Knowlex juridische kennisdeling
Advocaten Balies Nieuws Studenten

Moeten universiteiten advocaten opleiden?

Geschreven door Jubel

Enkele beschouwingen over de rechtenopleiding naar aanleiding van mr. Hugo Lamons artikel “Universiteiten leiden geen advocaten meer op” (22 november 2017)

Moet de universiteit haar studenten tot advocaten opleiden? Mr. Hugo Lamon, bestuurder en woordvoerder van de Orde van Vlaamse Balies, meent van wel in zijn recente artikel “Universiteiten leiden geen advocaten meer op”. Hij bekritiseert dat de universiteiten nauwelijks aandacht geven aan “zakelijke vaardigheden” zoals kantoormanagement en de digitalisering. De universiteiten stellen, in zijn woorden, “dat ze algemeen gevormde juristen moeten blijven opleiden en zijn van oordeel dat de verminderde inzetbaarheid in de praktijk hun probleem niet is”, waarmee hij het niet eens is. Hij zou liever meer aandacht voor zakelijke vaardigheden hebben en een diepgaande hervorming van de rechtenopleiding met een vierjarig algemeen traject en dan een bijkomend éénjarig professionaliserend traject. Dit noopt tot enkele beknopte beschouwingen over de rechtenopleiding in Vlaanderen en ruimer België, vanuit een meer academisch perspectief.

De waarde van de algemene universitaire opleiding

Voor wie leidt de universiteit juristen op? Het ‘afnemend veld’ is wel wat groter dan enkel de advocatuur: er is ook de magistratuur, de bedrijfswereld, het notariaat, de administratie, de universiteit zelf en ik vergeet er nog wel wat. De rechtenopleiding moet al die groepen bedienen, niet enkel de advocaten. De noden van al die beroepsgroepen lopen uiteen. Een rechter moet voornamelijk de (juridische) waarheid kunnen distilleren uit de tegensprekelijke of zelfs eenzijdige beweringen van partijen; een advocaat moet onder meer een overtuigende conclusie kunnen schrijven alsmede wervende pleidooien en debatten kunnen houden; een bedrijfsjurist moet begrijpelijk communiceren met de andere delen van zijn bedrijf en hierbij weerstand kunnen bieden aan bedrijfseconomische overwegingen die nopen tot het negeren van de wetgeving in naam van de winst. Juristen moeten bovendien oog hebben voor de ruimere context van het recht, wat toch enkele noties van bv. geschiedenis en economie noodzaakt. Het algemeen vormende karakter van de huidige rechtenopleiding is overigens een belangrijk pluspunt voor talrijke studenten.

De universiteit moet dus op zoek naar de grootste gemene deler van haar ‘afnemend veld’, en dat is in de eerste plaats het autonoom kunnen werken over juridische vraagstukken, inclusief vraagstukken die geen hapklaar antwoord hebben gekregen in de hoorcolleges of de handboeken. Juristen moeten dus een rechtsvraag kunnen distilleren uit de feiten en wenselijke uitkomsten, de relevante rechtsbronnen kunnen opzoeken, verwerken en in een begrijpelijke tekst de oplossing neerschrijven. Is dit alles? Hoogstwaarschijnlijk niet. Er zijn ook de communicatieve vaardigheden op juridisch vlak: mondeling en schriftelijk rapporteren, debatteren. Ook dit komt – bij de ene rechtenfaculteit al meer dan bij de andere – aan bod. Persoonlijk denk ik dat het nuttig zou zijn mochten juristen nog meer algemene communicatieve vaardigheden aanleren, vergelijkbaar met wat reeds in de opleiding geneeskunde bestaat. Een groot deel van de juridische beroepsgroepen komt in aanraking met personen die een probleem (bv. een conflict) hebben, weinig rationeel handelen of in hun geschil het onderspit delven. Juristen moeten in staat zijn om die problemen ter sprake te brengen en om slecht nieuws te brengen – en ook om slechte reacties te kunnen opvangen. Sommige aspecten hiervan komen al aan bod in opleidingen bemiddelen en onderhandelen, maar ‘omgaan met cliënten’ (waarbij cliënten zeer ruim te nemen is) blijft mogelijk nog onderbelicht.

