Rechtuit

Succesvolle collaboratieve advocatenlobby

Avatar
Geschreven door Hugo Lamon

LAMON op woensdag

Mr. Hugo Lamon is advocaat aan de balie van Limburg en Brussel NL.
Hij publiceert over o.m. ondernemingsrecht en deontologie.

Hij mengt zich al jaren in het maatschappelijk debat over justitie.

In twee arresten van 24 september kwam het Grondwettelijk Hof de advocatuur te hulp. In een eerste arrest herhaalde het Hof zijn rechtspraak dat het beroepsgeheim van de advocaat essentieel is voor de bescherming van het privéleven en het recht op een eerlijk proces. Het Hof vernietigde daarom gedeeltelijk de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme. Die uitspraak was verwacht.

Op diezelfde dag sprak het Grondwettelijk Hof zich ook uit over het lot van onder meer de ‘collaboratieve advocaten’. Die uitspraak kreeg ten onrechte veel minder aandacht.

De ‘collaboratieve onderhandelingen’ werden in het Gerechtelijk Wetboek ingevoerd door de wet van 18 juni 2018 houdende diverse bepalingen inzake burgerlijke recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing. Die wet voerde onder meer de plicht in voor advocaten om hun cliënten steeds te informeren over de mogelijkheid tot bemiddeling, verzoening en “elke andere vorm van minnelijke oplossing van geschillen”. Dezelfde wet maakt het mogelijk dat een rechter partijen verplicht om te bemiddelen (daar waar dit vroeger minstens door één partij moest worden gevraagd) en voegt een nieuw deel VIII toe in het Gerechtelijk Wetboek. In de voorbereidende werken valt te lezen dat die wetswijziging er kwam op verzoek van de advocatenordes, al kan de vraag worden gesteld of dat wel een door de beroepsgroep zo collectief gedragen voorstel was.

Dat ‘collaboratief’ recht is komen overwaaien uit Canada en om misverstanden te vermijden heeft de wetgever meteen wettelijk vastgelegd wat daaronder moet worden verstaan: “een vrijwillige en vertrouwelijke procedure van geschillenoplossing door onderhandeling, waarbij conflicterende partijen en hun respectieve advocaten betrokken zijn en laatstgenoemden optreden in het kader van een exclusief en beperkt mandaat van bijstand en adviesverlening teneinde een minnelijk akkoord te bewerkstelligen”. Alleen advocaten mogen collaboratief onderhandelen en moeten zich uit de zaak terugtrekken indien de zaak niet op minnelijke wijze wordt opgelost.

In tegenstelling tot wat soms wordt beweerd is dat geen algemeen aanvaarde definitie. In de Angelsaksische wereld wordt vaak benadrukt dat buitengerechtelijke conflictbeslechting gebaat is met een multidisciplinaire aanpak, zodat de beperkende wettelijke definitie eerder een rem lijkt op de verdere ontwikkeling van het concept. In sommige opleidingen van collaboratief recht wil men dan ook, onder meer onder verwijzing naar een Wikipedia-versie van de theorie van Maslow, in een mum van tijd advocaten bijscholen tot amateur-therapeuten. De verplichting voor advocaten om zich uit de zaak terug te trekken bij het mislukken van de onderhandelingen doet dan weer de wenkbrauwen fronsen bij de oudmodische ‘klassieke’ advocaten die nog zijn opgegroeid met oude concepten als minnelijke regelingen, verzoeningen en klassieke onderhandelingen.

De lobby van de collaboratieve advocaten bleek voornamelijk uit bemiddelaars te bestaan. In die vorm van conflictbeslechting hebben advocaten geen monopolie. Ook notarissen kunnen dit, maar in familiebemiddeling ook – en in toenemende mate – mensen uit de zogenaamde zachte sector en vooral uit die laatste hoek wordt soms als argument aangevoerd dat advocaten-bemiddelaars twee keer langs de kassa kunnen passeren (een eerste keer in de bemiddeling en als die mislukt nog eens in de procedure voor de rechtbank). Het collaboratief recht zorgt voor een nieuw monopolie voor de advocaten.

Het Grondwettelijk Hof ziet veel gelijkenissen tussen bemiddeling en collaboratief onderhandelen. Bij bemiddeling wordt er beroep gedaan op “een neutrale derde”, wat wezenlijk verschillend is bij collaboratief onderhandelen. Daar worden de onderhandelingen immers door de advocaten geleid (zonder die neutrale derde). “Om de slaagkansen van de onderhandelingen te verhogen, vermocht de wetgever in bijkomende waarborgen te voorzien” zo stelt het Hof. Het Hof heeft er geen problemen mee dat alleen advocaten “die een bijzondere opleiding hebben genoten” dit mogen doen.

