Jubel

Dit is de Jubel-postbus. Op deze pagina verschijnen artikels geschreven door specialisten in het recht, notariaat, fiscaliteit, accountancy en Legal Tech zonder eigen auteurspagina op Jubel.be.

De artikels geplaatst onder de Jubel-postbus, spelen in op de juridische en fiscale actualiteit in België. Om die reden is de Jubel-postbus een onmisbare hulp voor wie op de hoogte wil blijven van de juridische en fiscale wereld en het Belgisch recht.

De standpunten en opinies vertolkt in de artikels die onder de Jubel-postbus verschijnen, binden enkel de auteur van de bijdrage zelf en vertegenwoordigen niet noodzakelijk de mening van Jubel, de Jubel-redactie of KnopsPublishing.

Wil u zelf bijdragen aan de Jubel-postbus? Mail dan naar redactie@jubel.be. Na evaluatie door de redactie, wordt uw bijdrage gepubliceerd.

Voor het eerst in de geschiedenis van de Belgische justitie diende een rechter zich onlangs uit te speken over het nationale koloniale verleden. Vijf metissenvrouwen leidden bij de burgerlijke rechter immers een buitencontractuele aansprakelijkheidsvordering in tegen de Belgische Staat en vorderden financiële genoegdoening voor het leed dat zij ten tijde van het koloniale bewind ervoeren. In een vonnis van 8 december 2021[1] werden de vorderingen van de vijf vrouwen door de Franstalige rechtbank van eerste aanleg van Brussel afgewezen.

Situering

Tijdens de koloniale periode voerden de Belgische overheden ten aanzien van de metissenkinderen in Belgisch Congo en de mandaatgebieden Ruanda-Urundi een segregatiebeleid dat erin bestond om de kinderen weg te halen bij hun Afrikaanse moeders en ze vervolgens samen op te voeden in weeshuizen en pensionaten. Na de onafhankelijkheid van Congo in 1960 werd bovendien besloten om de Belgische nationaliteit in te trekken van de metissen die geboren werden gedurende de kolonisatie en die noch een wettig kind, noch een door een Belg erkend kind waren.

Het bestaan en de ernst van deze praktijken werd door de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers uitdrukkelijk erkend in een resolutie van 29 maart 2018.[2] In navolging van de vermelde resolutie, bood voormalig premier Charles Michel namens de Belgische regering op 4 april 2019 in de plenaire vergadering van het federale parlement zijn verontschuldigingen aan tegenover “de metissen van Belgische koloniale origine en hun families”. In het bijzonder erkende de premier “de gerichte segregatie waarvan (de metissen) het slachtoffer waren onder het koloniale bestuur van Belgisch Congo en Ruanda-Urundi tot 1962 en na de dekolonisatie, evenals het daarmee samenhangende beleid van gedwongen ontvoeringen”.[3]

De vermelde excuses bleken voor een aantal betrokkenen evenwel ruimschoots onvoldoende. In juni 2020 daagden vijf metissenvrouwen, allen kinderen van Congolese moeders en Belgische vaders en allen tevens geboren in Congo tijdens de koloniale periode, de Belgische Staat namelijk voor de rechtbank.

In het kader van hun vorderingen eisten zij elk een schadevergoeding van 50.000 euro, die gegrond werd op de these dat de Belgische Staat zich van 1948 tot 1961 schuldig zou hebben gemaakt aan, enerzijds, misdaden tegen de mensheid en, anderzijds, de schending van een aantal fundamentele mensenrechten, zoals het verbod op een onmenselijke en vernederende behandeling en het verbod op rassendiscriminatie.

Verjaring van eventuele schendingen van fundamentele mensenrechten

Met betrekking tot de aangevoerde schendingen van fundamentele mensenrechten, oordeelde de Franstalige rechtbank van eerste aanleg van Brussel dat deze vorderingen verjaard zijn[4], zonder zich daarbij evenwel uit te spreken over de vraag of er überhaupt enig mensenrecht werd miskend.

De rechtbank kwam tot deze vaststelling op basis van een verwijzing naar het tot in 1970 van toepassing zijnde artikel 34 van de wet op de Rijkscomptabiliteit[5], waarin bepaald werd dat elke buitencontractuele aansprakelijkheidsvordering t.a.v. de Belgische Staat verjaarde binnen een termijn van 5 jaar, te rekenen vanaf het ogenblik waarop de fout in hoofde van de Staat zich manifesteerde. Aangezien de vijfjarige verjaringstermijn ook in alle navolgende aansprakelijkheidswetgeving werd hernomen, de feiten waarop de metissenvrouwen zich beroepen betrekking hebben op de periode 1948-1961 en de vordering aldus uiterlijk op 31 december 1966 diende te worden ingeleid, oordeelde de rechtbank dat elke buitencontractuele aansprakelijkheidsvordering die zou voortvloeien uit een uit een schending van mensenrechten resulterende fout in hoofde van de Belgische Staat op heden als verjaard moet worden beschouwd.