Ik betwijfel dat het recht en zijn context echt goed aangeleerd kunnen worden op minder dan 5 jaar, ervan uitgaande dat het ‘generatiestudenten’ betreft (studenten die reeds aan de universiteit of de hogeschool een opleiding hebben voltooid, zijn een andere kwestie). Om kritisch te kunnen denken over iets, moet men een voldoende achtergrond hebben. Of hoe denkt u anders te beseffen dat een sterk tegenargument verzwegen wordt? Het recht is een omvangrijk systeem met een ruime context, zodat men toch al een aantal jaren nodig heeft om een goede achtergrond erin te krijgen. En dat is nog maar de voorbereiding op het echte juridische werk: het autonoom werken over juridische vraagstukken. Daartoe moet men toch ook een zwaar leerproces doorlopen, in het bijzonder door een voldoende groot aantal hierop gerichte opdrachten – in essentie verhandelingen van wisselende grootte en met diverse doelstellingen (academisch onderzoek, opstellen van gedingstukken,…) – te maken. Daarbij komen nog de stages gedurende de rechtenopleiding zelf. Dit alles vergt tijd.

Enkele mogelijke verbeteringen van de rechtenopleiding

De lezer denkt nu misschien dat ik mr. Lamons opvattingen geheel verwerp, maar dat gaat te ver. Niet alles is koek en ei – of kwestie van beperkte verfijning – in de rechtenopleiding. Ik deel bijvoorbeeld de bezorgdheid van mr. Lamon over de kennis van afstuderende studenten over vakken die al wat langer geleden gevolgd zijn (hij noemt de procedureregels als voorbeeld). Maar als we dat willen oplossen, gaan we een ruimere plaats aan geheugentraining moeten geven in het onderwijs (ook in het lager en middelbaar onderwijs). Er bestaan ondertussen computerprogramma’s waarin men vragen-en-antwoorden-paren kan invoeren die dan periodiek (op het ogenblik van het grootste nut) worden overvraagd (ik denk aan Mnemosyne en SuperMemo, dat echter – enkele jaren gelden althans – niet zo betrouwbaar was; de website van SuperMemo bevat heel wat belangwekkende informatie over het geheugen en het formuleren van kennis). Deze programma’s zijn veel effectiever dan de thans meest gebruikte studietechniek: het inkleuren van de cursus (ik overdrijf nauwelijks) en het herhaaldelijk opnieuw lezen hiervan tijdens de bloktijd en voor het examen. Ze vereisen echter veel tijd tijdens de lesperiodes (men moet de leerstof in vragen en antwoorden omzetten) en veel zelfdiscipline (idealiter dagelijks overlopen van de vragen die het programma dan stelt, alhoewel men wel zonder problemen occasioneel een dag kan overslaan).

Een ander pijnpunt is de talenkennis van studenten. Ik heb gestudeerd aan beide kanten van de taalgrens (Antwerpen en Namen). Telkens is me opgevallen dat zeer veel studenten enorme problemen hebben met de andere landstaal, zelfs als men het over louter passieve kennis heeft, ook al worden er nu reeds verplichte taalopleidingen georganiseerd door de universiteiten. Nochtans is kennis van de andere landstaal belangrijk. Ook de kennis van het Engels is belangrijk. Ik vraag me dan ook af of het niet wenselijk zou zijn om de rechtenopleiding structureel meertalig te maken: vakken worden dan gegeven in het Nederlands, Frans of Engels. Nederlands en Frans kunnen gebruikt worden voor de ‘Belgische’ en algemene vakken; Engels kan voor (sommige) internationale vakken (bv. Europees recht) gebruikt worden.

Er is dus alleszins nog ruimte voor verbetering in de rechtenopleiding. Dat heeft mr. Lamon goed opgemerkt. Moge deze bijdrage enkele pistes voor die verbetering aangereikt hebben.

Dr. Johan Van de Voorde

Postdoctoraal onderzoeker Universiteit Antwerpen, Onderzoeksgroep Persoon en Vermogen (de auteur schrijft deze bijdrage in eigen naam)

 

Opmerking plaatsen

X