Het recht om te worden weggebracht: de medische evacuatie van kinderen uit Gaza en de plicht van staten cover

13 aug 2026 | Algemeen

Het recht om te worden weggebracht: de medische evacuatie van kinderen uit Gaza en de plicht van staten

Recente Jobs

Adjunct-kabinetschef
Management
3 - 7 jaar
Antwerpen
Advocaat
Burgerlijk recht Strafrecht Familierecht
0 - 3 jaar
Oost-Vlaanderen West-Vlaanderen
Office Manager
Administratie
0 - 3 jaar
Oost-Vlaanderen

Achter de politieke en militaire twistpunten over Gaza gaat een dossier schuil dat zich, minstens in beginsel, aan de politiek zou moeten onttrekken: de medische evacuatie van zieke en gewonde kinderen. Het is een kwestie waarover het internationaal humanitair recht opvallend duidelijk is en waarover de cijfers, hoe men het conflict verder ook beoordeelt, weinig ruimte laten voor interpretatie. Precies daarom verdient ze een nuchtere, juridische blik.

Het recht vertrekt niet van een vage humanitaire aspiratie maar van precieze verplichtingen. De kern zit in het beginsel dat gewonden en zieken zonder onderscheid moeten worden verzorgd. Voor gewonde en zieke strijders legt artikel 12 van het Eerste Verdrag van Genève die verplichting vast; voor de burgerbevolking bepaalt artikel 16 van het Vierde Verdrag dat gewonden, zieken en gebrekkigen, alsook zwangere vrouwen, het voorwerp uitmaken van bijzondere bescherming en ontzien moeten worden. Kinderen behoren tot de meest beschermde categorie: artikel 24 van datzelfde verdrag verplicht de partijen tot bijzondere maatregelen voor kinderen jonger dan vijftien die door de oorlog wees zijn of van hun familie gescheiden zijn. Dat zijn geen programmatische intenties maar afdwingbare normen, van toepassing op elk gewapend conflict en losstaand van de vraag wie het is begonnen. Zij binden ook alle partijen tegelijk. Wie zich op de bescherming van gewonden en zieken beroept, moet aanvaarden dat diezelfde normen de feitelijke autoriteiten in Gaza verbieden ziekenhuizen, ambulances of medisch personeel voor militaire doeleinden aan te wenden, omdat dergelijk gebruik de bescherming ondermijnt waarop de zieke zich nu juist moet kunnen verlaten. Dat is geen nevenbemerking maar een voorwaarde voor de coherentie van het betoog: een regel die men slechts tegen één partij inroept, verliest haar karakter van recht.

​De Verdragen voorzien uitdrukkelijk in de mogelijkheid, en naargelang de omstandigheden de plicht, om de zorgbehoevende weg te halen

Wat het recht doet wanneer die zorg ter plaatse onmogelijk wordt, is even concreet. De Verdragen voorzien uitdrukkelijk in de mogelijkheid, en naargelang de omstandigheden de plicht, om de zorgbehoevende weg te halen waar de zorg niet tot bij hem kan komen. Artikel 15 van het Eerste Verdrag verplicht de partijen ertoe zich in te spannen om lokale afspraken te maken voor de verwijdering of uitwisseling van gewonden en zieken uit een belegerd of ingesloten gebied en voor de doorgang van medisch en religieus personeel en materieel; artikel 17 van het Vierde Verdrag legt eenzelfde inspanningsverbintenis op ten aanzien van de burgerbevolking en somt daarbij uitdrukkelijk gewonden, zieken, gebrekkigen en bejaarden, kinderen en pas bevallen vrouwen op. Het is bezwaarlijk denkbaar dat een verdragstekst uit 1949 de situatie in Gaza nauwkeuriger had kunnen omschrijven. Naar hun bewoordingen leggen die bepalingen wel een inspanningsverbintenis op en niet een autonome, onvoorwaardelijke evacuatieplicht. Wanneer een gebied is ingesloten en de zorg binnenin is weggevallen, verschuift het zwaartepunt van het recht naar buiten: de zieke moet naar de zorg worden gebracht.

