Opiniemakers

Op deze pagina komen diverse eminente juristen aan het woord. Vanuit hun professionele ervaring, als magistraat, advocaat, academicus, ... kijken ze met een eigenzinnige blik naar de juridische actualiteit.

De standpunten en opinies vertolkt in de bijdragen die onder de naam 'Opiniemakers' verschijnen, binden enkel de auteur van de bijdrage zelf en vertegenwoordigen niet noodzakelijk de mening van Jubel, de Jubel-redactie of KnopsPublishing.

Bent u geïnteresseerd om opiniestukken te publiceren via Jubel.be? Contacteer de Jubel-redactie

Dat sommige Belgische en Europese politici weinig afweten van het fiscaal recht en meer bepaald van de fiscale geschiedenis kan hen moeilijk ten kwade geduid worden. Zij zijn niet de enigen. Ook economen bevinden zich soms in die toestand. Maar dit gegeven beïnvloedt wel het debat inzake overwinstheffingen, schrijft auteur Dirk Deschrijver.

Waar gaat het om? Overwinstheffingen kunnen zowel inkomstenbelastingen als (uitzonderlijk) productiebelastingen zijn. Net zoals bij alle andere belastingen gaat het om quotisatiebelastingen (een belasting waarbij het aandeel van iedere belastingplichtige wettelijk is vastgelegd) of repartitiebelastingen. Bij die laatste veel minder voorkomende belastingvorm is de opbrengst vooraf door de overheid op een vast bedrag bepaald en wordt deze dan naar zekere maatstaven over de individuele belastingschuldigen verdeeld. Dergelijke belastingen speelden in het verleden een belangrijke rol, zo in Engeland reeds in 1645, later in de Verenigde Staten en in Duitsland, en tevens nog in Nederland tijdens de bezettingsjaren.

Overwinstheffingen in het verleden

Overwinstheffingen zijn ook al oud. Zo werd tijdens de Amerikaanse burgeroorlog (1861-1865) een ‘excess profits tax’ ingevoerd door het Confederate Congress en de staat Georgia als een reactie op de volkswoede gericht tegen oorlogsprofiteurs. Zo kocht de financier John Pierpont Morgan, Jr., 5.000 defecte geweren van de Noordelijke Staten (de Unie) voor 3,50 dollar per stuk en verkocht deze aan de Zuidelijke Staten (de Confederatie) voor 22 dollar per stuk. Ook Rhett Butler uit het boek Gone With The Wind van de hand van Margaret Mitchell (in de film vertolkt door Clark Gable) was een ‘war profiteer’.

Naast de Verenigde Staten introduceerden tal van andere landen tijdens de Eerste Wereldoorlog overwinstheffingen in de vorm van inkomsten- en quotisatiebelastingen, zoals Australië, Canada, Duitsland, Frankrijk, Italië, Litouwen, Nederland, Nieuw-Zeeland, Paraguay, Peru, Roemenië, Spanje, het Verenigd Koninkrijk, Zuid-Afrika en Zweden. Ook in de jaren dertig, tijdens de Tweede Wereldoorlog (met zelfs een viertal van zulke heffingen onder president Franklin D. Roosevelt) en tot aan de Koreaanse crisis van 1952 kwamen zulke heffingen in de Verenigde Staten nog tot stand.

Tot in 1980 bestond in België ook een traditie van overwinstheffingen: van oorlogsheffingen tot conjunctuurheffingen.

In België bestond tot in 1980 een traditie van overwinstheffingen. Het ging om een zevental oorlogs- en conjunctuurheffingen, welke reeks begon met de wet van 3 maart 1919 houdende een heffing op uitzonderlijke oorlogswinst aan tarieven van 20% tot 80% en eindigde met een wet van 8 augustus 1980 die nog een heffing op de uitzonderlijke winst van grote ondernemingen uiteindelijk aan een tarief van 8,5% invoerde (de SOL II). Sindsdien werd door de Belgische wetgever van dat instrument geen gebruik meer gemaakt.

De fiscale geschiedenis leert ons dat deze overwinstheffingen in de regel naar een aanzienlijke juridische complexiteit neigen.

