Die vraag krijg ik bijna wekelijks van geïnterneerden. Als advocaat gespecialiseerd in het interneringscontentieux ben ik er intussen aan gewend, maar wennen aan het antwoord lukt me niet. Want juridisch gezien heeft mijn cliënt gelijk. En toch verandert dat niets aan zijn situatie.
Wie zijn “de geïnterneerden”?
Over “de geïnterneerden” verschijnen met de regelmaat van de klok krantenartikels, maar zelden wordt duidelijk over wie het precies gaat. Nochtans is net dat de kern van het probleem. Wie echt met deze mensen in gesprek gaat, wie luistert naar hun verhaal en naar de reden waarom ze vastzitten, merkt al snel: het gaat maar zelden om extreem gevaarlijke individuen die een hoogbeveiligde omgeving nodig hebben.
De meesten zitten om een andere, veel banalere reden in de gevangenis: er is voor hen simpelweg nog geen plek gevonden in het Belgische zorglandschap. Wachtlijsten bij psychiatrische voorzieningen, uitsluitingscriteria, een eerste zitting voor de Kamer voor de Bescherming van de Maatschappij die maar niet komt, of een ambulant traject dat vastloopt op de zoektocht naar een woonst – want mensen met een interneringsstatuut zijn nu eenmaal geen graag geziene huurders – of op de eindeloze wachtlijst voor een sociale woning, een thuisbegeleidingsdienst, een psychiater.
Met andere woorden: wie geïnterneerd is en toch in de gevangenis belandt, is meestal niet het gevaar voor de maatschappij waarvoor men hem aanziet, maar veeleer het slachtoffer van een zorglandschap dat niet volgt.
Wat de wet belooft
Nochtans is dat exact wat de wetgever wilde vermijden. Internering, zo schrijft de wet, dient een dubbel doel: de maatschappij beschermen, maar evenzeer zorg bieden op maat van de geïnterneerden, met het oog op zijn re-integratie. Een menswaardig leven, dat is het uitgangspunt. Alleen, in een gevangenis is dat uitgangspunt een illusie. Een cel is geen zorginstelling, hoe graag sommigen dat ook zouden willen.
De te lange wachttijd in de gevangenis
Bij de uitspraak van een interneringsmaatregel wordt meteen ook beslist of de betrokkene, in afwachting van zijn eerste zitting voor de KBM, in de gevangenis moet blijven. Voor sommigen is er een keuze: naar huis, of een opname. Voor velen is dat er niet, waardoor ze deze wachttijd in detentie moeten doorbrengen.
Nochtans is het net op dat moment, bij de uitspraak zelf, dat de rechter kan ingrijpen. Rechters die een interneringsmaatregel uitspreken, moeten durven nadenken over alternatieven. Hoewel deze niet altijd ideaal zijn, zijn ze vaak wel beter dan de gevangenis. Toch krijgt de bescherming van de maatschappij op dat moment vaak voorrang op zorg op maat, waardoor voorgestelde trajecten regelmatig worden geweigerd om vervolgens, maanden later, wanneer diezelfde trajecten aan de KBM worden voorgelegd, alsnog goedgekeurd en opgestart te worden. Absurd, uiteraard: iemand moet eerst maandenlang in detentie aftakelen, terwijl een passend alternatief al die tijd voorhanden was.
Die maanden zijn dan ook geen uitzondering, maar eerder de regel. Volgens de wet moet de eerste zitting van de KBM uiterlijk drie maanden na het definitief worden van de interneringsbeslissing plaatsvinden. Wat daarbij vaak uit het oog wordt verloren, is dat op het overschrijden van die termijn geen enkele sanctie staat. In sommige rechtsgebieden, verstikt door een overvloed aan dossiers, wordt die termijn dan ook stelselmatig met maanden overschreden – niet met dagen, met maanden. Zo belanden mensen voor lange tijd op een plek waar ze volgens de wet, en volgens elke internationale en nationale mensenrechteninstantie die zich ooit over België heeft gebogen, niet thuishoren. Ons land werd daarvoor al herhaaldelijk veroordeeld.
Detentieschade en de onmogelijkheid om op maat van de geïnterneerden te werken
Dat detentie een niet te onderschatten impact heeft op deze kwetsbare individuen, hoeft uiteraard geen betoog. Als buitenstaander is het haast onmogelijk een realistisch en concreet beeld te krijgen van welke impact opsluiting met zich meebrengt. Bepaalde klachten lijken eerder banaal, maar alles samengenomen brengen ze een niet te onderschatten schade met zich mee. Geïnterneerden krijgen andere medicatie voorgeschreven dan ze gewoon zijn, de psychiaters zijn overbevraagd en de zorgwerking binnen de gevangenis, bedoeld om geïnterneerden op maat te begeleiden, bereikt lang niet iedereen die er recht op heeft: er zijn simpelweg te veel geïnterneerden en te weinig zorgpersoneel om iedereen te bereiken.
