Wat mij mateloos stoort in de manier waarop de aanspraken van Donald Trump over Groenland worden besproken, is de hardnekkige reductie van het probleem tot een louter geopolitieke kwestie. In de commentaren overheerst de bezorgdheid over strategische belangen, grootmachtspolitiek en de mogelijke gevolgen voor de NAVO. Alsof het hier in essentie zou gaan om een schaakzet op het wereldbord en niet om een fundamentele aantasting van een van de kernbeginselen van het internationaal recht: het recht van volkeren op zelfbeschikking.
Dat zwijgen is onthullend. Het verraadt hoe selectief en instrumenteel dat beginsel vandaag nog wordt toegepast, vooral wanneer het botst met belangen van machtige staten.
De uitspraken van Trump over het ‘verwerven’ van Groenland, hebben iets ongemakkelijk vertrouwds. Niet omdat territoriale ambities in de internationale politiek ongezien zouden zijn, niet omdat we een dergelijk discours al eerder hebben gehoord bijvoorbeeld in de jaren dertig van de vorige eeuw, maar omdat ze zo achteloos worden geformuleerd, losgezongen van elke erkenning van de bevolking die er leeft. Groenland verschijnt in dat discours niet als een samenleving met een eigen geschiedenis, cultuur en politieke aspiraties, maar als een stuk land, rijk aan grondstoffen en strategisch gelegen. De Inuit-bevolking, de interne debatten over autonomie en onafhankelijkheid en de bestaande constitutionele verhouding tot Denemarken verdwijnen volledig uit beeld. Dat is niet alleen problematisch, het is juridisch en normatief onaanvaardbaar.
Het recht op zelfbeschikking is geen modieuze slogan, maar een hoeksteen van het naoorlogse internationale rechtsorde. Verankerd in het VN-Handvest en verder uitgewerkt in tal van verdragen en resoluties, werd het principe ontwikkeld als antwoord op kolonialisme en imperiale overheersing. Het houdt in dat volkeren vrij hun politieke status mogen bepalen en vrij hun economische, sociale en culturele ontwikkeling mogen nastreven. In theorie geldt dat recht universeel. In de praktijk blijkt het echter vaak afhankelijk van geopolitieke opportuniteit. Waar het past in een strategisch narratief, wordt het luid verdedigd. Waar het stoort, wordt het geruisloos genegeerd.
Dat mechanisme is pijnlijk zichtbaar in de manier waarop over Groenland wordt gesproken. Europese beleidsmakers reageren vooral verontwaardigd omdat de uitspraken van Trump diplomatiek ongepast zouden zijn of omdat ze de cohesie binnen de NAVO onder druk zetten. Commentatoren analyseren de mogelijke verschuivingen in het Arctische machtsevenwicht en de implicaties voor China, Rusland en de Verenigde Staten. Zelden, of nooit, wordt expliciet gesteld dat het simpelweg niet aan de orde is om over de ‘aankoop’ of ‘annexatie’ van een territorium te spreken zonder de instemming van de bevolking die er woont. Alsof dat juridisch en moreel vanzelfsprekend zou zijn en dus geen vermelding behoeft. Maar net dat stilzwijgen is gevaarlijk, omdat het de indruk wekt dat zelfbeschikking een bijkomstige overweging is, geen fundamentele rechtsnorm.
Misschien zouden onze beleidsmakers en opiniemakers er goed aan doen om Philippe Sands te lezen, en meer bepaald zijn boek De laatste kolonie. Sands beschrijft daarin de geschiedenis van Diego Garcia, een eiland in de Indische Oceaan dat door het Verenigd Koninkrijk werd losgemaakt van Mauritius, waarna de volledige lokale bevolking werd gedeporteerd om plaats te maken voor een militaire basis, die vervolgens aan de Verenigde Staten werd verhuurd. Het verhaal is juridisch complex, historisch onthutsend en moreel confronterend. Maar vooral toont het hoe hardnekkig koloniale reflexen blijven voortleven, zelfs in een tijdperk dat zichzelf graag als postkoloniaal beschouwt.
De parallellen tussen Diego Garcia en Groenland zijn treffend. In beide gevallen gaat het om een strategisch gelegen gebied dat van groot militair belang is voor een grootmacht. In beide gevallen wordt de lokale bevolking gereduceerd tot een voetnoot in een groter strategisch verhaal. En in beide gevallen wordt het recht op zelfbeschikking formeel erkend, maar materieel uitgehold. Bij Diego Garcia gebeurde dat door de bevolking eenvoudigweg te verwijderen. Bij Groenland dreigt het door het politieke debat te herleiden tot een kwestie tussen staten, waarbij de inwoners enkel object, nooit subject zijn.
Wat Sands scherp blootlegt, is hoe juridisch taalgebruik en institutionele procedures kunnen worden ingezet om onrecht te normaliseren. In het geval van Diego Garcia werd de deportatie van de Chagossianen jarenlang voorgesteld als een administratieve herschikking, juridisch correct onderbouwd, strategisch noodzakelijk. Pas decennia later, na procedures voor internationale hoven en een moeizaam herwonnen historische erkenning, werd duidelijk hoe flagrant het recht op zelfbeschikking was geschonden. Die geschiedenis zou ons wantrouwig moeten maken tegenover elk discours dat territoriale claims legitimeert zonder expliciete en centrale plaats voor de betrokken bevolking.