Bij de sluiting van de kerncentrales in 2003 zou de wetgever wel nog overgaan tot een taxatie van de daaruit voortvloeiende overwinst (de ‘nucleaire rente’) in hoofde van de kernexploitanten door middel van het heffen van een productie- en ook repartitiebelasting, namelijk de ‘repartitiebijdrage’. Hier kwam ook de “Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas” (CREG) in beeld voor het bepalen van het bedrag van die belasting. De Belastingdienst verantwoordelijk voor de heffing en invordering van de inkomstenbelastingen kreeg hier geen rol toebedeeld. Die repartitiebijdrage deed ook denken aan de ‘Crude Oil Windfall Profit Tax’ welke wet ondertekend werd door president Jimmy Carter op 2 april 1980. Het ging eveneens om een productiebelasting, namelijk een stelsel van accijnzen op inlandse olieproductie. Deze heffing hield het echter maar acht jaar uit, gelet ook afnemende opbrengsten door de sterk dalende olieprijzen… En ook nu blijkt het enthousiasme van de Amerikaanse wetgever voor de invoering van zulke productiebelasting niet erg groot te zijn. De democratische senatoren Sheldon Whitehouse en Elisabeth Warren slaagden er namelijk niet in een dergelijke heffing op inlandse olieproductie te laten opnemen in de door president Joe Biden op 18 augustus 2022 ondertekende ‘Inflation Reduction Act’.

Een aanzienlijke juridische complexiteit

De fiscale geschiedenis leert ons dat – hoewel dikwijls goed bedoeld – zulke heffingen in de regel een aanzienlijke juridische complexiteit vertoonden. Morele, ideologische en ook symbolische elementen droegen daar ook toe bij.

Zo kende bijvoorbeeld tijdens de Korea-crisis de wet van 24 juli 1952 met een “bijbelasting op uitzonderlijke gedeelten van bepaalde inkomsten van de jaren 1951 en 1952” (tijdens de Korea-crisis) een vijftal definities van forfaitaire overwinst. Het was de fiscale administratie die voor de belastingplichtigen de keuze maakte welke overwinst van toepassing was…

Dat er sinds 1952 in de Verenigde Staten geen overwinstheffingen in de zin van inkomstenbelastingen nog werden uitgevaardigd – ook niet in de Covid-19 periode – , was ook niet vreemd aan het gegeven van de complexiteit van een overwinstheffing. Inzake bijzondere en tijdelijke heffingen zijn ook buitenlandse inkomsten in de regel moeilijk te vatten. Zo had de wetgever op 15 oktober 1945 een buitengewone en tijdelijke heffing aan een tarief van 100% op de winst voortvloeiend uit leveringen en prestaties aan de vijand ingevoerd, ook ten aanzien van niet-inwoners. De latere heffing en invordering daarvan ten aanzien van genoemde personen bleef echter een vrome wens. De opstellers van de wet van 15 oktober 1945 hadden ook te kampen met een ook nu nog altijd actuele vraag wie juist de belastingplichtigen (zijnde toen de collaborateurs en hun handlangers) voor de toepassing van die heffing waren. De wetteksten op dit punt leken eerder op een doolhof. Ook voor een actuele overwinstheffing op energie- en andere bedrijven blijft dit probleem actueel. Waar bevinden zich namelijk de overwinsten? Welke ‘transfer pricing’-problemen verschuilen zich mogelijk nog in de coulissen?

Minder opbrengst dan voorzien

Bijzondere en tijdelijke heffingen bleken ook nooit een ware panacee. Een schrijnend voorbeeld was een andere buitengewone en tijdelijke heffing voorzien in de wet van 14 juni 1937, welke een speciale en uitzonderlijke belasting had ingevoerd op winsten uit zekere valutaspeculaties ter gelegenheid van de devaluatie van de Belgische frank in 1935. De Belgische socialistische partij verwachtte een opbrengst van 1 miljard BEF. Minister van Financiën Hendrik de Man hield het eerder op een bedrag van ca. 200 miljoen BEF. De werkelijke opbrengst kwam uit op niet meer dan ca. 85 miljoen BEF. Dat bijvoorbeeld de eerste overwinstheffing in België (de wet van 3 maart 1919) al meteen veel minder had opgebracht dan was voorzien, was door de wetgever in 1937 al vergeten. Morele, ideologische en ook symbolische motieven hadden de wetgever te zeer beïnvloed.