Geen verjaring van misdaden tegen de mensheid

Tot een gelijkaardige vaststelling kwam de rechtbank daarentegen niet aangaande de aangevoerde misdaden tegen de mensheid. De rechtbank oordeelde immers dat artikel 26 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering daar aan in de weg staat. Op grond van voormelde bepaling kan de burgerlijke rechtsvordering die volgt uit een misdrijf namelijk niet verjaren alvorens er uitspraak wordt gedaan over de strafvordering. In afwezigheid van enige voorafgaande strafprocedure, meende de rechtbank in casu dan ook dat er van verjaring geen sprake is.[6]

Koloniale feiten kwalificeren niet als misdaden tegen de mensheid

Hoewel er op burgerrechtelijk vlak nog geen verjaring is ingetreden, stipuleerde de rechtbank desondanks dat de vorderingen van de metissenvrouwen ten gronde toch niet konden worden weerhouden. Dit omwille van de omstandigheid dat er naar mening van de beoordelende rechter geen sprake was van enige buitencontractuele fout. De rechtbank meende immers dat “de politiek van ontvoering van metissenkinderen en hun onderbrenging bij religieuze instellingen op grond van raciale motieven” in het kader van het voorliggende geschil niet als misdaden tegen de mensheid kunnen worden beschouwd.

Tot voormelde conclusie besloot de rechtbank vertrekkende vanuit, enerzijds, het legaliteitsbeginsel, dat inhoudt dat een strafbare gedraging bij wet voorzien, duidelijk omschreven, precies en toegankelijk moet zijn, opdat rechtssubjecten in alle redelijkheid en op correcte wijze de gevolgen van hun daden kunnen inschatten en, anderzijds, het beginsel van de niet- retroactieve werking van de strafwet, zoals neergelegd in artikel 2 van het Strafwetboek. In het bijzonder oordeelde de rechtbank dat het vraagstuk naar het al dan niet voorhanden zijn van misdaden tegen de mensheid moest worden opgelost via het formuleren van een antwoord op de vraag of de aangekaarte handelingen in het licht van de maatschappelijke context in de periode 1948-1961 en op basis van het op dat ogenblik geldende juridisch kader als dergelijke misdrijven konden worden gekwalificeerd.[7]

Dienaangaande kwam de rechtbank vooreerst tot de vaststelling dat er in de periode 1948-1961 geen wettelijk kader bestond voor strafbare gedragingen die op heden als misdaden tegen de mensheid worden omschreven. Het is immers pas sinds de wet van 1999[8] dat artikel 136ter van het Strafwetboek dergelijke misdaden strafbaar stelt.

Evenwel blijkt uit een lezing van de parlementaire voorbereiding bij de wet van 1999 dat de wetgever de beoogde strafbaarstelling ook van toepassing wilde verklaren op feiten gepleegd voorafgaandelijk aan haar inwerkingtreding. Zulks echter op voorwaarde dat de strafbaarstelling van de betreffende feiten beschouwd kan worden als een vorm van internationaal strafrechtelijk gewoonterecht.[9]

In casu oordeelde de rechtbank dat er van een gewoonterechtelijke regel geen sprake is.[10] De toenmalige feiten werden in de opinio iuris destijds immers niet als misdrijven tegen de mensheid gecatalogeerd. Evenmin was het een vaste en gemeenschappelijke praktijk van Staten om de gehanteerde segregatiepolitiek als misdrijven te beschouwen en/of te vervolgen. Hoewel de rechtbank vaststelt dat er op heden steeds meer politieke wil bestaat om historisch onrecht te herstellen en het begrip ‘misdrijf tegen de mensheid’ ook steeds ruimer moet worden geïnterpreteerd, zodat het toenmalige metissenbeleid in een actuele context wel degelijk als een dergelijk misdrijf zou moeten worden opgevat, kan de in de periode 1948-1961 gehanteerde politiek van ontvoering en onderbrenging van metissenkinderen bij religieuze instellingen op grond van raciale motieven volgens de rechtbank niet worden beschouwd als een misdrijf tegen de mensheid.

Voormelde vaststelling vindt volgens de rechtbank ook bijkomend steun in de omstandigheid dat het gehanteerde beleid niet ingegeven was vanuit een systematische politiek van opzettelijke vernietiging, die net karakteriserend is voor een misdaad tegen de mensheid.

Evenwel erkende de beoordelende rechter ook expliciet dat de litigieuze praktijken onaanvaardbaar waren en dat de koloniale overheden destijds hun boekje ver te buiten gingen. Het ervaren leed van de agerende dames werd bijgevolg uitdrukkelijk onderschreven.

