Philip Daeninck

Philip Daeninck is sinds 2000 advocaat aan de balie van Limburg. Hij was tevens onderzoeker aan het NICC en wetenschappelijk medewerker aan de KULeuven, alwaar hij thans ook praktijklector is. Daarnaast is hij sinds 2016 lid van de Commissie Strafrecht van de OVB en publiceert hij geregeld over diverse onderwerpen aangaande het straf(proces)recht.

De taak van het strafrecht bestaat erin om op een beschaafde manier te reageren op gepleegde criminaliteit.

De relatie tussen magistratuur en advocatuur staat steeds vaker onder hevige spanning. Magistraten lopen tijdens de zitting soms op de tippen van hun tenen, uit vrees gewraakt te zullen worden. De angst om betrapt te worden op een uitspraak die verkeerd geïnterpreteerd zou kunnen worden, zit blijkbaar diep. Men verkiest dan te zwijgen in plaats van in dialoog te treden. Advocaten voelen zich van hun kant geremd in de uitoefening van hun taak uit vrees zelf het voorwerp van een strafrechtelijk onderzoek te zullen uitmaken. Steeds vaker moeten advocaten zich verantwoorden voor de wijze waarop zij hun beroep uitoefenen. Wraking van rechters versus vervolging van advocaten: voorwaar geen comfortabele situaties.

Deze vijandige evolutie dient dringend een halt toegeroepen te worden. Niemand is gebaat bij een open oorlog tussen magistraten en advocaten. De inflatie aan wrakingsverzoeken valt dan ook te betreuren. Het spreekt voor zich dat magistraten en advocaten van mening kunnen, mogen en zullen blijven verschillen. Maar het is van het grootste belang dat zij met elkaar in dialoog blijven gaan. Met het neerleggen van een wrakingsverzoek wordt deze dialoog bruusk doorbroken, terwijl een vrank maar respectvol debat het nut van een zitting alleen maar ten goede komt. Magistraten en advocaten mogen bijgevolg geen van beiden te lange of overgevoelige tenen hebben. Eén en ander moet evenwel in een sfeer van wederzijds respect en vertrouwen geschieden, met inzicht in de specifieke taak van de ander.

Met het neerleggen van een wrakingsverzoek wordt de dialoog tussen advocaat en magistraat bruusk doorbroken, terwijl een vrank maar respectvol debat een zitting alleen maar ten goede komt

De wraking: een uitzonderlijk, maar noodzakelijk rechtsmiddel

Het spreekt voor zich dat het wapen van de wraking niet te onpas mag worden gehanteerd. Het mag niet verworden tot het automatische redmiddel van de advocaat wanneer hij zijn “goesting” niet krijgt. Voor verwende kastekinderen is geen plaats in de rechtbank. In een ideale wereld wordt er uitsluitend een wrakingsverzoek neergelegd indien de rechter daadwerkelijk blijk heeft gegeven van vooringenomenheid, wanneer zijn onpartijdigheid in het gedrang lijkt te komen en dies meer. We leven echter niet in een ideale wereld. Bovendien zullen er steeds randgevallen zijn, die het voorwerp zullen uitmaken van discussie. “Onterechte” wrakingsverzoeken zullen bijgevolg steeds voorkomen. Het feit dat ze onterecht blijken te zijn, maakt overigens het voorwerp uit van de wrakingsprocedure zelf waarop uiteraard niet kan of mag worden vooruitgelopen. Diegenen die echter te pas en te onpas een wrakingsverzoek neerleggen, spelen met vuur: het gevaar bestaat dat de wetgever bij veelvuldig misbruik drastisch kortwiekend zal optreden. Anderzijds zal men het er over eens willen zijn dat de wraking als rechtsmiddel noodzakelijk is. Het bestaan van het rechtsmiddel op zich staat niet onmiddellijk ter discussie. Het probleem lijkt zich veel meer te situeren in de praktische toepassing ervan.

