Wie Belgische procedurestukken naar het Frans moet vertalen, werkt in een tweetalig rechtsstelsel. Dat lijkt een voordeel — er bestaat immers al een Franse rechtstaal — maar het is precies wat de valkuilen zo verraderlijk maakt. De vertaling die vlot leest, is niet noodzakelijk de vertaling die een advocaat kan gebruiken. Hieronder vijf fouten die ik in vijfendertig jaar praktijk het vaakst heb zien terugkeren, telkens met de reden waarom ze meer kosten dan ze lijken te kosten.
1. Vonnis en arrest zijn niet hetzelfde woord
De meest voorkomende fout, en de duurste. Beide termen worden vlot met « jugement » vertaald, maar in het Belgische Frans dekken zij verschillende beslissingen: een vonnis is een « jugement », uitgesproken door een rechtbank in eerste aanleg, door de vrederechter of door de politierechtbank; een arrest is een « arrêt », uitgesproken door een hof van beroep, door het Hof van Cassatie, door het Grondwettelijk Hof of door de Raad van State.
Het verschil is niet stilistisch. Wie « arrêt de la cour d’appel » vervangt door « jugement » verplaatst de beslissing één aanleg naar beneden en maakt het stuk onbruikbaar voor wie er termijnen of rechtsmiddelen uit moet afleiden.
Dezelfde waakzaamheid geldt voor de rechters zelf: een rechter is een « juge », maar een raadsheer bij een hof is een « conseiller ». « Juge de la cour d’appel » bestaat niet.
2. De rechtbanken heten sinds 2018 anders
De hervorming van 2018 heeft de rechtbank van koophandel vervangen door de ondernemingsrechtbank, in het Frans « tribunal de l’entreprise » in plaats van « tribunal de commerce ». Vertalers die op oudere woordenlijsten of op vertaalgeheugens van vóór die datum steunen, produceren jaren later nog stukken met een rechtbank die niet meer bestaat.
Het probleem is structureel: een vertaalgeheugen beloont herhaling en straft actualisering. Wie met TM’s werkt, moet de benamingen van instellingen periodiek tegen de actuele wetgeving toetsen — niet tegen wat het geheugen voorstelt.
Andere benamingen die geen improvisatie verdragen: vrederechter = « juge de paix », politierechtbank = « tribunal de police », arbeidsrechtbank = « tribunal du travail », arbeidsauditeur = « auditeur du travail », procureur des Konings = « procureur du Roi », gerechtsdeurwaarder = « huissier de justice », griffier = « greffier ».

3. De partijen veranderen van naam in hoger beroep
In eerste aanleg staan eiser en verweerder tegenover elkaar: « demandeur » en « défendeur ». In hoger beroep worden dat appellant en geïntimeerde: « appelant » en « intimé ». Bij het Hof van Cassatie: eiser in cassatie en verweerder in cassatie, « demandeur » en « défendeur en cassation ».
Wie in een beroepsakte « demandeur » schrijft waar « appelant » hoort te staan, laat de lezer twijfelen over de procedurele stand van het dossier. In een stuk dat aan een rechter wordt voorgelegd, is die twijfel een gebrek.
Let ook op de stukken zelf: conclusies zijn « conclusions » — niet « mémoire », niet « plaidoirie ». De syntheseconclusies, die de vorige besluiten vervangen, zijn « conclusions de synthèse ». Een dagvaarding is in het Belgische Frans een « citation »; een verzoekschrift is een « requête ». De twee zijn geen synoniemen: zij bepalen hoe de zaak aanhangig is gemaakt.
4. Belgisch Frans is geen Frans Frans
Dit is de valkuil waar buitenlandse vertaalbureaus het vaakst in trappen, meestal met de beste bedoelingen: zij laten het stuk nalezen door een Franse moedertaalspreker uit Frankrijk, die de Belgische termen « corrigeert » naar wat hij kent.
Een dagvaarding wordt in Frankrijk « assignation » genoemd, in België « citation ». De rechtsplegingsvergoeding — de forfaitaire tegemoetkoming in de kosten van de advocaat van de winnende partij — heet in het Belgische Frans « indemnité de procédure » en heeft in het Franse recht geen equivalent; wie haar naar « article 700 » vertaalt, verplaatst het dossier naar een ander rechtsstelsel. Het Gerechtelijk Wetboek is « le Code judiciaire », afgekort « C. jud. », niet « le Code de procédure civile ».
De regel is eenvoudig en zelden toegepast: de doeltaal van een Belgisch procedurestuk is het Belgische Frans, en de kwaliteitscontrole hoort door iemand te gebeuren die dat rechtsstelsel kent, niet enkel de taal.
5. De Franse tekst bestaat al — u mag hem niet zelf maken
Dit is het punt dat alles wat voorafgaat overbodig zou maken indien het systematisch werd toegepast.
De Belgische wetgeving wordt in het Nederlands en het Frans bekendgemaakt, en beide versies zijn authentiek. Voor een wetsartikel, een uittreksel uit een wetboek of een bepaling die in een procedurestuk wordt aangehaald, is er dus niets te vertalen: de officiële Franse tekst bestaat, en de opdracht bestaat erin hem op te zoeken en over te nemen.
Wie hem herschrijft — hoe correct ook — levert een tekst af die van de wet afwijkt. Voor de advocaat die er een middel op bouwt, is dat geen nuance. Hetzelfde geldt voor de rechtspraak die in het Belgisch Staatsblad of in de officiële verzamelingen is gepubliceerd, en voor de Europese wetgeving, waarvan alle taalversies via EUR-Lex beschikbaar zijn.
In mijn eigen werkwijze is dit geen extra stap maar de kern van de opdracht: elke aangehaalde wettelijke verwijzing wordt tegen haar officiële gepubliceerde versie gecontroleerd, en de lijst van die controles wordt bij de levering gevoegd. Het is de enige kwaliteitsbelofte die de klant zelf kan natrekken.
Tot slot
Deze vijf valkuilen hebben één ding gemeen: geen enkele ervan wordt door een spellingcontrole, een vertaalgeheugen of een taalmodel opgemerkt. Zij zijn alle vijf onzichtbaar voor wie de taal beheerst maar het rechtsstelsel niet.
Dat is precies waarom juridische vertaling een vak apart blijft — en waarom de vraag die u aan een vertaler moet stellen niet luidt « spreekt u Nederlands », maar « kent u het Gerechtelijk Wetboek ».
Philippe Lognoul — By Saro, Crans-près-Céligny (Zwitserland)
En de valkuilen voor wie van Frans naar Nederlands vertaalt? Daar laat de auteur zijn licht over schijnen in zijn artikel “Cinq pièges de traduction qui se paient en droit”


0 reacties