Met de Wet van 6 april 2026[1] werd een veralgemeende meerwaardebelasting op financiële activa ingevoerd, die in principe van toepassing is vanaf 1 januari 2026 (behoudens overgangsbepalingen rond in het bijzonder de inhouding van roerende voorheffing). Deze bijdrage gaat dieper in op de toepassing van de nieuwe meerwaardebelasting op afgeleide financiële instrumenten, ook wel ‘derivaten’ genoemd.
Zoals hierna wordt toegelicht gaan de minister van Financiën en de belastingadministratie ervan uit dat elke ‘winst’ op derivaten in beginsel onder het toepassingsgebied van de Nieuwe Meerwaardebelasting valt. Volgens ons is dit standpunt zeer betwistbaar.
De kernvraag om te spreken van een belastbaar feit onder de nieuwe meerwaardebelasting is in beginsel immers telkens dezelfde: realiseert de belastingplichtige een ‘meerwaarde’ die voortvloeit uit een ‘overdracht onder bezwarende titel’ van een ‘financieel actief’?
Zeker bij complexe financiële producten zoals derivaten blijkt het antwoord op deze vraag niet voor de hand liggend. Om deze vraag te kunnen beantwoorden, is het nuttig om eerst stil te staan bij wat een derivaat juridisch en economisch eigenlijk is. Een correcte fiscale kwalificatie onder de nieuwe meerwaardebelasting veronderstelt immers een correct begrip van het onderliggende ‘financiële actief’ waarop de belasting wordt toegepast.
Derivaten: what’s in a name?
Een derivaat is, zoals de naam aangeeft, een financieel instrument waarvan de waarde wordt ‘afgeleid’ (‘derived’) van een onderliggende waarde — een aandeel, een korf van aandelen, een index, een rentevoet, een wisselkoers, een grondstof, enzovoort. Het derivaat zelf belichaamt geen eigendom van die onderliggende waarde; het ontleent zijn waarde louter aan de evolutie ervan.
Enkele courante soorten derivaten zijn opties, futures, forwards en swaps.
Opties zijn wellicht de meest algemeen gekende vorm van derivaten. Bij het sluiten van het contract betaalt de houder een premie aan de schrijver; dit is de enige betaling die de houder in ieder geval verschuldigd is. In ruil verkrijgt de houder het recht — doch niet de verplichting — om de onderliggende waarde later te kopen (call) dan wel te verkopen (put) tegen de vooraf bepaalde uitoefenprijs. Bij een call zal de houder zijn recht uitoefenen wanneer de marktprijs van de onderliggende waarde boven de uitoefenprijs stijgt (waardestijging): de schrijver moet dan tegen de lagere uitoefenprijs leveren, zodat de winst voor de houder en het verlies voor de schrijver oploopt naarmate de koers verder stijgt. Daalt de marktprijs onder de uitoefenprijs (waardedaling), dan laat de houder de optie vervallen en blijft zijn verlies beperkt tot de betaalde premie, die de schrijver definitief behoudt. Bij een put geldt het omgekeerde: de houder wint bij een waardedaling van de onderliggende waarde en laat de optie vervallen bij een waardestijging. Het risicoprofiel is dus asymmetrisch — het verlies van de houder is beperkt tot de premie, terwijl zijn winstpotentieel in beginsel onbeperkt is, en de schrijver kent het omgekeerde profiel.
Contractuele aard van derivaten
Uit de bovenstaande begripsafbakening blijkt dat derivaten (privaatrechtelijk) in essentie contracten vormen, ook al vallen zij eveneens onder het begrip ‘financiële instrumenten’ in de zin van de financiële wetgeving.[2]
Ook in de Europese financiële wetgeving (die werd omgezet in de Belgische financiële wetgeving) wordt een derivaat inherent gedefinieerd als een contract. Zo wordt de term ‘derivaat’ of ‘derivatencontract’ in EU-Verordening Nr. 648/2012 gedefinieerd als “een financieel instrument als vermeld in bijlage I, punt C, punten 4 tot en met 10, van Richtlijn 2004/39/EG, zoals geïmplementeerd bij artikel 38 en artikel 39 van Verordening (EG) nr. 1287/2006.”
Derivaten als ‘financiële instrumenten’ onderworpen aan de nieuwe meerwaardebelasting
De nieuwe meerwaardebelasting viseert (1) de ‘interne’ meerwaarden op aandelen, (2) de meerwaarden op aandelen in het kader van een ‘aanmerkelijk belang’ en (3) de meerwaarden op ‘financiële activa’ die niet belastbaar zijn onder de voormelde twee categorieën (nieuw art. 90, eerste lid, 9° WIB 1992).
De ‘financiële activa’ die onder deze algemene restcategorie vallen, zijn onder andere de ‘financiële instrumenten’ zoals vermeld in artikel 2, 1°, a) tot k) van de Wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten (nieuw art. 92, § 1 WIB 1992).
De derivaten in ruime zin (opties, futures, swaps, …) vallen onder dit begrip “financiële instrumenten’ in de zin van de financiële wetgeving. Zo wordt in de opsomming onder andere verwezen naar “opties, futures, swaps, rentetermijn-contracten en andere derivatencontracten (…)”
Het is dus duidelijk dat derivaten wel degelijk behoren tot de ‘financiële activa’ die onder het toepassingsgebied van de nieuwe meerwaardebelasting vallen.