Uiteraard kan er zinvol worden nagedacht over een verfijning van de toepassingsvoorwaarden, over een betere controle etc., maar dit vormt niet het voorwerp van huidige bijdrage. Zoals hierboven aangehaald, betreft het veeleer een probleem van praktische toepassing, dan van principe. En de realiteit leert dat een praktijk zich zelden laat modeleren middels bewoordingen of formele vereisten. In huidige bijdrage wordt ingegaan op de dieper liggende oorzaken. Het steeds vaker grijpen naar het wrakingsverzoek als redmiddel wordt hier dan ook beschouwd als een symptoom van een onderliggende malaise. Het lijkt nuttiger de malaise zelf aan te pakken, dan louter aan symptoombestrijding te doen. De kans bestaat immers dat bij loutere symptoombestrijding een ander even onwenselijk fenomeen de kop opsteekt wanneer de onderliggende malaise onbehandeld blijft.

Bron van alle kwaad: wederzijds onbegrip

De oorzaak van de onderliggende malaise ligt in de verregaande vervreemding tussen magistratuur en advocatuur. Wellicht situeert het probleem zich minder in de dagdagelijkse contacten tussen beiden – die hopelijk nog steeds hartelijk kunnen zijn – dan in de principiële verwijdering tussen beide. Er kan niet naast het feit gekeken worden dat de meningen tussen magistraten en advocaten steeds vaker diametraal tegenover elkaar zijn komen te staan. En geen van beiden wil van wijken weten. De kunst om tot een redelijk vergelijk te komen, lijkt niet uitsluitend in de politiek verloren te zijn gegaan.

Er is reeds veel gesproken over de Antigoon-leer waarover magistratuur en advocatuur hartsgrondig van mening verschillen. Maar ook daarbuiten zijn er tal van onderwerpen waar diepgaande onenigheid over bestaat, zoals onder meer over de uit de pan swingende gevangenisstraffen voor bepaalde misdrijven, de hoogte en berekening van de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen, het gemak waarmee tijdens een onderzoek beslag wordt gelegd op allerhande goederen, de noodzaak om belangrijke getuigen te horen, etc. Zelfs louter praktische problemen lijken niet steeds opgelost te geraken. Zo ontstaat er geregeld onnodige vijandigheid wanneer advocaten om een uitstel verzoeken. Daarnaast is er het gegeven dat er bij de meeste parketten een onwil bestaat om – wanneer er een schriftelijke nota wordt opgesteld – deze tijdig over te maken aan de andere procespartijen. Zulks leidt tot hoogoplopende frustraties. Mag het gezegd worden dat het kinderachtig is dat het OM weigert een bestaande nota, die letterlijk wordt voorgelezen ter zitting, mee te delen aan de verdediging? Is het niet tijd dat de magistratuur terug wat oor krijgt naar bepaalde redelijke verzuchtingen van de advocatuur?

Doordat de zetel steeds vaker standpunt is gaan innemen tegen de advocatuur, heeft zij zichzelf in de positie van procespartij gemanoeuvreerd.

Het moge duidelijk zijn dat de magistratuur – zowel de staande als de zittende – de advocatuur steeds meer als de te overwinnen vijand is gaan beschouwen. Het OM deinst er niet meer voor terug om advocaten te vervolgen voor de wijze waarop zij de verdediging van hun cliënt organiseren. Maar ook de zetel is de advocatuur steeds vaker als tegenstander gaan beschouwen, hetgeen onvermijdelijk voor gevolg heeft gehad dat rechters steeds meer zelf procespartij zijn beginnen worden. Doordat de zetel steeds vaker standpunt is gaan innemen tegen de advocatuur, heeft zij zichzelf in de positie van procespartij gemanoeuvreerd, in plaats van dat zij louter oordeelt over de argumenten van de daadwerkelijke partijen in het proces. In die optiek is het niet onlogisch dat de wraking steeds vaker als middel wordt aangewend: bij advocaten leeft het gevoelen dat niet uitsluitend het OM de tegenpartij is, maar evenzeer de zetel, hetgeen uiteraard op gespannen voet komt te staan met het principe van onpartijdigheid.