Ook in de cel is er vaak weinig ruimte voor rust. In bepaalde gevangenissen worden geïnterneerden samen op cel geplaatst met gedetineerden, personen die een andere taal spreken, medegeïnterneerden met een compleet andere en soms zeer zware problematiek en zelfs grondslapers.
De overbevolking en het personeels- en middelentekort maken het onmogelijk om op maat te werken en net de groep die dat het hardst nodig heeft, lijdt daar het meest onder. Dat vertaalt zich onder meer in een oververtegenwoordiging van geïnterneerden bij tuchtzittingen. De detentieomstandigheden doen de geestestoestand van velen verslechteren, wat op zijn beurt leidt tot meer overlast, meer discussies, meer overprikkeling. Daarnaast begrijpen veel geïnterneerden het huishoudelijk reglement niet, waardoor ze zonder kwade wil toch overtredingen begaan. Er is simpelweg geen tijd of ruimte om dat reglement op hun maat toe te lichten. Iedereen wordt geacht mee te draaien in het penitentiair systeem, ongeacht capaciteiten of onderliggende problematiek.
Wie, vaak net door zijn geestestoestand, voor overlast zorgt, wordt via een veiligheidsmaatregel of tuchtsanctie nog verder geïsoleerd: uitsluiting van gemeenschappelijke activiteiten, plaatsing in strafcellen of individuele cellen, bezoek achter glas. Eenzaamheid en verveling verbeteren een psychische toestand echter zelden. Precies op het moment dat nabijheid en opvolging het hardst nodig zijn, worden ze ontnomen, niet uit kwade wil, maar bij gebrek aan mogelijkheden binnen een overbevolkt en onderbemand systeem.
De groep die niemand meer hoort
Niet elke geïnterneerde is mondig of aanwezig genoeg om zich te laten opmerken. Een niet te onderschatten groep sluit zich volledig af: alleen op cel, geen wandeling, geen werk, geen opvolging door de zorgequipe, geen bezoek. Dag na dag, alleen op cel, met alle ruimte voor een psychiatrische aandoening om ongestoord te woekeren. Contact met de psychosociale dienst wordt vaak geweigerd, waardoor een geschikt vervolgtraject zoeken zo goed als onmogelijk wordt. De enige uitweg blijft dan uiteindelijk een plaatsing in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC), maar ook daar zijn de wachtlijsten inmiddels torenhoog. Zo verblijven precies de meest kwetsbaren soms jarenlang in de gevangenis. En net voor hen is de stap naar re-integratie het grootst: elke extra dag in detentie doet het contact met de buitenwereld verder vervagen en bemoeilijkt een terugkeer in de maatschappij. Soms tot het punt waarop wat bij aanvang van de detentie nog mogelijk leek, uiteindelijk nooit meer gerealiseerd wordt.
Cijfers die de verkeerde kant op gaan
Verandering? Die blijft uit. De FPC’s in Gent en Antwerpen zorgden even voor wat ademruimte, maar het aantal geïnterneerden in de gevangenis klimt intussen weer naar recordhoogtes. De problematiek is bij alle actoren binnen justitie en politiek gekend, ze haalt bijna wekelijks de pers en toch blijft een structurele aanpak uit. Jaar na jaar groeit het aantal geïnterneerden in de gevangenis verder aan.
Veelzeggend, en tegelijk beschamend, is dat de Belgische Staat intussen bijna automatisch een minnelijke schadevergoeding aanbiedt aan wie te lang in de gevangenis wacht op zorg. Op eenvoudig verzoek. Alsof het een vaste kost is geworden. Daarmee erkent de Staat uitdrukkelijk dat ze stelselmatig in de fout gaat. Maar een schadevergoeding lost niets op: geld compenseert niet het leed van een wachtperiode zonder aangepaste zorg, in overbevolkte gevangenissen met gebrekkige medische opvolging, overvolle cellen, een totaal gebrek aan zinvolle daginvulling en povere hygiënische omstandigheden. Het is dan ook geen verrassing dat velen er sterk op achteruitgaan, en tegen de tijd dat er eindelijk een geschikt zorgtraject wordt gevonden, nog maar een schim zijn van wie ze bij binnenkomst waren.
De wet zegt dat internering geen straf is, maar een zorgmaatregel. De praktijk zegt het tegenovergestelde. Zolang het zorglandschap onvoldoende afgestemd blijft op de noden van de grote groep geïnterneerden in detentie, blijft mijn antwoord op die ene vraag hetzelfde als altijd: nee, u mag hier eigenlijk niet zitten. Maar u zit er wel.
Maud Decavel, advocaat bij Van Hende Advocaten


0 reacties