Rulingcommissie oordeelt eerste maal over hervormd auteursrechtregime cover

10 okt 2023 | Tax & Private equity

Rulingcommissie oordeelt eerste maal over hervormd auteursrechtregime

Door Tiberghien

Recente vacatures

Jurist
bestuursrecht internationaal recht Omgevingsrecht Publiek recht sociaal recht
Brussel
Advocaat
Ondernemingsrecht
3 - 7 jaar
Limburg
Paralegal
Vastgoed
0 - 3 jaar
West-Vlaanderen
Uitgever
3 - 7 jaar
Antwerpen

Aankomende events

Is de forfaitaire vergoeding die een schrijver van fiscale artikels voor publicatie in een vaktijdschrift ontvangt volledig een roerend inkomen uit auteursrechten? In voorafgaande beslissing nr. 2023.0437 van 25 juli 2023 spreekt de Dienst Voorafgaande beslissingen zich voor het eerst uit over de toepassing van het hervormde wettelijke kader voor de belasting van inkomsten uit auteursrechten. De inzet daarbij is voornamelijk of de overdracht van de auteursrechten op de artikels aan het tijdschrift al dan niet gepaard gaat met een geleverde prestatie.

Inkomsten uit de overdracht van of licentieverlening op auteursrechten vallen in beginsel onder een bijzonder belastingregime. Dit regime houdt in dat dergelijke inkomsten, onder bepaalde voorwaarden, worden aangemerkt als een roerend inkomen dat afzonderlijk wordt belast aan 15% (na aftrek van werkelijke of forfaitaire kosten). Voor zover de auteursrechtvergoeding onder bepaalde wettelijke drempels blijft, kan zij niet aangemerkt worden als beroepsinkomen en is de kwalificatie als roerend inkomen dus onweerlegbaar.

De Programmawet van 26 december 2022 heeft het wettelijke kader van het bijzondere belastingregime grondig hervormd: het materiële en personele toepassingsgebied is gewijzigd en er zijn nieuwe financiële drempels toegevoegd.

In voorafgaande beslissing nr. 2023.0437 wenst een schrijver van fiscale artikels die geregeld worden gepubliceerd in een Belgisch vaktijdschrift bevestiging dat zijn vergoedingen (forfaitair, per gepubliceerde pagina) voor de overdracht van de auteursrechten op zijn werken integraal als een roerend inkomen uit auteursrechten kunnen worden aangemerkt. De DVB onderzoekt daarbij het materiële en personele toepassingsgebied van het bijzondere belastingregime, en de toepasselijkheid van de financiële drempels.

Materieel en personeel toepassingsgebied hervormd auteursrechtenregime

De rulingcommissie herhaalt de voorwaarden waaraan een royalty moet voldoen opdat het een auteursrechtvergoeding zou zijn die in aanmerking komt voor het bijzondere belastingregime:

  1. Er moet sprake zijn van originele werken van letterkunde of kunst zoals bedoeld in artikel XI.165 WER, beschermd door het auteursrecht bedoeld in boek XI, titel 5 WER;
  2. De belastingplichtige-oorspronkelijke rechthebbende moet de auteursrechten overdragen of in licentie geven;
  3. De overdracht of licentieverlening moet gebeuren met het oog op de exploitatie of het daadwerkelijk gebruik door de verkrijger, de licentiehouder of een derde;
  4. De belastingplichtige die niet over een kunstwerkattest beschikt, moet voormelde rechten overdragen of in licentie geven aan een derde voor mededeling aan het publiek, voor openbare uitvoering of opvoering, of voor reproductie.

De DVB bevestigt dat de fiscale artikels originele werken van letterkunde of kunst zijn en dat de overdracht gebeurt met het oog op de uitgave of exploitatie van de rechten. Verder wordt op basis van de auteursovereenkomst vastgesteld dat de artikelen in het vaktijdschrift aan een breed publiek worden aangeboden.

Het inkomen valt dus onder het materiële en personele toepassingsgebied van het bijzondere belastingregime.

Financiële drempels

Auteursrechtvergoedingen worden slechts onweerlegbaar als een roerend inkomen gekwalificeerd voor zover zij bepaalde drempels niet overschrijden. Sinds de inwerkingtreding van de Programmawet moet rekening worden gehouden met drie drempels:

  1. Een absolute drempel van het gemiddelde van de vier vorige belastbare tijdperken;
  2. Een relatieve drempel van 30% van de totale vergoeding;
  3. Een absolute drempel van 37.500 EUR (te indexeren bedrag).

In de voorafgaande beslissing gaat de rulingcommissie uitgebreid in op de relatieve beperking.

De relatieve drempel geldt enkel indien de overdracht van of licentieverlening op de rechten gepaard gaat met een geleverde prestatie. Wat een “geleverde prestatie” fiscaal gezien precies inhoudt, wordt niet gedefinieerd. Volgens de parlementaire voorbereiding zal dit “hoogstwaarschijnlijk” zijn in gevallen waar de auteur werkt ‘onder het gezag’ of ‘in opdracht’ van de uitgever. Indien dat het geval is, geldt het vermoeden van rechtswege dat het om roerende inkomsten gaat slechts als en in de mate dat het onderdeel ‘auteursrecht’ niet hoger is dan een bepaald percentage van de totale vergoeding. Met name 50% in 2023, 40% in 2024 en 30% vanaf 2025.

De relatieve drempel geldt dan weer niet als de overdracht of licentieverlening niet gepaard gaat met een geleverde prestatie. De drempel is evenmin van toepassing wanneer de auteursrechtvergoedingen “naderhand worden verkregen, losstaand van de initiële vergoeding die ook een vergoeding voor de geleverde prestatie omvat”.

Volgens de voorafgaande beslissing blijkt uit de aanvraag dat de schrijver inkomsten uit auteursrechten zal verwerven “buiten het kader van de beroepsactiviteit van de verkrijger en dus niet ‘onder het gezag’ of ‘in opdracht van’ de uitgever werkt”. De DVB is dan ook van oordeel dat in casu de overdracht van of het verlenen van een licentie op de rechten niet gepaard gaat met een geleverde prestatie, waardoor de relatieve drempel geen toepassing vindt.

De rulingcommissie concludeert dat de vergoedingen die de schrijver ontvangt voor de ingeleverde artikels integraal kunnen worden beschouwd als een roerend inkomen uit auteursrechten dat tegen een afzonderlijk tarief van 15% (na kostenaftrek) belastbaar is. Zij voegt hier nog aan toe dat dit geldt “indien en in zover” de absolute jaarlijkse drempel en de absolute drempel voor de vier vorige belastbare tijdperken niet worden overschreden.

Het valt op dat de rulingcommissie doorheen de volledige voorafgaande beslissing sterk steunt op de voorbereidende werken van de Programmawet van 26 december 2022. Bij (voorlopig) gebrek aan verdere administratieve richtlijnen van de FOD Financiën, lijken de memorie van toelichting en de verklaringen van de minister in de eerste en tweede lezing van het wetsontwerp dus een belangrijke rol te spelen voor het verkrijgen van een ruling.

Daan Buylaert & Gauthier Vandenbossche

Tiberghien

Recente vacatures

Jurist
bestuursrecht internationaal recht Omgevingsrecht Publiek recht sociaal recht
Brussel
Advocaat
Ondernemingsrecht
3 - 7 jaar
Limburg
Paralegal
Vastgoed
0 - 3 jaar
West-Vlaanderen
Uitgever
3 - 7 jaar
Antwerpen

Aankomende events

Blijf op de hoogte

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

0 Reacties

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.