De behandeling van de mediatieke zaak-Bressers voor de correctionele rechtbank van Brugge (die omwille van ‘veiligheidsredenen’ plaatsvond in het voormalige NAVO-hoofdkwartier in Brussel) kende op 5 januari eens te meer een merkwaardig verloop. Op een vorige zitting was er al heibel, omdat bepaalde advocaten, vooraleer het Openbaar Ministerie zou vorderen, eerst debat wilden voeren over een aantal andere punten (zoals de bijzondere veiligheidsvoorwaarden rond het proces).
In een persbericht herinnert de voorzitter van de rechtbank van West-Vlaanderen eraan dat toen werd beslist “dat het openbaar ministerie eerst het woord zou krijgen voor het requisitoir en de raadslieden daarna om beurten voor hun pleidooi, ook voor alle argumentatie die zij zelf als ‘preliminair’ menen te beschouwen” (sic). De pers berichtte toen dat daaropvolgend een woordenwisseling tussen advocaten en de rechter uit de hand liep en twee advocaten op bevel van de rechtbank door de politie uit de zittingszaal werden verwijderd. Er zou, volgens de aanwezige pers, toen tumult zijn uitgebroken, waarbij door advocaten woorden als “degoutant”, “smeerlap” en “crapuul” in de mond werden genomen.
Dat incident zorgde voor veel deining. Wie “stoornis” verwekt in de zittingszaal kan, zo bepaalt het Gerechtelijk Wetboek, door de rechter “worden gewaarschuwd en zelfs, zo daartoe grond bestaat, op zijn bevel uit de gehoorzaal worden gezet en desnoods voor ten hoogste vierentwintig uur worden aangehouden”. Het zal niemand ontgaan dat deze wetsbepaling slechts uiterst zelden wordt toegepast. Toen het in de zaak-Bressers toch gebeurde, vroeg een verontruste Orde van Vlaamse Balies aan de Hoge Raad voor de Justitie om meer algemeen een advies uit te brengen over de voorwaarden waaronder een rechter een advocaat uit de zittingszaal mag zetten en hoe dat zich verhoudt tot de rechten van verdediging en de beginselen van het eerlijk proces. Tenzij ik me vergis, heeft de Hoge Raad nog niets van zich laten horen.
Na zeventien (!) wrakingsverzoeken in deze zaak (die allemaal door het hof van beroep van Gent en later door het Hof van Cassatie werden verworpen), zou het proces dan toch op 5 januari effectief van start kunnen gaan. De Standaard berichtte over die procesdag onder de kop “hoe de rechter in de zaak Bressers deed wat niemand had zien aankomen”. In het persbericht van de rechtbank wordt eraan herinnerd dat bepaalde partijen hoger beroep hebben aangetekend tegen de beslissing van de rechter over de volgorde waarop iedereen het woord zou mogen nemen. Het persbericht stelt dat “tegen deze beslissing van inwendige orde geen rechtsmiddel openstaat”, “niettegenstaande de evidentie dat men uiteraard volledig vrij elk rechtsmiddel mag aanwenden”, maar dat uit dat instellen van hoger beroep ook blijkt dat “de raadslieden zich niet wensen te schikken naar de faciliteiten en modaliteiten die door de rechtbank waren bepaald om gehoord te worden en de verdediging te voeren”. Daarop besliste de rechtbank om onmiddellijk de debatten te sluiten en de zaak voor vonnis te stellen, en dus zonder mondelinge debatten. Het Laatste Nieuws kopte dan ook “rechter weigert advocaten het woord, zitting al na vijf minuten afgelopen”.
De advocaten hebben wel via conclusies al hun argumenten schriftelijk op papier gezet, maar zijn pleidooien niet essentieel?
Dat opent meteen een nieuwe principiële discussie. De advocaten hebben wel via conclusies al hun argumenten schriftelijk op papier gezet, maar zijn pleidooien niet essentieel? In burgerlijke zaken leeft die discussie al minder, maar in strafzaken lijkt een behandeling zonder pleidooien ondenkbaar.
