een doelstelling van algemeen belang nastreven (een legitiem doel)
- en als ze ‘evenredig’ zijn tot die doelstelling.
Het Hof oordeelt dat de Oostenrijkse wet over de feestdagen een doelstelling van algemeen belang heeft: de bescherming van de vrijheid van godsdienst. Ze geeft leden van die vier kerken de vrijheid om deel te nemen aan erediensten op Goede Vrijdag.
Het Hof oordeelt echter dat de Oostenrijkse wetgeving over de feestdagen voor de vier kerken niet noodzakelijk is om de vrijheid van godsdienst te beschermen. De wet gaat te ver. Het zijn vaak werkgevers die aan werknemers de toelating geven om aan religieuze vieringen deel te nemen. Werkgevers hebben een zorgplicht t.o.v. hun werknemers.
Besluit: er is directe discriminatie op basis van godsdienst wanneer een nationale wet bepaalt dat Goede Vrijdag een feestdag is voor werknemers die lid zijn van bepaalde christelijke kerken, waarbij alleen die werknemers recht hebben op een extra vrije dag of op vergoeding wanneer ze die dag werken. Dat geldt op basis van de Richtlijn Gelijke behandeling op het werk. Er is geen rechtvaardiging voor zo’n nationale wet, want die is niet noodzakelijk voor de bescherming van de vrijheid van godsdienst.
Vervolg na de beslissing van het Hof van Justitie
Voor Markus en het detectivebureau Cresco
De Oostenrijkse rechter past de interpretatie van het Hof van Justitie toe en schuift de Oostenrijkse wet terzijde. Die wet is strijdig met het EU-gelijkheidsbeginsel en het EU-recht primeert.
Markus moet op Goede Vrijdag vrijaf krijgen. Als hij dat vooraf aan Cresco, zijn werkgever, liet weten, kon die niet weigeren om hem vrijaf te geven. Als hij dan toch moest werken, heeft hij recht op een extra vergoeding. De Oostenrijkse rechter onderzoekt in de feiten of Markus dat vooraf liet weten.
Voor Oostenrijk, voor andere werkgevers en werknemers
Zolang de wettelijke regeling niet in overeenstemming is gebracht met het EU-recht, moet de werkgever aan werknemers die tot geen van de genoemde kerken behoren, het recht op een vrije dag op Goede Vrijdag toekennen. Maar die werknemers moeten vóór die dag aan hun werkgever de wens kenbaar hebben gemaakt om op Goede Vrijdag niet te werken. In dat geval hebben ze ook het recht op een extra vergoeding als ze wel moeten werken. Dat volgt uit het grondrecht van gelijke behandeling ongeacht godsdienst of overtuiging (art. 21 HV).
Het EU-recht op gelijke behandeling leidt dus duidelijk tot een EU-plicht van werkgevers om niet te discrimineren. Door de horizontale rechtstreekse werking leiden EU-rechten van de ene persoon tot EU-plichten voor de andere persoon (niet enkel voor de lidstaten). Niet alleen het recht op gelijke behandeling ongeacht godsdienst of overtuiging heeft zo een rechtstreekse werking, ook het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon (art. 31,2 HV). Deze rechten kunnen particulieren – zoals werknemers – inroepen tegen om het even wie deze rechten schendt – zoals werkgevers.[4]
Voor de andere lidstaten
Andere lidstaten met vergelijkbare regelingen voor religieuze feestdagen doen er goed aan om hun wetgeving te herevalueren. Ze moeten ervoor zorgen dat hun wetgeving geen afbreuk doet aan het EU-beginsel van gelijke behandeling. Iedereen moet naar de rechter kunnen stappen om de bescherming van zijn EU-recht op gelijke behandeling te vragen. Nationale wetten die tegen het EU-gelijkheidsbeginsel ingaan, mogen niet worden toegepast.
Deze tekst is gebaseerd op de casusfiche geschreven door Kris Grimonprez en Willem Theus.
Meer uitleg over deze zaak en andere belangrijke Europese rechtspraak vindt u terug op de website van Case4EU, o.l.v. Kris Grimonprez.





0 reacties