De feitelijke context stelt de reikwijdte van die norm op scherp. Begin 2026 waren alle zesendertig ziekenhuizen van Gaza beschadigd en was daarvan nog slechts de helft gedeeltelijk operationeel, veelal boven hun capaciteit werkend. Sinds oktober 2023 zijn ruim elfduizend patiënten uit Gaza geëvacueerd; van de evacuaties die de WHO registreert, is ongeveer twee derde een kind. Tegelijk stonden er begin 2026 nog altijd ruim 18.500 patiënten op een dringende medische evacuatie te wachten, onder wie naar schatting zowat vierduizend kinderen. Achter die cijfers schuilt een medische realiteit van zware fracturen, brandwonden, ruggenmergletsels en amputaties, naast oncologische en aangeboren aandoeningen die door uitstel alleen maar verergeren.

​Het probleem is dus niet dat evacuatie onmogelijk is, ze gebeurt, maar dat het tempo structureel achterblijft bij de nood

Het probleem is dus niet dat evacuatie onmogelijk is, ze gebeurt, maar dat het tempo structureel achterblijft bij de nood. UNICEF waarschuwde in oktober 2024 dat kinderen aan minder dan één per dag werden geëvacueerd, een tempo waarbij het volgens de organisatie meer dan zeven jaar zou duren om alleen al de tweeduizend vijfhonderd kinderen met een acute zorgnood weg te krijgen. De cijfers over sterfte tijdens het wachten geven aan wat die traagheid concreet betekent: volgens cijfers van het gezondheidsministerie in Gaza die de WHO aanhaalde, overleden tussen juli 2024 en eind november 2025 meer dan duizend patiënten terwijl zij op een evacuatie wachtten, wellicht een onderschatting. Hier raakt de traagheid aan de kern van de verplichting. Artikel 17 is naar zijn bewoordingen een inspanningsverbintenis, de partijen moeten "streven" naar akkoorden, maar die inspanningsplicht wordt uitgehold zodra vertraging voorspelbaar dodelijk is. Naar mijn oordeel beantwoordt een procedure die zo traag verloopt dat de patiënt haar niet overleeft, niet langer aan de norm die zij zegt te dienen; de vorm van de verplichting wordt dan losgekoppeld van haar doel.

De oorzaken van die traagheid zijn deels juridisch-administratief van aard en dat maakt ze vatbaar voor correctie. De medische corridor naar de Westelijke Jordaanoever, met inbegrip van Oost-Jeruzalem, historisch de dichtstbijzijnde en meest voor de hand liggende bestemming, is sinds oktober 2023 vrijwel volledig gesloten gebleven, waardoor patiënten naar verder gelegen landen moeten worden gebracht. De heropening van de grensovergang bij Rafah begin februari 2026, na meer dan anderhalf jaar zonder medische evacuaties langs die weg, leidde tot een hervatting van beperkte evacuaties, maar in schommelende en kwetsbare aantallen: de eerste operatie bracht vijf patiënten met zeven begeleiders naar buiten, de doorgang werd nadien twintig dagen opgeschort en na de hervatting in maart volgde in april opnieuw een tijdelijke opschorting van de WHO-evacuaties na de dood van een voor de WHO werkende contractant. Daarbij is de heropening zelf in omvang begrensd: onder de aangekondigde regeling mogen dagelijks honderdvijftig personen Gaza verlaten, een tempo waarbij het volgens hulporganisaties meer dan een jaar zou vergen om alleen de bestaande wachtlijst weg te werken. Coördinatiepogingen worden bovendien geweigerd, vertraagd of afgebroken. Juridisch is dat het beslissende punt: elke geweigerde of afgebroken beweging vergt een toetsing aan de vraag of zij door een dwingende militaire noodzaak wordt gerechtvaardigd, dan wel of zij de verdragsrechtelijke plicht schendt. Die toetsing gebeurt vandaag zelden, en zij is nochtans het enige wat het verschil tussen voorzichtigheid en onwil zichtbaar maakt.