Ook Groenland bevindt zich in een delicate overgangsfase. De autonomie is de afgelopen jaren uitgebreid en binnen de Groenlandse samenleving leeft een ernstig debat over verdere onafhankelijkheid. Dat proces is complex, traag en intern soms verdeeld, maar het is precies wat zelfbeschikking betekent: het recht om die vragen zelf te stellen, in eigen tempo, zonder externe druk. Wanneer een buitenlandse leider publiekelijk suggereert dat Groenland kan worden ‘overgenomen’, ondermijnt dat niet alleen dat proces, maar ook de internationale norm die dergelijke processen zou moeten beschermen.

Het argument dat Trumps uitspraken niet ernstig bedoeld zijn of dat ze louter retorisch zijn, mist de kern. Het probleem is niet enkel wat er feitelijk gebeurt, maar wat denkbaar en bespreekbaar wordt gemaakt. Door territoriale acquisitie opnieuw te framen als een legitieme optie, zelfs hypothetisch, wordt een normverschuiving ingezet. En door daartegenover vooral strategische en diplomatieke bezwaren te formuleren en geen principiële juridische, wordt impliciet aanvaard dat zelfbeschikking onderhandelbaar is.
Dat is des te problematischer omdat westerse staten zichzelf graag presenteren als hoeders van de internationale rechtsorde. Wanneer zij selectief zwijgen over schendingen van zelfbeschikking door bondgenoten, ondergraven zij hun eigen geloofwaardigheid. Het maakt het moeilijker om elders principiële standpunten in te nemen en voedt het cynisme dat internationaal recht slechts geldt voor wie het zich kan veroorloven.
De les van Diego Garcia is dat onrecht dat vandaag wordt weggemoffeld achter strategische rationaliteit, morgen kan uitmonden in langdurige juridische en morele aansprakelijkheid. De geschiedenis heeft een hardnekkig geheugen, zeker wanneer zij wordt vastgelegd in rechtspraak, archieven en getuigenissen. Groenland verdient beter dan te worden herleid tot een pion in een geopolitiek spel. Het verdient erkenning als gemeenschap met rechten, met een stem die niet optioneel is, maar doorslaggevend.
Wie vandaag over Groenland spreekt zonder het recht op zelfbeschikking expliciet te benoemen, herhaalt – bewust of onbewust – een oud patroon. Het is het patroon dat kolonialisme mogelijk maakte, dat Diego Garcia ontvolkte en dat nog steeds doorwerkt in hedendaagse machtsverhoudingen. De bijdrage van Philippe Sands is precies daarom zo relevant: zij herinnert ons eraan dat internationaal recht niet alleen gaat over staten en strategie, maar over mensen, geschiedenis en verantwoordelijkheid. Wie dat vergeet, riskeert niet alleen juridische blindheid, maar ook moreel falen.
Anders dan Petra De Sutter kan ik mij niet meer herinneren wie ooit de woorden heeft uitgesproken dat kolonialisme neerkomt op de verkrachting van een volk door een ander volk. De identiteit van de auteur is uiteindelijk van ondergeschikt belang. Het citaat ontleent zijn gezag niet aan een naam, maar aan zijn onmiskenbare juistheid. Het drukt in één zin uit wat kolonialisme wezenlijk is wanneer men alle juridische rationalisaties en strategische omwegen wegdenkt: een geweldpleging die de autonomie, de waardigheid en de stem van een volk ontneemt.
Wat wij vandaag zien gebeuren in het discours over Groenland, is geen onschuldige geopolitieke provocatie, maar de aanranding van een volk in juridische zin: het expliciet en herhaaldelijk in vraag stellen van zijn recht om zelf over zijn toekomst te beslissen. Dat die aanranding voorlopig verbaal blijft, maakt haar niet onschuldig. In het internationaal recht is normalisering vaak de eerste stap naar feitelijkheid. Wanneer zulke uitspraken onbeantwoord blijven, wanneer zij uitsluitend worden beantwoord met strategische of diplomatieke bezwaren en niet met een ondubbelzinnige bevestiging van het recht op zelfbeschikking, dan verschuift de grens van het aanvaardbare.
Indien wij toelaten dat die aanranding uitgroeit tot een daadwerkelijke ontkenning van zelfbeschikking — of erger, tot een politieke realiteit opgelegd door macht — dan is onze verantwoordelijkheid niet marginaal maar verpletterend. Wie zwijgt wanneer een volk wordt herleid tot object van onderhandeling, participeert in het onrecht dat daaruit voortvloeit. De geschiedenis van Diego Garcia leert dat passiviteit geen neutraliteit is, maar medeplichtigheid.
Deze bijdrage vertolkt uitsluitend de persoonlijke opinie van de auteur.



0 reacties