Meerwaardebelasting vereist ‘overdracht onder bezwarende titel’
Het loutere feit dat derivaten ‘financiële instrumenten’ zijn die binnen het materiële toepassingsgebied van de nieuwe meerwaardebelasting vallen, volstaat op zichzelf echter niet om te besluiten dat ook inkomsten ‘uit’ derivaten steeds onder de nieuwe meerwaardebelasting vallen.
Opdat de nieuwe meerwaardebelasting van toepassing zou zijn, is in principe immers ook vereist dat het gaat om ‘meerwaarden’ die voortvloeien uit de ’overdracht onder bezwarende titel’ van financiële activa die onder het materiële toepassingsgebied vallen.
Dat blijkt o.i. duidelijk uit de wettelijke bepalingen die het belastbare feit en de belastbare basis omschrijven:
– de nieuwe categorie van belastbare diverse inkomsten wordt omschreven als “meerwaarden die buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid en in het kader van normale verrichtingen van het beheer van een privévermogen, zijn verwezenlijkt naar aanleiding van de overdracht onder bezwarende titel” van de betreffende financiële activa (gewijzigd art. 90, eerste lid, 9° WIB 1992);
– de belastbare meerwaarde vormt “het positieve verschil tussen de in geld, in effecten of in enige andere vorm voor de overgedragen financiële activa verkregen prijs of waarde en de aanschaffingswaarde” (nieuw art. 102 WIB 1992);
– met het oog op de toepassing van de roerende voorheffing op meerwaarden wordt als ‘toekenning’ van het inkomen beschouwd: “het verkrijgen van inkomsten […] die voortvloeien uit overdrachten onder bezwarende titel van financiële activa […]” (gewijzigd art. 267 WIB 1992). (eigen nadruk)
Volgens ons kan men hieruit afleiden dat de toepassing van de nieuwe meerwaardebelasting twee constitutieve bestanddelen veronderstelt: (i) een ‘meerwaarde’ (ii) die voortvloeit uit een ‘overdracht onder bezwarende titel’ van de geviseerde financiële activa.
Ook de memorie van toelichting vermeldt inderdaad meermaals dat de Nieuwe Meerwaardebelasting enkel van toepassing is bij meerwaarden uit een overdracht onder bezwarende titel: “Opdat het regime toepassing vindt, dient in principe sprake te zijn van (i) financiële activa die (ii) naar aanleiding van een overdracht onder bezwarende titel gerealiseerd worden. […] Het regime vindt enkel toepassing wanneer een meerwaarde naar aanleiding van een overdracht onder bezwarende titel gerealiseerd wordt. In die optiek bevat het regime drie algemene categorieën van overdrachten en duidt zij enkele gebeurtenissen aan die voor de toepassing van het regime als een overdracht onder bezwarende titel beschouwd moeten worden.” […] “De berekening van een meerwaarde als het positieve verschil tussen de aanschaffingswaarde en de ontvangen prijs bij een overdracht onder bezwarende titel impliceert dat de ontvangen prijs hoger is dan de aanschaffingswaarde.” […] “Voortaan worden drie types van overdrachten onder bezwarende titel voorzien die elkaar uitsluiten. Een overdracht onder bezwarende titel kan slechts onder één bepaling vallen, met name de meest specifieke.” (eigen nadruk)
De vaststelling dat de vereiste ‘overdracht onder bezwarende titel’ een constitutief bestanddeel is voor de toepassing van de Nieuwe Meerwaardebelasting wordt volgens ons nogmaals bevestigd door het feit dat de wet bepaalde gebeurtenissen expliciet ‘gelijkstelt’ met een overdracht onder bezwarende titel, zoals de vereffening bij leven van levensverzekeringsovereenkomsten en de (fiscale) emigratie van een belastingplichtige (nieuw art. 92, § 2 WIB 1992) (zie ook verder).
De toepassingsvoorwaarden van de nieuwe meerwaardebelasting zijn o.i. dus strenger dan de loutere realisatie van een ‘meerwaarde’, aangezien deze niet noodzakelijk gepaard gaat met een ‘overdracht onder bezwarende titel’ van het betreffende actief. Vergelijk bijvoorbeeld met de beroepsmatig gerealiseerde meerwaarden (art. 43 WIB 1992) die ruimer lijken en elke meerwaarde uit ‘vervreemding’ van een actief omvatten, bijvoorbeeld ook bij het tenietgaan van het actief (waarvoor de belastingplichtige in ruil eventueel een (schade)vergoeding ontvangt).[3]
Los van het feit dat derivaten kwalificeren als financiële instrumenten die onder het materiële toepassingsgebied van de nieuwe meerwaardebelasting vallen, moet volgens ons dus in het bijzonder worden nagegaan of en in welke mate zij kunnen leiden tot ‘meerwaarden die zijn verwezenlijkt naar aanleiding van een overdracht onder bezwarende titel’.
Nikolaas Van Robbroeck – Advocaat, Partner Freshfields LLP
Maxim Wuyts – Advocaat Freshfields LLP, vrijwillig wetenschappelijk medewerker Instituut voor Fiscaal Recht KU Leuven
Dit artikel is een uittreksel uit de bijdrage van de auteurs voor het Tijdschrift Beleggingsfiscaliteit (uitgegeven door KnopsPublishing). De rest van hun analyse kan je lezen in het meest recente nummer (38) van dit tijdschrift.



0 reacties