Nieuwe facelift voorlopige hechteniswet: is de botox uitgewerkt? cover

26 sep 2023 | Column

Nieuwe facelift voorlopige hechteniswet: is de botox uitgewerkt?

Recente vacatures

Jurist Paralegal
sociaal recht
0 - 3 jaar
Brussel
Jurist Paralegal
Verzekeringsrecht
3 - 7 jaar
Brussel
Paralegal
0 - 3 jaar
Brussel
Advocaat
Arbeidsrecht Burgerlijk recht Medisch recht Strafrecht
3 - 7 jaar
Antwerpen Brussel Limburg Oost-Vlaanderen Remote West-Vlaanderen
Notarieel jurist
Burgerlijk recht Fiscaal recht Gerechtelijk recht Ondernemingsrecht
0 - 3 jaar
West-Vlaanderen

Aankomende events

Op de eerste schooldag traden ook een aantal wijzigingen van de wet op de voorlopige hechtenis in werking. De wet van 1990 krijgt een zoveelste facelift, maar de vraag rijst of het model niet in zijn totaliteit aan vervanging toe is. Hoog tijd om een aantal zaken onder ogen te zien.

De nieuwe wijzigingen

Eén van de grote betrachtingen van de voorlopige hechteniswet van 1990 bestond erin het uitzonderingskarakter van de voorlopige hechtenis stevig juridisch te verankeren. Er werd gehoopt dat het aantal voorlopig gehechten op die manier beperkt zou kunnen worden. Behoudens een korte daling begin jaren ’90, werd het verhoopte doel geenszins bereikt, wel in tegendeel. De wetgever greep nadien nog veelvuldig in, doch telkenmale moest vastgesteld worden dat de toepassing van de voorlopige hechtenis een ongrijpbare materie bleek.

Ook de huidige wijzigingen beogen een beperking van de toepassing van de voorlopige hechtenis. Zo werd een iets striktere controle ingevoerd: pas vanaf de vierde beslissing zal worden overgegaan van de maandelijkse naar de tweemaandelijkse controles. Voorheen was dit vanaf de derde beslissing. Op zich valt van deze wetswijziging wel enig positief effect te verwachten vanuit de logica dat veelvuldigere controles de spoed in het gerechtelijk onderzoek houden. Op die manier wordt immers de druk op de ketel gehouden. Maar van deze beperkte ingreep kan geen grote invloed verwacht worden. Een algehele terugkeer naar de maandelijkse controles ware in die optiek verkieslijk geweest.

Voorgaande houdt overigens geen verdoken kritiek in op de werkijver van de onderzoekers. Het betreft louter een juistere inschatting van de menselijke eigenschap die erin bestaat dat wanneer men – of men nu onderzoeker, magistraat of advocaat is – meer tijd krijgt om iets af te werken, men die tijd ook zal nemen, zeker in tijden van drukte. Als de geschiedenis van de voorlopige hechtenis ons iets leert, is het wel dat menselijke factoren vaak een grotere impact hebben dan juridische.

De evolutie van de controle op de voorlopige hechtenis is evenwel niet zonder ironie. Bij de invoering in 2016 van de tweemaandelijkse controles ter vervanging van de maandelijkse controles werd evenzeer gehoopt dat deze wijziging tot een inperking van het aantal voorlopig gehechten zou kunnen leiden, ditmaal vanuit de redenering dat minder zittingen zouden leiden tot vlottere onderzoeken. Een mooi voorbeeld van hoe theoretische logica geen vat heeft op de menselijke natuur.

Naast deze striktere controle werd een nieuwe grond voor onmiddellijke invrijheidstelling ingevoerd, alsook een beperking van het collusiegevaar in de tijd. Ook deze twee wijzigingen ademen de wens uit om het aantal voorlopig gehechten te beperken. Niemand verwacht echter een groot effect van deze wijzigingen. Wellicht zal er onvoldoende politieke convergentie geweest zijn om gedurfdere beslissingen te nemen.

Tot slot is er de harmonisatie van de termijnen die gelden na een cassatieprocedure, met deze die gelden bij de onderzoeksgerechten. Deze wijziging valt logisch te noemen, nu het aantekenen van cassatieberoep voor gevolg had dat de verdachte sneller opnieuw voor de raadkamer moest verschijnen. Steeds meer verdachten schenen deze ‘binnenweg’ gevonden te hebben waardoor het aantekenen van cassatie meer geïnspireerd werd door de wens snel terug voor de raadkamer te verschijnen, dan dat het de bedoeling was effectief middelen aan te voeren tegen de beslissing tot handhaving van de voorlopige hechtenis. Deze wijziging zal evenwel geen impact hebben op het aantal voorlopig gehechten, hetgeen ook niet de bedoeling was.