Bij dit alles speelt een kwalificatievraag die niet eenduidig kan worden beantwoord. Voor zover Gaza onder het bezettingsrecht valt — het Internationaal Gerechtshof oordeelde in zijn Advisory Opinion van 19 juli 2024 dat Israëls terugtrekking in 2005 het niet volledig van zijn verplichtingen als bezettende mogendheid heeft ontheven en dat die verplichtingen blijven bestaan naar de mate van zijn feitelijke controle, een lezing die in de rechtsleer overweegt maar door Israël wordt betwist — gelden bovendien de artikelen 55 en 56 van het Vierde Verdrag. Die leggen de bezettende mogendheid geen loutere gedoogplicht op, maar een actieve zorgplicht: zij moet, met alle middelen waarover zij beschikt, de voedsel- en medische voorziening van de bevolking verzekeren en de medische en ziekenhuisdiensten in stand houden. Onder dat regime is het niet toegelaten zich te beperken tot het niet-verhinderen van hulp; de verplichting is een actieve, positieve zorgplicht die verder gaat dan louter niet-hinderen. Ook wie de bezettingskwalificatie niet aanvaardt, ontkomt echter niet aan de basisnormen: de bescherming van gewonden en zieken en de evacuatieplicht uit de artikelen 16 en 17 gelden in elk gewapend conflict, ongeacht de status van het gebied.

Naast de toegang tot de uitgang speelt de toegang tot een bestemming, en daar verschuift de verantwoordelijkheid mede naar staten die geen partij zijn bij het conflict. Dat is geen morele extrapolatie maar volgt uit het gemeenschappelijke artikel 1 van de Verdragen van Genève, dat de verdragsstaten niet alleen verplicht de Verdragen na te leven, maar ook de naleving ervan te doen eerbiedigen, "to ensure respect", in de gezaghebbende lezing van het Internationaal Gerechtshof en het Internationale Comité van het Rode Kruis. Die verplichting heeft een negatieve en een positieve component: geen bijstand verlenen aan schendingen, en binnen de eigen mogelijkheden bijdragen aan de naleving. Over de precieze draagwijdte van die positieve component bestaat discussie: zij wordt doorgaans begrepen als een plicht om de eigen invloed aan te wenden, niet als een rechtstreekse grondslag voor een opnameplicht en niet elke staat aanvaardt haar in die vorm. Maar ook in de voorzichtigste lezing valt moeilijk vol te houden dat een staat die zonder noemenswaardige kost opvangplaatsen kan aanbieden en administratieve drempels kan wegnemen, daarmee niets van doen heeft. Naar mijn oordeel krijgt de positieve component hier dan ook een uitzonderlijk concrete vorm, juist omdat de gevraagde inspanning zo bescheiden is.

De feiten laten zien hoe ongelijk aan die verantwoordelijkheid gevolg wordt gegeven. De grote aantallen worden opgevangen door landen in de regio: in september 2025 had Egypte bijna vierduizend geëvacueerde patiënten ontvangen, de Verenigde Arabische Emiraten ruim veertienhonderd en Qatar bijna duizend. Daartegenover stonden eind oktober 2025 in de zeventien landen van de Europese Regio van de WHO samen 1.033 opgenomen patiënten, het overgrote deel kinderen, van wie er 397 in lidstaten van de Europese Unie terechtkwamen. Binnen die groep lopen de cijfers ver uiteen. Turkije nam er 437 op en Italië 201; Spanje kwam op 65, het Verenigd Koninkrijk op 55 en Roemenië op 48. Volgens diezelfde telling stond België op achttien. Dat is minder dan Noorwegen, dat er 28 opnam, en minder dan Ierland met 21, twee landen met ongeveer de helft van de Belgische bevolking; het is ook aanzienlijk minder dan Roemenië, dat per inwoner een veelvoud minder aan gezondheidszorg besteedt. Onderaan die telling staan Malta met vier, Luxemburg met twee en Duitsland, waarvoor één patiënt was geregistreerd. Bij landen die over een van de ruimste ziekenhuiscapaciteiten ter wereld beschikken, laat zo'n cijfer zich bezwaarlijk verklaren door een tekort aan bedden. Het knelpunt is op dat punt niet medisch maar politiek: niet het ontbreken van capaciteit, maar het ontbreken van bereidheid. Voor België kwamen er in latere WHO-operaties nog kleine groepen kinderen bij, zodat het actuele totaal hoger ligt dan achttien, maar aan de orde van grootte verandert dat niets.