In een bijzonder goed gedocumenteerd bericht op LinkedIn analyseerde de Brugse strafpleiter Maarten Vandermeersch deze kwestie vanuit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Hij citeert de arresten Jussila, Findlay, Talabér, Deliktas en Mtchedlishvili, waaruit volgens hem blijkt dat het recht “om gehoord te worden” meer inhoudt dan schriftelijke participatie. In de zaak Jussila wordt zelfs expliciet benadrukt dat “the requirements of a fair hearing are at their highest in criminal cases”.
De oorlog tussen bepaalde advocaten en sommige magistraten verzuurt het klimaat en als dit fenomeen uitbreiding neemt, zullen er geen vonnissen meer kunnen worden uitgesproken in zware drugszaken
Wat ook het gevolg moge zijn van deze juridische analyses, de vaststelling blijft dat strafprocedures uiteindelijk ook tot een uitspraak moeten komen. De oorlog tussen bepaalde advocaten en sommige magistraten verzuurt het klimaat en als dit fenomeen uitbreiding neemt, zullen er geen vonnissen meer kunnen worden uitgesproken in zware drugszaken (en misschien ook niet meer in andere omvangrijke dossiers). Dat is verontrustend voor iedere goedmenende advocaat en magistraat.
Misschien moeten we toch ook niet wanhopen. Een niet-jurist stuurde mij een berichtje met de wat laconieke vraag of dat vonnis van de correctionele rechtbank er eigenlijk wel toe doet, omdat het toch in de sterren staat geschreven dat onmiddellijk na de uitspraak er hoger beroep zal volgen en dus alles van voor af aan herbegint. Tja. Al valt het toch te hopen dat de rechter die op 30 maart zijn vonnis uitspreekt zich daar niet door laat ontmoedigen.
Hugo Lamon
Lees hier meer columns van meester Hugo Lamon over Justitie.
Op de hoogte blijven van alle nieuwigheden binnen justitie, advocatuur en de juridische en fiscale wereld? Volg Jubel.be op LinkedIn.




Er kan bij het lezen van de column van de huiscommentator van JUBEL, mr. Hugo LAMON, maar één gevoel overheersen: het gevoel van tristesse bij het teloorgaan van juridisch intellectualisme.
Bij het geven van commentaren op de actualiteit van de gebeurtenissen lijkt meer en meer de stijl te worden overgenomen van de sportjournalist die een sportwedstrijd in de krant becommentarieert in een poging om de lezer te enthousiasmeren over het spektakel dat vanop de tribunes zichtbaar zou geweest zijn. Om de abonnee vervolgens te verwijzen naar het horoscoopkatern voor de uit de eigen waarnemingen afgeleide bedenkingen rond hoe het de sport nu verder zal vergaan.
De volgende zin uit de column is een treffend voorbeeld: ‘De oorlog tussen bepaalde advocaten en sommige magistraten verzuurt het klimaat en als dit fenomeen uitbreiding neemt, zullen er geen vonnissen meer kunnen worden uitgesproken in zware drugszaken (en misschien ook niet meer in andere omvangrijke dossiers). Dat is verontrustend voor iedere goedmenende advocaat en magistraat.’
LAMON besluit: er is een oorlog gaande tussen bepaalde advocaten en bepaalde magistraten.
LAMON heeft het verkeerd voor, in elk geval wat eerstgenoemden betreft.
Het heeft er alle schijn van dat LAMON tot dit idee komt op grond van de ‘(…) zeventien (!) wrakingsverzoekschriften in deze zaak (…)’.
Heeft LAMON eigenlijk al ooit één van die wrakingsverzoekschriften gelezen?
Mocht hij dat hebben gedaan dan zou het hem zijn opgevallen dat die oorlogsvoerende advocaten – die hij niet tot de goedmenende lijkt te rekenen – het bij het rechte eind hebben.
Dat wordt alvast voor één aspect van de voorliggende problemen nog eens bevestigd in het meest recente rapport van GRECO (FOURTH EVALUATION ROUND) goedgekeurd op 21 november 2025 en gepubliceerd 12 december 2025, d.i. een paar dagen vooraleer LAMON zijn rechtsgeleerd artikel schrijft in JUBEL.
Wat blijkt uit dat rapport?
Daaruit blijkt dat GRECO sinds 28 maart 2014 aan België vraagt om zich aan te passen aan de aan haar gedane aanbevelingen met betrekking tot ‘Corruption Prevention in respect of Members of Parliament, Judge sans Prosecuters’.
In de tussentijdse rapporten van 21 oktober 2016, 23 maart 2018, 21 juni 2019, 25 maart 2021, 17 juni 2022 en 24 maart 2024 werd vastgesteld dat België weinig of geen vooruitgang maakte met het implementeren van de aanbevelingen van 2014.
Hier relevant is de oorspronkelijk in 2014 gedane aanbeveling xii, m.n. ‘GRECO recommended that an assessment of arrangements for assigning cases between judges be carried out in due course’.
Waarover gaat dat: het toewijzen van zaken aan rechters in de brede zin van het woord.
België weigert de regels en de praktijk over de verdeling van zaken in eerste aanleg en hoger beroep door te lichten zoals gevraagd in de aanbeveling.
Het antwoord vanuit België aan GRECO ter preparatie van het rapport in 2025 luidde cynisch genoeg dat de Hoge Raad voor Justitie en het College van Hoven en Rechtbanken er een meeting zouden over houden.
Waaruit GRECO slechts kan besluiten: ‘GRECO notes that the information provided does not indicate that any progress has been made in implementing the recommendation yet.’
Mocht LAMON de wrakingsverzoekschriften hebben gelezen en op de hoogte blijven van wat GRECO al sinds 2014 aan België aan aanbevelingen geeft om de corruptie bij magistraten te voorkomen, dan zou hij ongetwijfeld een heel ander artikel hebben geschreven. Niet meer als sportjournalist of oorlogsverslaggever maar als beginnende rechtsgeleerde en/of als advocaat noodzakelijkerwijze kritisch t.a.v. het eigen regime.
Mocht LAMON dan verder de arresten van het hof van beroep te Gent en het Hof van Cassatie hebben geanalyseerd dan zou LAMON vastgesteld hebben dat het lijkt dat daarmee opportuniteitsbeslissingen zijn genomen omdat België en wie weet ook de magistratuur zich niet willen aanpassen aan de GRECO-aanbevelingen.
Dat is tristesse.
Schijnbaar wil België het systeem blijven gebruiken dat in bepaalde zaken magistraten zichzelf zaken toe-eigenen om zo het zelfgekozen varkentje eigenhandig te kunnen wassen. Zoals in de zaak BRESSERS.
Het is volstrekt legitiem dat welmenende advocaten daar tegenop komen.
Van advocaten die daar niet tegenop komen, kan men zich afvragen hoe ze welmenend genoemd zouden kunnen worden.
En magistraten die zichzelf zaken toewijzen ontsporen dan in beslissingen zoals genomen op 5 januari 2026. Dat is op een haar na 12 jaar na de niet-uitgevoerde aanbeveling van GRECO.
Er is dus nog een lage weg af te leggen voor LAMON als rechtsgeleerde huiscommentator.
Er is ook nog een lange weg voor hoven om dat te erkennen.
Er wordt geen oorlog gevoerd, er worden juridische argumenten gemaakt.
De journalist die verslag doet van een sportwedstrijd die hij zelf niet gezien heeft en die geen enkele affiniteit heeft met de discipline in kwestie, doet er goed aan de goedmenende sportfanaat daarvan vooraf te verwittigen. Al was het maar om oorlog te voorkomen.