Geen herstelvergoedingen

Aangezien het tussen 1948-1961 gevoerde beleid, in afwezigheid van een gewoonterechtelijke regel, niet als een misdrijf tegen de mensheid kan worden beschouwd, oordeelde de rechtbank dat er geen sprake is van enige buitencontractuele fout in hoofde van de Belgische Staat. De vorderingen tot schadevergoeding van de vijf metissenvrouwen werden dan ook afgewezen als zijnde ongegrond. De dames in kwestie werden bovendien ook veroordeeld tot de betaling van de kosten van het geding. De verhoopte herstelvergoedingen, die de inzet vormden van de procedure, blijven aldus (voorlopig nog) uit.

Nood aan beleidsinitiatieven

Het eerste koloniale proces in de Belgische geschiedenis liep in eerste aanleg af op een sisser voor de slachtoffers uit het Congotijdperk. Of er tegen het vonnis van 8 december 2021 hoger beroep zal worden ingesteld is voorlopig nog onduidelijk. De vraag kan evenwel worden gesteld of het aangewezen is om de discussies die het voorwerp vormden van de besproken zaak in de rechtszaal te voeren. Het via individuele vorderingen trachten af te dwingen van herstelvergoedingen kan immers moeilijk als een omvattende oplossing worden beschouwd. Bovendien kan in dit verband niet worden uitgesloten dat er tegenstrijdige rechterlijk uitspraken zullen volgen, hetgeen aanleiding zou kunnen geven tot ongelijke afwikkelingen van procedures, wat geenszins de bedoeling kan en mag zijn.

Het verdient dan ook de aanbeveling dat politici hun verantwoordelijkheden ter zake opnemen en via duidelijke beleidskeuzes bepalen of, en desgevallend wanneer en op welke wijze, de slachtoffers van het koloniale bewind zullen worden vergoed. Bij gebrek aan enige politieke duidelijkheid op dit vlak, staat het evenwel in de sterren geschreven dat het laatste woord over dit onderwerp nog niet neergepend is.

Laurens De Brucker – Advocaat publiek recht Xirius Public

Laurens De Brucker is advocaat publiek recht bij Xirius Public, kernredactielid van het tijdschrift MER (Milieu- en Energierecht) en als doctoraal onderzoeker verbonden aan het Leuven Centre for Public Law.


referenties:

[1] Rb. Brussel (Fr.) 8 december 2021, nr. 20/4655/A, onuitg.

[2] Resolutie van 29 maart 2018 over de segregatie waarvan de metissen uit de periode van de Belgische kolonisatie in Afrika het slachtoffer zijn geweest, Parl.St. Kamer 2017-18, nr. 2952/007, 3-4. https://www.lachambre.be/FLWB/pdf/54/2952/54K2952007.pdf

[3] Hand. Kamer 2018-19, 4 april 2019, nr. 280, 15. https://www.dekamer.be/doc/PCRA/pdf/54/ap280.pdf

[4] Rb. Brussel (Fr.) 8 december 2021, nr. 20/4655/A, onuitg, p. 8-9.

[5] Wet van 15 mei 1846 op de Rijkscomptabiliteit, BS. 19 mei 1846.

[6] Rb. Brussel (Fr.) 8 december 2021, nr. 20/4655/A, onuitg, p. 9.

[7] Rb. Brussel (Fr.) 8 december 2021, nr. 20/4655/A, onuitg, p. 11.

[8]Wet van 10 februari 1999 betreffende de bestraffing van ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht, BS. 3 maart 1999.

[9] Parl.St. Senaat 1998-99, nr. 1-749-3, 16-17.

[10] Rb. Brussel (Fr.) 8 december 2021, nr. 20/4655/A, onuitg, p. 15-16.

Jubel

Dit is de Jubel-postbus. Op deze pagina verschijnen artikels geschreven door specialisten in het recht, notariaat, fiscaliteit, accountancy en Legal Tech zonder eigen auteurspagina op Jubel.be.

De artikels geplaatst onder de Jubel-postbus, spelen in op de juridische en fiscale actualiteit in België. Om die reden is de Jubel-postbus een onmisbare hulp voor wie op de hoogte wil blijven van de juridische en fiscale wereld en het Belgisch recht.

De standpunten en opinies vertolkt in de artikels die onder de Jubel-postbus verschijnen, binden enkel de auteur van de bijdrage zelf en vertegenwoordigen niet noodzakelijk de mening van Jubel, de Jubel-redactie of KnopsPublishing.

Wil u zelf bijdragen aan de Jubel-postbus? Mail dan naar redactie@jubel.be. Na evaluatie door de redactie, wordt uw bijdrage gepubliceerd.

Bekijk alle artikelen

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.