Een meer onafhankelijke zetel en een blijvend vertrouwen in de kracht van argumentatie

Op basis van voorgaande redenering bestaat een deel van de oplossing erin dat de zetel haar onafhankelijkheid ten opzichte van het OM versterkt. Al te vaak wordt de redenering gevolgd dat de zetel geen bevelen kan geven aan het OM. Dit is juist. De zetel kan het OM bijvoorbeeld inderdaad niet verplichten om een nota aan partijen mee te delen, om stukken aan een dossier te voegen etc. Maar het is niettemin de zetel die uiteindelijk een uitspraak velt en dus het laatste woord heeft. De terughoudendheid van de zittende magistratuur valt in die zin moeilijk te begrijpen. Het is tijd dat zij de rug recht, en fier en bewust de taak uitoefent die haar toebedeeld is. Een taak die zeer duidelijk onderscheiden is van deze van het OM. Zo is het niet de taak van de zittende magistratuur om criminelen te veroordelen. Het is wel haar taak om recht te spreken, hetgeen een gans ander verhaal is. De evolutie van recht spreken naar criminaliteit bestrijden heeft zich al te lang en al te ver doorgezet.

Het neerleggen van een wrakingsverzoek is in bepaalde gevallen ook een zwaktebod, met name wanneer men er niet in slaagt om de rechter met redelijke argumenten te overtuigen.

Daarnaast is er nood aan structureler overleg tussen zetel, OM en advocatuur. Veel frustraties kunnen ongetwijfeld weggewerkt worden via overleg en dialoog. Dit is geen originele of vernieuwende bedenking, maar ze moet blijkbaar herhaald worden, want ze wordt niet (voldoende) in praktijk omgezet.

Ten slotte moet de advocatuur blijvend vertrouwen hebben in het nut van het debat ter zitting en in de kracht van het redelijke argument, veel meer dan dat zij haar toevlucht mag nemen tot het wapen van de wraking. Indien de vaststelling correct is dat de onderliggende malaise haar voedingsbodem vindt in de groeiende afstand tussen magistratuur en advocatuur, kan de oplossing er niet in bestaan die afstand nog verder te vergroten door het neerleggen van allerhande wrakingsverzoeken. Het neerleggen van een wrakingsverzoek is in bepaalde gevallen ook een zwaktebod, met name wanneer men er niet in slaagt om de rechter met redelijke argumenten te overtuigen. Hoe kan de advocatuur zich ernstig nemen indien zij zelf niet gelooft in de kracht van argumentatie? Wie meent dat hij gelijk heeft, heeft als advocaat de plicht om dat gelijk ook daadwerkelijk te behalen, zelfs al is dit soms een jarenlange strijd. Dit houdt in dat men moet blijven luisteren naar de argumentatie waarmee men in het ongelijk gesteld wordt. Als advocaat moet men dan ook goed tegen zijn verlies kunnen … Men moet vervolgens de veerkracht hebben om de strijd onvermoeid opnieuw aan te gaan, met nieuwe of anders geformuleerde argumenten, in antwoord op de argumentatie waarmee men eerder in het ongelijk werd gesteld. Dit is de soms moeilijke, vaak frustrerende, maar altijd boeiende taak van de advocaat.

Philip Daeninck

Dit stuk verscheen eerder ook in Today’s Lawyer. Meer info vindt u hier.

Lees hier meer opiniestukken van meester Daeninck.

Philip Daeninck

Philip Daeninck is sinds 2000 advocaat aan de balie van Limburg. Hij was tevens onderzoeker aan het NICC en wetenschappelijk medewerker aan de KULeuven, alwaar hij thans ook praktijklector is. Daarnaast is hij sinds 2016 lid van de Commissie Strafrecht van de OVB en publiceert hij geregeld over diverse onderwerpen aangaande het straf(proces)recht.

De taak van het strafrecht bestaat erin om op een beschaafde manier te reageren op gepleegde criminaliteit.

Bekijk alle artikelen

2 reacties

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

  • De reden voor de vervreemding en vijandigheid is simpel : reeds vele jaren zijn de meeste magistraten van de zetel voordien Parketmagistraat geweest en zijn ofwel nooit ofwel zeer kort advocaat geweest en hebben ze een “natuurlijk” misprijzen voor de advocaten en als deze trend niet keert zal dat alleen maar verergeren.
    Vandaag de dag wordt men immers Parketmagistraat om door te stromen naar de zetel en niet meer om een volledige loopbaan bij het Parket te blijven zoals we dat vroeger wel zagen.
    Zeker wanneer ze dan in strafzaken gaan zetelen is voor velen onmogelijk om dat parketverleden af te schudden.