De vaststelling dringt zich op dat de wet van 1990 jammerlijk gefaald heeft op het vlak van de inperking van het aantal voorlopig gehechten.

Nood aan een fundamentele denkoefening

De vaststelling dringt zich op dat de wet van 1990 jammerlijk gefaald heeft op het vlak van de inperking van het aantal voorlopig gehechten. Opmerkelijk genoeg wordt de wet zelf in de literatuur en in onderzoeksrapporten positief geëvalueerd op juridisch-technisch vlak. “De wet op zich is goed, maar ze wordt verkeerd toegepast.”, is de tot treurens toe gehoorde conclusie. Na ruim 33 jaar is het tijd om een aantal zaken onder ogen te zien. Indien het de wetgever daadwerkelijk ernst is om het aantal voorlopig gehechten te doen dalen, zal hij het over een gans andere boeg moeten gooien.

Het belang van deze materie valt alleszins niet te onderschatten: het aantal voorlopig gehechten vormt al decennialang een belangrijke factor in de problematiek van de overbevolking van de gevangenissen. Een manier vinden om het aantal voorlopig gehechten te doen dalen, zou een belangrijke verademing kunnen betekenen voor het gevangeniswezen dat evenzeer reeds decennialang zucht en kreunt onder de overbevolking met alle gevolgen vandien.

Vooreerst is het van belang twee verschillende doelstellingen van de voorlopige hechtenis te onderscheiden. Enerzijds is er de bescherming van de samenleving, hetgeen vertolkt wordt door criteria als de openbare veiligheid en het recidivegevaar. Anderzijds is er de bekommernis om het voorspoedig verloop van het gerechtelijk onderzoek te garanderen. Criteria als het gevaar om bewijsmateriaal te doen verdwijnen en het collusie- en onttrekkingsgevaar kaderen hierin. De voorlopige hechtenis heeft bijgevolg een beschermingscomponent en een onderzoekscomponent.

Steeds meer neemt de beschermingscomponent van de voorlopige hechtenis de overhand. De veelvuldige toepassing van het recidivegevaar geeft zulks aan. De voorlopige hechtenis wordt bijna steeds – al dan niet in combinatie met andere criteria – gegrond op het recidivegevaar. Bovendien wordt het recidivegevaar op een zeer ruime manier ingevuld: een strafrechtelijk verleden is niet noodzakelijk en ook de aard van de feiten zelf kan indicatief zijn voor een gevaar op recidive. Tot slot is het recidivegevaar bijna niet objectiveerbaar: van iedereen kan beweerd worden dat de kans bestaat dat hij of zij nieuwe strafbare feiten zou plegen…

Gezien de maatschappelijke context hoeft voorgaande geenszins te verbazen: de publieke opinie aanvaardt niet langer dat criminaliteit gepleegd wordt, en al zeker niet door iemand die reeds verdacht wordt van een ander crimineel feit. Justitie moet – in deze onjuiste redenering – eenvoudigweg voorkomen dat criminaliteit gepleegd wordt, anders wordt zij met de vinger gewezen. De voorlopige hechtenis is dan het ultieme redmiddel voor Justitie om te laten zien dat men in staat is om onmiddellijk te reageren op gepleegde criminaliteit en vormt de beste garantie om te voorkomen dat de verdachte opnieuw feiten zou plegen. Het verder aanhouden van een verdachte vormt alleszins de veiligste optie voor Justitie zelf. Vrijlaten houdt altijd een risico in…

Het is echter zeer de vraag of de voorlopige hechtenis – en dus een effectieve opsluiting in de gevangenis – het beste middel is ter bescherming van de samenleving.

Het is echter zeer de vraag of de voorlopige hechtenis – en dus een effectieve opsluiting in de gevangenis – het beste middel is ter bescherming van de samenleving. Daar waar de inzichten over de gebreken van de gevangenisstraf stilaan haar intrede beginnen te doen in het kader van de strafuitvoering, lijkt zulks nog helemaal niet het geval te zijn bij de beoordeling van de voorlopige hechtenis. Daar waar het besef zeer langzaamaan groeit dat het effectief opsluiten van daders enorm nadelige maatschappelijke gevolgen in zich draagt, is zulks nog niet aan de orde bij de voorlopige hechtenis. Dit alles is des te opmerkelijk gezien het feit dat deze beoordeling geschiedt vooraleer er definitief een uitspraak werd gedaan over de feiten, en het vermoeden van onschuld bijgevolg nog volop zou moeten spelen.

De vaststelling dat de beschermingscomponent een steeds belangrijkere rol speelt, is tevens van belang bij de conceptie van de beslissingsmacht over de voorlopige hechtenis. In de redenering dat de voorlopige hechtenis vooral een maatregel is die een garantie vormt voor het goede verloop van het onderzoek, is de keuze voor de onderzoeksrechter als sleutelfiguur perfect verdedigbaar. Wanneer de nadruk echter veeleer komt te liggen op de bescherming van de maatschappij en preventie, is deze keuze veel minder logisch. De beslissing in handen leggen van een jurist – die niet noodzakelijkerwijze opgeleid is inzake preventie of inzicht heeft in de basisprincipes van criminologie – is dan veel minder voor de hand liggend. Mogelijk kan nagedacht worden over twee afzonderlijke soorten van vrijheidsberoving: één die verband houdt met het onderzoek, en waar de onderzoeksrechter de cruciale figuur blijft, en één die verband houdt met de bescherming van de samenleving, en die gecontroleerd wordt door een rechtbank die eerder multidisciplinair is samengesteld, naar het voorbeeld van de strafuitvoeringsrechtbank.

Ook procedureel gezien is het tijd voor radicalere vragen. De automatische, periodieke controle door de onderzoeksgerechten heeft niet het verhoopte effect gehad. De gigantische werklast die deze controles met zich meebrengen, staat alleszins niet in verhouding tot het resultaat. Te veel controle kan ook leiden tot geen controle. Er lijken ook te veel zittingen te zijn die weinig tot geen toegevoegde waarde hebben. De wetgever moet de moed hebben dit systeem grondig te herbekijken, rekening houdend met de kennis die ondertussen verworven werd, zowel op juridisch als op menselijk vlak. Zo moet rekening gehouden worden met het effect van controle op het verloop van het onderzoek – waar hierboven naar verwezen werd – zonder dat zulks hoeft te impliceren dat er ook daadwerkelijk een zitting wordt georganiseerd. Hierbij moet echter ook rekening gehouden worden met datgene wat geleerd werd uit de vroeger bestaande driemaandelijkse controle in assisendossiers: indien de mogelijkheid bestaat om via verzoekschrift een zitting uit te lokken, zal vaak van deze mogelijkheid gebruik gemaakt worden…

Huidige bijdrage zoekt uiteraard nog niet naar antwoorden op al deze vragen. Het zijn eerder embryonale gedachten. Maar hier wordt wel opgeroepen om te durven conclusies te trekken en om te durven zaken onder ogen te zien.

Huidige bijdrage zoekt uiteraard nog niet naar antwoorden op al deze vragen. Het zijn eerder embryonale gedachten. Maar hier wordt wel opgeroepen om te durven conclusies te trekken en om te durven zaken onder ogen te zien. Het is evenmin een roekeloze oproep om al wat bestaat overboord te gooien en met een schone lei te beginnen. Het is in tegendeel een oproep om eerst op te lijsten welke kennis reeds voorhanden is, om van daaruit te durven nadenken over een gans ander systeem, waarbij in zeer belangrijke mate rekening gehouden wordt met menselijke aspecten. Want recht is mensenwerk. En dat hoort ook zo. De wet zou dan louter het geraamte vormen van een menselijke Justitie: realistisch, humaan en modern.

Philip Daeninck

Recente vacatures

Jurist Paralegal
sociaal recht
0 - 3 jaar
Brussel
Jurist Paralegal
Verzekeringsrecht
3 - 7 jaar
Brussel
Paralegal
0 - 3 jaar
Brussel
Advocaat
Arbeidsrecht Burgerlijk recht Medisch recht Strafrecht
3 - 7 jaar
Antwerpen Brussel Limburg Oost-Vlaanderen Remote West-Vlaanderen
Notarieel jurist
Burgerlijk recht Fiscaal recht Gerechtelijk recht Ondernemingsrecht
0 - 3 jaar
West-Vlaanderen

Aankomende events

Blijf op de hoogte

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

0 Reacties

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.