A wireframe brain structure floating above a blue logo on a grid surface

8 sep 2026 | Tax & Private equity

Als machines het werk doen: kan het internationale belastingrecht volgen?

Recente Jobs

Management Assistent
Ondernemingsrecht
0 - 3 jaar
Oost-Vlaanderen
Juridisch adviseur
Commercieel recht
1 - 4 jaar
Oost-Vlaanderen
Notarieel jurist
Notariaat
0 - 3 jaar
Vlaams-Brabant
Dossierbeheerder
sociaal recht
0 - 3 jaar
Vlaanderen
Auditor
Fiscaal recht
5+ jaar
Vlaanderen

​Wat als een onderneming in België miljoenen euro’s omzet behaalt zonder hier één werknemer te hebben? Niet omdat zij nauwelijks actief is op de Belgische markt, maar omdat AI het werk doet.

Een AI-systeem kan klanten te woord staan, aanbevelingen formuleren, bestellingen begeleiden en diensten leveren. Een onderneming kan zo intensief deelnemen aan een buitenlandse markt zonder kantoor, personeel of andere traditionele fysieke aanwezigheid. Vergelijk dat met een klassieke onderneming met een fysieke winkel, kantoor of andere bedrijfsinfrastructuur. Die onderneming is zichtbaar en tastbaar aanwezig in het land waar zij haar activiteiten uitoefent.

Economisch kunnen beide ondernemingen vergelijkbare activiteiten verrichten. Fiscaal kan het resultaat internationaal echter volledig anders zijn.

Dat spanningsveld stond centraal in mijn doctoraat: hoe moet een internationaal belastingstelsel eruitzien dat ook in een sterk geautomatiseerde economie billijk blijft?

Oude regels, nieuwe bedrijfsmodellen

AI en robotica creëren niet noodzakelijk volledig nieuwe fiscale problemen. Ze maken vooral bestaande zwaktes zichtbaarder. Het internationale belastingrecht is historisch gegroeid rond ondernemingen die activiteiten uitoefenen via mensen en fysieke aanwezigheid. Ook winsttoerekening vertrekt nog sterk van menselijke functies: wie neemt beslissingen, wie beheert risico’s en waar bevinden de belangrijkste activiteiten zich? Automatisering maakt die uitgangspunten minder vanzelfsprekend.

Daardoor ontstaan er uitdagingen op drie niveaus vanuit een internationaal perspectief:

  • hoe kwalificeren we inkomsten?
  • wanneer krijgt een land een heffingsrecht? en
  • hoeveel winst mag het vervolgens belasten?

Die vragen raken ook aan de billijkheid van het systeem. Economisch vergelijkbare ondernemingen zouden fiscaal vergelijkbaar moeten worden behandeld, ongeacht of activiteiten door werknemers van de onderneming, AI of robots worden uitgevoerd. Tegelijk moeten de regels voorspelbaar en werkbaar blijven en leiden tot een billijke verdeling van heffingsrechten tussen landen.

Dienst, royalty of ondernemingswinst?

Een eerste probleem is de fiscale kwalificatie. Een vergoeding voor toegang tot een AI-systeem of AI-gegenereerde output kan als ondernemingswinst worden behandeld, maar kan ook afhankelijk van het toepasselijk dubbelbelastingverdrag als royalty of vergoeding voor diensten kwalificeren.

De kwalificatie van het inkomen is belangrijk want deze bepaalt welk land mag belasten en of bijvoorbeeld bronheffing mogelijk is. Naarmate technologieën en diensten verder in elkaar overvloeien, wordt het echter moeilijker transacties in afzonderlijke fiscale hokjes onder te brengen. Dat creëert rechtsonzekerheid en kan ertoe leiden dat economisch vergelijkbare activiteiten verschillend worden behandeld door hun juridische of contractuele vorm.

Mijn onderzoek verkent daarom de mogelijkheid van een ruimer en uniform concept van ondernemingswinst voor AI- en robotgerelateerde activiteiten. Een dergelijk concept kan echter niet los worden gezien van de manier waarop de winsten vervolgens tussen landen worden verdeeld. Zonder een billijk mechanisme voor verdeling zouden sommige landen immers heffingsrechten kunnen verliezen zonder daarvoor elders te worden gecompenseerd. Een breed internationaal draagvlak voor zo’n hervorming lijkt daarom moeilijk denkbaar zonder ook die regels te herbekijken.

Waar is een onderneming actief?

Een tweede uitdaging betreft de vaste inrichting. Vandaag krijgt een land doorgaans pas een recht om ondernemingswinsten van een buitenlandse onderneming te belasten wanneer er voldoende relevante aanknopingspunten zijn. De vaste inrichting blijft daarbij nog sterk gekoppeld aan fysieke aanwezigheid. De vraag is of deze fysieke aanwezigheid op de dag van vandaag nog het meest pertinent criterium is.

Een onderneming die met AI duizenden klanten in een land bedient, kan daar economisch sterk aanwezig zijn zonder een vaste inrichting te creëren. Een onderneming die lokaal robots inzet, heeft daarentegen mogelijk wel voldoende fysieke aanwezigheid om een vaste inrichting te erkennen. En tenslotte, een server kan onder bepaalde omstandigheden een vaste inrichting vormen, maar waarom zou de plaats waar een server staat zo’n belangrijke fiscale betekenis krijgen? Servers worden vaak gelokaliseerd op basis van technische efficiëntie, regelgeving, energieprijzen of databeveiliging en houden niet noodzakelijk verband met de activiteit van de onderneming.