Die arbeidsintensieve wijze van behandelen, met veel aandacht voor de psychologische noden en wensen van de cliënt, heeft ook een kostprijs die maakt dat het niet voor iedereen is weggelegd. Bovendien moeten collaboratieve advocaten hun juridisch denkkader achter zich laten, want dat zou de onderhandelingen enkel fnuiken (dat is wat toch in bepaalde opleidingen wordt onderwezen). De klassieke (proces)advocaat is volgens de adepten van het collaboratieve onderhandelen een pauw die te veel pronkt met zijn juridische kennis, wat niet bevorderlijk zou zijn voor de onderhandeling.

Het Grondwettelijk Hof heeft zijn zegen gegeven. Nu blijft de vraag of ook de cliënten er graten in zien. Misschien blijft gedegen juridische kennis voor sommige rechtzoekenden toch nog een overtuigender argument om een advocaat onder de arm te nemen.

Hugo LAMON

Meer blogposts lezen van Hugo Lamon? Dat kan hier!

1 Comment

  • Met interesse nam ik kennis van de benadering aangaande het intelligente arrest van het Grondwettelijk Hof, al lijkt de ondertoon eerder negatief.

    Het artikel stimuleert me om toch aan te vullen, te corrigeren en te duiden:

    1. Collaboratieve onderhandeling is een Belgisch-wettelijke “sui generis”-figuur die ressorteert onder het surrealisme van “ceci n’est pas une pipe” in vergelijking met figuren in het buitenland. De varianten van formats om mensen in staat te stellen zelf meer impact te hebben op het snel en efficiënt oplossen van hun conflict, verschillen van land tot land. De Canadese, Amerikaanse, Italiaanse of Nederlandse variant van “collaborative Law” gelijken eigenlijk meer op een Belgische sterk gefaciliteerde “bemiddeling”, vermits ze vertrekken van een tussenpartijdige coach/coördinator. Precies niet zo in België.
    2. De genese van de wetgeving van het VIIIe deel van het Gerechtelijke Wetboek vertrok niet van de wetgever. Die wetgever heeft in 2 ongeïnteresseerde Parlementaire Commissies aan de voorontwerpen enkel maar incoherenties toegevoegd en aangebracht – onder meer door de veel beter georganiseerde en krachtige Lobby van het Notariaat – die de oorspronkelijk coherente tekst van de voorontwerpen heeft teniet gedaan. Zo is de homologatiemogelijkheid van het collaboratieve akkoord naar analogie met het bemiddelingsakkoord spijtig genoeg gewipt door een krachtiger Lobby dan die van de Advocatuur.
    3. Het was niet de bedoeling van de initiatiefnemers en de auteurs van de voorontwerpen van Wet om steriel te werken. De bedoeling die voorstond was wel om de beroepsgroep van advocaten (waarvan de juridische expertise onomstotelijk vast staat (of dat mogen we toch hopen)) te stimuleren communicatieve en empathische vaardigheidsmethodiek aan te leren zodat een onderhandeling voeren meer kan zijn dan een juridisch-positioneel powerpleidooi zonder rechter (dus eerder zinloos). Vierhonderd advocaten hebben dit ondertussen begrepen.
    4. De advocaat is geen therapeut en zal dat ook niet worden. Echter zie ik geen graten in advocaten die, naast procederen, ook vaardig kunnen onderhandelen of vaardig bemiddelingsgericht kunnen bijstaan in een bemiddeling. Zulke oplossingsfiguren resulteren vaak binnen 6 à 12 uren werken in een oplossing die die bij de deelnemers “past” en hen “bindt”, wat bijna nooit het geval is bij een rechterlijke uitspraak omdat een juridisch debat met een derde-beslisser precies haaks staat op maatwerk. Indien zulke investering dan 6 à 12 uren vergt aan advocatenvergoeding en een statistiek kent van 4/5 slaagkans, in tegenstelling tot een gerechtelijke procedure die een juridische ondersteuning vraagt van -tig aantal uren, lijkt het kunnen aanbieden van meer dan één mogelijkheid van aanpak aan de cliënt buiten elke vorm van efficiëntiediscussie te staan en misschien wel een basisrecht van de cliënt in een behoorlijke juridische dienstverlening.
    5. Het is dan ook maar goed dat collaboratieve advocaten herkenbaar zijn, vermits ze – naast procederen – het vermogen kennen om goed te onderhandelen, zelfs binnen een collaboratief onderhandelingsformat als de cliënt dat zou wensen, maar niet moet. Want: “Qui peut le plus, peut le moins”. Hij die collaboratief kan onderhandelen zou ook goed “gewoon” moeten kunnen onderhandelen. Omgekeerd geldt dat helaas niet. Onderhandelen kan je niet, dat moet je leren. Vooral door goed vragen te stellen, te luisteren en niet in te vullen of te interpreteren wat er niet is. Het is dus niet of/of, maar én/én.

Opmerking plaatsen

Uw naam wordt privé weergegeven op de website en is niet zichtbaar voor anderen. Uw e-mailadres wordt opgeslagen maar niet gepubliceerd.