Dat de eerste overwinstheffing in België (de wet van 3 maart 1919) veel minder had opgebracht dan was voorzien, was door de wetgever in 1937 al vergeten.

Lessen getrokken uit het verleden?

Na bijna dertig jaar ervaring met overwinstheffingen schreef de Amerikaanse econoom Harold M. Groves in 1943: “Certain institutions though irreproachable as to ends are discredited by clumsy means; they are right and valid by definition but the definition will not stand the test of application. The excess profits tax belongs to this order.” Heden ten dage blijven de Belgische en Europese wetgevers echter bij voortduring Oost-Indisch doof voor dergelijke boodschappen. Er is ook de verlokkende roep van de financiële sirenen… zoals blijkt uit de recente gebeurtenissen.

Heden ten dage blijven de Belgische en Europese wetgevers echter bij voortduring Oost-Indisch doof voor dergelijke boodschappen. Er is ook de verlokkende roep van de financiële sirenen… zoals blijkt uit de recente gebeurtenissen.

Het model van de overwinstheffingen in de zin van inkomsten- en quotisatiebelastingen, werd namelijk al opnieuw tevoorschijn gehaald door de politieke partijen PVDA-PTB en Vooruit tijdens de Covid-19- en de energiecrisis (Voor een kritiek hierop, zie Naar een overwinstbelasting?). Dood recht werd plots weer tot leven gewekt. Maar van een werkelijke doorbraak kon gesproken worden op 1 september 2022, wanneer de federale regering besliste dat overwinsten in de energiesector zouden moeten terugvloeien naar de consument door middel van een ‘repartitiebijdrage’, naar het voorbeeld van de nucleaire rente op de kerncentrales van Electrabel (Engie), waarbij nu alle energiespelers met een vergunning in België, die onder de controle vallen van een van de regulatoren, zulke bijdrage aan een tarief van 38% zouden moeten betalen, behalve dan de tankstations. Op zich was dit al een vreemde keuze, daar een overwinstheffing, zijnde een productie- en repartitiebelasting, toch moeilijk de typische rol van een conjunctuurheffing kan vervullen.

Op 30 september 2022 werd door Europese Raad een ontwerp van verordening goedgekeurd “betreffende een noodinterventie in verband met de hoge energieprijzen”.

Vooreerst wordt in dat ontwerp in het kader van de organisatie van de elektriciteitsmarkt voorzien in een plafonnering van marktinkomsten op maximaal 180 euro per MWh geproduceerde elektriciteit en een verdeling van het surplus aan inkomsten over eindafnemers. Het gaat dan onder meer om elektriciteit uit bronnen zoals windenergie, maar ook kernenergie en zelfs bruinkool. De lidstaten moeten dat surplus aan inkomsten op een gerichte wijze besteden aan de financiering van maatregelen ten gevolge van de hoge elektriciteitsprijzen voor de eindafnemers van elektriciteit. Het gaat hier bij nader toezien niet om een overwinstheffing, en evenmin om een productiebelasting in die zin, maar eerder om een maatregel inzake prijsbeleid. Echter in plaats van het opleggen van een in geldbedrag of in percentages uitgedrukte prijsvermindering, zoals onder meer werd voorzien in de Belgische besluitwet inzake prijzen van 14 mei 1946, moet een deel van de prijs aan de overheid worden betaald. Hoe is niet duidelijk.

Verder werd door de Europese Raad een “tijdelijke solidariteitsbijdrage” voorzien op het “surplus aan inkomsten uit activiteiten in de olie-, gas-, kolen- en raffinaderij sectoren”. Het betreft een inkomsten- en quotisatiebelasting. Deze belasting wordt berekend als de belastbare winst, zoals bepaald volgens de nationale belastingregels voor de inkomstenjaren 2022 en/of 2023, boven een toename van 20 % van de gemiddelde belastbare winst, zoals bepaald volgens de nationale belastingregels, van de drie boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2019. Indien het gemiddelde jaarresultaat in de periode van drie boekjaren die op of na 1 januari 2018 aanvangen negatief is, bedraagt de gemiddelde belastbare winst voor de berekening van de tijdelijke solidariteitsbijdrage nul. Het tarief moet ten minste 33% bedragen. De nationale invoering van zulke “pur sang”-overwinstheffing wordt in het ontwerp verplicht gesteld vóór 31 december 2022, tenzij er al een equivalente nationale maatregel zou zijn afgekondigd.

In het kielzog van de Europese Raad nam de federale regering op 2 oktober 2022 kennis van een wetsontwerp vanwege de minister van Energie Tinne Van Der Straeten. Daarin stonden in wezen twee zaken.

Vooreerst de invoering van een inkomstenplafond voor de elektriciteitssector boven 130 euro per MWh geproduceerde elektriciteit, aldus nog strenger zijnde dan de Europese Raad. Blijkbaar is de piste van een verruiming van de nucleaire rente hiermee ook verlaten. Dus is er van een productie- en repartitiebijdrage geen sprake meer. Zeer verwonderlijk is het wel dat de minister hier ook spreekt van een overwinstheffing. Quod non, zoals kon blijken. En indien het conceptueel daar wel zou om gaan, dan betreft het zulke heffing aan een tarief van 100% op de brutowinst. Zelfs de door de wet van 15 oktober 1945 ingevoerde speciale belasting op de winst voortvloeiend uit leveringen en prestaties aan de vijand werd in beginsel geheven op een nettowinst, ook al waren bepaalde uitgaven niet aftrekbaar. Het lijkt wel dat de minister hier totaal is losgeslagen. Deze maatregel zou in 2022 en 2023 een bedrag van 3,5 miljard euro moeten opbrengen.

Verder zou voor het jaareinde een solidariteitsbijdrage ten aanzien van de oliesector wettelijk tot stand moeten komen. Deze heffing zou een bedrag van 1,2 miljard euro moeten opbrengen. Men kan aannemen dat het tarief hier ook tenminste zou liggen op 33%. De federale regering zich dus voor het eerst sinds 1980 wenden tot een inkomsten- en quotisatiebelasting weliswaar aan een hoger tarief dan de SOL II. De wetgever zal hier wel een risico lopen. Overwinstheffingen waren in het verleden in beginsel niet aan een bepaalde sector gebonden. Zij sloegen in beginsel op alle ondernemingen, ook al was de SOL II enkel op grote ondernemingen van toepassing. Quid nu met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel? Er zijn in België nog wel andere ondernemingen uit andere sectoren, zoals bijvoorbeeld grote landbouworganisaties, welke aanzienlijk winsten boeken in dit tijdsgewricht… Waarom moeten zij op die overwinst geen bijkomende belasting te betalen? En zal de wetgever ook, zoals in de wet van 10 januari 1940 met een bijzondere en tijdelijke belasting op de uitzonderlijke winsten gerealiseerd in 1939 voor nieuwe producten of zoals in de wet van 24 juli 1952 voor welbepaalde structurele investeringen en beleggingen, een vrijstelling van belasting voorzien? Dit kan in de huidige tijd bijvoorbeeld voor investeringen in de energietransitie het geval zijn. Het ontwerp van verordening van de Europese Raad lijkt dit niet te verbieden.

Wordt vervolgd …

Dirk Deschrijver

De auteur schreef over deze problematiek een mooi geschiedkundig overzicht: Inkomstenbelastingen 1919-2020 – Buitengewone en tijdelijke heffingen


Op de hoogte blijven van alle nieuwigheden binnen de juridische en fiscale wereld?

Volg Jubel.be op LinkedIn.

Opiniemakers

Op deze pagina komen diverse eminente juristen aan het woord. Vanuit hun professionele ervaring, als magistraat, advocaat, academicus, ... kijken ze met een eigenzinnige blik naar de juridische actualiteit.

De standpunten en opinies vertolkt in de bijdragen die onder de naam 'Opiniemakers' verschijnen, binden enkel de auteur van de bijdrage zelf en vertegenwoordigen niet noodzakelijk de mening van Jubel, de Jubel-redactie of KnopsPublishing.

Bent u geïnteresseerd om opiniestukken te publiceren via Jubel.be? Contacteer de Jubel-redactie

Bekijk alle artikelen

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.