Het fiscale antwoord zou daarom minder moeten afhangen van waar technologie fysiek staat en meer van waar een onderneming duurzaam economisch participeert. Een land waarin een onderneming betekenisvol economisch participeert, kan immers een legitieme fiscale aanspraak hebben, ook zonder traditionele fysieke aanwezigheid. Dat sluit m.i. aan bij het principe van economic allegiance, of economische verbondenheid.

Ook het arm’s-lengthbeginsel bereikt zijn grenzen

Bepalen welk land mag belasten, is slechts de eerste stap. Vervolgens rijst de vraag welk deel van de winst aan dat land mag worden toegerekend.

Binnen multinationale groepen gebeurt die winsttoerekening vandaag grotendeels volgens het arm’s-lengthbeginsel, waarbij onder meer wordt gekeken naar functies, activa en risico’s. Automatisering zet ook die benadering onder druk. Vooral bij sterk geautomatiseerde bedrijfsmodellen kunnen residuele winsten voortvloeien uit een combinatie van schaalvoordelen, geïntegreerde wereldwijde activiteiten en netwerkeffecten. Dergelijke winsten laten zich moeilijk via een klassieke functieanalyse aan één onderneming of land toerekenen.

Daarom maak ik in mijn onderzoek een onderscheid tussen routine- en residuele winsten. Voor routinewinsten kan het arm’s-lengthbeginsel naar mijn mening bruikbaar blijven, op voorwaarde dat het technologieneutraal wordt toegepast. Het zou bijvoorbeeld niet mogen uitmaken of een vergelijkbare routinefunctie door werknemers of door een geautomatiseerd robotsysteem wordt uitgevoerd. Voor residuele winsten, die zich veel moeilijker via traditionele functies, activa en risico’s laten lokaliseren, is mogelijks een andere benadering nodig.

Een mogelijke formule voor residuele winsten

Voor die residuele winsten stel ik daarom voor om de klassieke functieanalyse te vervangen door een verdeling op basis van meetbare vormen van economische participatie. Daarmee sluit de winsttoerekening aan bij de economische verbondenheid van een onderneming met verschillende landen.

Die verbondenheid kan op verschillende manieren tot uiting komen. Omzet weerspiegelt bijvoorbeeld de betrokkenheid bij een markt, terwijl factoren zoals gekwalificeerde arbeid en materiële activa rekening houden met de landen waar ontwikkeling en productie plaatsvinden. Bij bepaalde consumentgerichte AI-modellen kan daarnaast ook structurele gebruikersparticipatie relevant zijn.

Welke factoren het zwaarst moeten doorwegen, is echter minder eenvoudig. Meer gewicht voor omzet versterkt de positie van marktlanden, terwijl arbeid en materiële activa eerder productie- en innovatielanden bevoordelen. Een perfecte verdeelsleutel bestaat dan ook niet.

Mijn voorstel pretendeert daarom ook niet alle problemen van het huidige systeem op te lossen. Het onderzoekt veeleer hoe een werkbaar compromis eruit zou kunnen zien, waarbij billijkheid voor ondernemingen en landen wordt afgewogen tegen rechtszekerheid en administratieve werkbaarheid. Ook de politieke haalbaarheid speelt daarbij een rol: een internationale hervorming kan uiteindelijk alleen functioneren wanneer voldoende landen bereid zijn ze te aanvaarden.

Het resultaat is bewust geen volledige breuk met het bestaande systeem, maar een hybride benadering: het arm’s-lengthbeginsel behouden waar het nog bruikbaar is, en aanvullen met een andere methode waar automatisering de beperkingen ervan blootlegt.

AI vraagt niet om een aparte AI-belasting

Een belangrijke conclusie van mijn onderzoek is misschien net wat ik níét voorstel: een afzonderlijk internationaal belastingstelsel voor AI of robots. Technologie verandert daarvoor te snel en raakt steeds meer verweven met gewone bedrijfsactiviteiten.

De uitdaging is daarom het internationale belastingrecht technologieneutraler te maken. Of een activiteit wordt uitgevoerd door een werknemer, een algoritme of een robot zou op zichzelf niet mogen bepalen waar winst wordt belast.

Mijn voorstellen vormen daarbij geen pasklare oplossing, maar verkennen hoe het internationale belastingrecht kan evolueren met oog voor billijkheid, werkbaarheid en politieke haalbaarheid. De fundamentele vraag blijft hoe heffingsrechten op een billijke en werkbare manier kunnen worden verdeeld over de landen waarmee een onderneming economisch verbonden is.

AI en robotica maken die vraag urgenter. Ze bieden tegelijk een kans om bestaande regels te herbekijken, zodat het internationale belastingrecht ook in een sterk geautomatiseerde economie blijft aansluiten bij de economische realiteit.

Dina Scornos, advocaat bij Tiberghien

Recente Jobs

Management Assistent
Ondernemingsrecht
0 - 3 jaar
Oost-Vlaanderen
Juridisch adviseur
Commercieel recht
1 - 4 jaar
Oost-Vlaanderen
Notarieel jurist
Notariaat
0 - 3 jaar
Vlaams-Brabant
Dossierbeheerder
sociaal recht
0 - 3 jaar
Vlaanderen
Auditor
Fiscaal recht
5+ jaar
Vlaanderen

Blijf op de hoogte

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

0 Reacties

0 reacties

Een reactie versturen

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *