Advocaten Magistratuur

Dwangsommen voor de opsluiting van geïnterneerden in de gevangenis

Geschreven door Jubel

Dwangsommen voor de opsluiting van geïnterneerden in de gevangenis

Peter Verpoorten


De internering van een geesteszieke delictpleger is één van de zwaarwichtigste gerechtelijke beslissingen die een persoon in België kunnen treffen: de internering vormt immers een titel tot vrijheidsberoving van onbepaalde en onbeperkte duur – in effect hetzelfde als een veroordeling tot levenslange opsluiting.

In theorie voorziet art. 5 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens in waarborgen voor de getroffen geesteszieke persoon: een vrijheidsberoving is, zo stelt het Europees Hof, slechts mogelijk in een hospitaal, kliniek of aan zijn problematiek aangepaste instelling, en een loutere opname volstaat niet, er moet sprake zijn van een effectieve therapeutische tenlasteneming van de geesteszieke om te werken aan zijn problematiek met het oog op een zo verregaand mogelijke re-integratie in de maatschappij.

Dit alles loopt in België reeds decennialang spaak: de opname in een psychiatrisch ziekenhuis wordt voor vele honderden geïnterneerde geesteszieken niet gerealiseerd, en zij blijven weken, maanden,  jaren in de gevangenis, en dit zonder aangepaste zorgen.

De Belgische rechtsspraak slaagt er bovendien niet in om de Belgische overheid hier voor zijn verantwoordelijkheid te stellen, zodat de geïnterneerden die hun langdurig onrechtmatig verblijf in de gevangenis in de rechtbank aankloegen, telkenmale het deksel op de neus kregen.

Vele geïnterneerden pikten dit niet en trokken naar het Europees Hof van de Rechten van de Mens in Straatsburg. Na meer dan 20 quasi identieke veroordelingen, en nog vele tientallen klachten op de rol, stelde het EHRM dan ook de terechte vraag: ligt het probleem niet bij het Belgische interneringssysteem zelf? Na een grondig onderzoek van deze vraag oordeelde het EHRM in het piloot-arrest W.D. tegen België van 6 september 2016 dat inderdaad het Belgische interneringssysteem dermate slecht in elkaar zat dat het ‘structureel dysfunctioneel’ is, en dat het dit systeem zelf is dat verantwoordelijk is voor de aanhoudende en systematische schendingen van de mensenrechten van vele tientallen geesteszieken en gehandicapten.

Het EHRM gaf België in datzelfde arrest twee jaar de tijd om een oplossing te vinden voor dit structurele probleem. Hierbij dient opgemerkt te worden dat de ‘vergeetput’ van de internering, waarnaar men in de media soms verwijst, er net betrekking op heeft dat in het Belgisch rechtssysteem géén rechtsmiddel voorzien is om als geïnterneerde uit de gevangenis weg te komen, zelfs in geval van ernstige en langdurige mensenrechtenschendingen.

Het antwoord van Justitie was echter duidelijk: minister Geens deed helemaal niets. De interneringswet van 2014, die op 1 oktober 2016 in werking trad ter vervanging van de vroegere wet tot bescherming van de maatschappij, was op veel vlakken nog een stap achteruit voor de rechten van de geïnterneerde persoon. De minister vertrouwt er echter op dat het Belgische interneringssysteem met deze wetswijziging wel de toets van het EHRM zal doorstaan.

Intussen zitten in de gevangenissen nog steeds mensen weg te kwijnen en is het duidelijk dat na de opening van de Forensische Psychiatrische Centra in Gent en Antwerpen er te weinig opvangplaatsen zijn om alle gevangenisgeïnterneerden op te vangen.

Vier geïnterneerden hebben zich tot de rechter gericht met een vraag om deze schending van hun mensenrechten te doen ophouden en Justitie, op straffe van een dwangsom, te bevelen hen over te brengen naar een aangepaste instelling. De Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Turnhout ging wel in op hun vraag.

In eerste instantie had het Openbaar Ministerie echter de bevoegdheid van de Rechtbank van Eerste Aanleg in twijfel getrokken – de Kamer tot Bescherming van de Maatschappij zou bevoegd zijn (waarbij het OM wist dat deze niet de bevoegdheid had om dwangsommen op te leggen, hetgeen uiteraard het gevaar van de procedures zou neutraliseren), en de zaak tot voor het Hof van Cassatie gebracht. De beschouwing of dit tot de taak van het Openbaar Ministerie in een rechtstaat behoort, is echter een andere kwestie die ons in deze bijdrage te ver zou leiden.

Het Hof van Cassatie oordeelde echter in zijn arrest van 27.01.2017 (C.16.0535.N):

Deze kamer is evenwel niet bevoegd om te oordelen over een eventueel in gebreke blijven van de Belgische Staat om de geïnterneerde binnen een redelijke termijn over te brengen van de psychiatrische afdeling van de gevangenis naar één van de inrichtingen bedoeld in art. 3, 4°, b), c) en d), noch over een vordering die ertoe strekt de Belgische Staat bevel te geven daartoe over te gaan op straffe van de verbeurte van een dwangsom.

De Rechtbank te Turnhout oordeelde vervolgens in haar vonnis van 18.09.2017:

Indien de rechtbank zou aanvaarden dat verweerster eiser in deze toestand zou mogen behouden, ondanks de andersluidende rechterlijke beslissing van reeds 22 maanden oud, zou zij het door het EHRM vastgestelde structurele disfunctioneren van verweerster aanvaarden als geldig excuus om een rechterlijke beslissing te negeren. Het was en is de verantwoordelijkheid van verweerster om te zorgen voor voldoende plaatsen voor geïnterneerden in aangepaste instellingen. Het plaatstekort dat haar naar eigen zeggen belet om de beslissing van 17 november 2015 uit te voeren, heeft zij louter aan zichzelf te wijten.

Ook in de andere drie zaken, werd Justitie bevolen de geïnterneerde over te brengen of vrij te stellen, en dit op straffe van een dwangsom.

Het valt te hopen dat deze rechtspraak in de toekomst wordt doorgetrokken, zodat de geïnterneerde eindelijk over een rechtsmiddel beschikt om uit de ‘vergeetput’ van de internering in de gevangenis weg te raken, en de zorg te krijgen die zijn situatie vereist.

Peter Verpoorten

De auteur is advocaat-vennoot bij Verhaegen-Verpoorten Advocaten en is co-auteur van de publicatie Internering – Het nieuwe beleid in Belgie: een metamorfose?

Opmerking plaatsen

X