​De praktische obstakels die hulpverleners rapporteren, met name de moeizame en trage afgifte van visa voor de gewonde kinderen en hun onmisbare begeleiders zijn geen natuurwetten, het zijn beleidskeuzes

De praktische obstakels die hulpverleners rapporteren, met name de moeizame en trage afgifte van visa voor de gewonde kinderen en hun onmisbare begeleiders, en het ontbreken van een gecentraliseerd, versneld coördinatiemechanisme tussen overheden, ngo's en ontvangende ziekenhuizen, zijn geen natuurwetten. Het zijn beleidskeuzes en tegen de achtergrond van artikel 1 zijn het beleidskeuzes waarvoor staten zich moeten verantwoorden.

Enige nuchterheid blijft op haar plaats. Een medische evacuatie is een complexe operatie die veiligheidsvoorwaarden, medische begeleiding en internationale coördinatie veronderstelt, en het humanitair recht erkent dat: de verdragsrechtelijke verplichtingen inzake evacuatie worden begrensd door wat haalbaar is en door de dwingende militaire noodzaak. Dat voorbehoud is reëel, maar het is geen blanco cheque. Het rechtvaardigt een zorgvuldige procedure; het rechtvaardigt niet dat zorgvuldigheid verwordt tot een alibi voor stilstand. Het onderscheid tussen beide is precies wat een juridische lezing kan verhelderen, en het is ook wat een rechter, geconfronteerd met een concreet dossier, zou moeten nagaan: niet of er een procedure bestond, maar of zij daadwerkelijk en tijdig werd toegepast.

Daarmee laat de vraag of er hoop is zich genuanceerd beantwoorden. De rechtsgrond is niet betwist, de infrastructuur voor evacuatie bestaat en de medische capaciteit in de ontvangende landen bestaat grotendeels. Wat ontbreekt, is snelheid en bereidheid, en dat zijn, anders dan het verloop van het conflict zelf, factoren waarop staten en instellingen een rechtstreekse greep hebben. Daarin schuilt zowel de ernst als de belofte van dit vraagstuk: het legt een verantwoordelijkheid bloot die niet kan worden weggeschoven naar de onvoorspelbaarheid van de oorlog, omdat zij ligt bij beslissingen die vandaag, aan een bureau, anders kunnen worden genomen. Voor de jurist is dat geen marginale vaststelling. De norm die een ziek kind het recht geeft om te worden weggebracht naar zorg, bestaat al sinds 1949; wat op het spel staat, is niet haar formulering maar haar uitvoering. En een recht dat enkel op papier wordt nageleefd terwijl de rechthebbende op een wachtlijst sterft, stelt uiteindelijk niet de partijen bij het conflict in gebreke, maar de geloofwaardigheid van het humanitair recht zelf, en van allen, ook ver van het slagveld, die de macht hadden om het te doen werken.

​​​​Pierre Thiriar – Deze bijdrage vertolkt louter de opinie van de auteur in eigen naam.

Andere artikels en opiniestukken van Pierre Thiriar lees je hier.

Recente Jobs

Adjunct-kabinetschef
Management
3 - 7 jaar
Antwerpen
Advocaat
Burgerlijk recht Strafrecht Familierecht
0 - 3 jaar
Oost-Vlaanderen West-Vlaanderen
Office Manager
Administratie
0 - 3 jaar
Oost-Vlaanderen

Blijf op de hoogte

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

0 Reacties

0 reacties

Een reactie versturen

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *