Today's Lawyer

Advocaten moeten goede juristen zijn, maar ook - en steeds meer - goede ondernemers. Sommige advocaten zijn daar zeer bedreven in. Andere doen het met wat tegenzin, omdat ze te veel van het ambachtelijke advocatenwerk houden. Maar iedereen wordt met de zakelijke aspecten van de beroepsuitoefening geconfronteerd:

- Hoe bepaal ik mijn tarieven?
- Zijn er nieuwe businessmodellen voor de advocatuur?
- Welke marketinginspanningen zijn noodzakelijk of nuttig voor een advocatenkantoor?
- Etc...

Today’s Lawyer behandelt dit soort vragen: in een directe stijl en a.d.h.v. korte, toegankelijke artikels. Soms als aanzet tot reflectie en actie. Dan weer om uw blik te verruimen. Om u de bevestiging te geven van wat u al langer aanvoelde, of misschien juist om uw eigen werkmethodes in vraag te stellen en nieuwe ideeën op te pikken. Dit tijdschrift informeert u over alle onderwerpen die de ondernemende advocaat interesseren en aanbelangen.

De kernredactie bestaat uit advocaten die gepassioneerd zijn door hun beroep en die zelf graag stilstaan bij de nieuwe evoluties. Daarnaast is er een schare co-auteurs die beknopt en to-the-point hun expertise (in marketing, IT, accountancy, deontologie, sociaal recht, enz.) samenballen in leesbare, toegankelijke bijdragen.

In een bijdrage gepubliceerd in het vorig nummer van Today’s Lawyer bespraken wij het arrest van het Hof van Justitie van 14 mei 2020 in de zaak C/667/18, waarin uitspraak werd gedaan over een prejudiciële beslissing van ons Grondwettelijk Hof, met betrekking tot de draagwijdte van het begrip “vrije keuze van een advocaat”.

Huidig artikel betreft een ander aspect van deze vrije keuze, te weten of het de rechtsbijstandsverzekeraar toegelaten is verzekerden binnen het raam van hun rechtsbijstandspolis aan te zetten te kiezen voor een advocaat die de barema’s toepast, vastgesteld door het koninklijk besluit van 28 juni 2019 en dit middels onder die voorwaarde het verzekerde bedrag te verhogen en de franchise kwijt te schelden. Het barema waarnaar wordt verwezen is het barema opgenomen in het koninklijk besluit van 28 juni 2019 tot uitvoering van de wet van 28 april 2019 tot het toegankelijker maken van de rechtsbijstandsverzekering (ook wel de Wet Geens en het KB Geens genoemd; zie in dat verband ons artikel “De fiscaal aftrekbare rechtsbijstandsverzekering: een vloek of een zegen”, in Today’s Lawyer, september 2019, jaargang 5, nr. 3, p. 21).

Wij schreven toen reeds dat in dit systeem het niet onwaarschijnlijk was dat rechtsbijstandsverzekeraars bereid zouden zijn de maximum waarborgen op te trekken voor advocaten die zich conventioneren.

Deze vrees werd bewaarheid, nu de rechtsbijstandsverzekeraar ARAG aansluitend op de hogervermelde wet een polis op de markt bracht waarin de maximum waarborg wordt opgetrokken indien de verzekerde een beroep doet op een geconventioneerd advocaat, die de tarieven toepast van het koninklijk besluit van 28 juni 2019 en waarbij de gebeurlijke franchise wordt kwijtgescholden.

De polis van ARAG is al minstens aan zijn derde versie toe. Hierover zijn actueel twee procedures gevoerd voor de Ondernemingsrechtbank te Brussel door de OBFG. De eerste procedure gaf aanleiding tot een vonnis van 11 september 2019. Zij had betrekking op de polis “ARAG LegalU”. In deze polis zijn de bijkomende voordelen voorzien voor de verzekerde die een beroep doet op een advocaat “labellisé ARAG”. In een volgende versie van de ARAG-brochure wordt de “avocat labellisé” dan vervangen door “avocat partenaire”. Wat ook de benaming zij, het gaat in beide gevallen om een advocaat die deel uitmaakt van een door ARAG samengestelde pool.

In het vonnis van 11 september 2019 werd deze praktijk als onwettig bestempeld en werd een stakingsbevel gegeven aan ARAG om een einde te stellen aan de publiciteit voor en de commercialisering van deze polis. ARAG berustte in dit vonnis.

De OBFG zag zich echter genoodzaakt een tweede procedure in te leiden, nu ARAG weliswaar de eerdere polis, waarin verwezen werd naar het begrip “avocat labellisée/partenaire ARAG”, van de markt haalde, maar deze verving door een nieuwe versie waarin niet meer naar dit begrip wordt verwezen, maar waarbij enkel wordt verwezen naar advocaten die zich ertoe verbonden de barema’s van het KB Geens toe te passen. In deze betwisting heeft de Ondernemingsrechtbank van Brussel bij vonnis van 11 maart 2020 ook deze derde versie van de polis onwettig verklaard en lastens ARAG een stakingsbevel uitgesproken. ARAG zou inmiddels hoger beroep hebben aangetekend tegen deze laatste beslissing.

ARAG betoogde dat zijn systeem wettig zou zijn, nu het Grondwettelijk Hof in een arrest van 14 november 2019 had geoordeeld dat artikel 8, § 2 van de Wet Geens de advocaat niet benadeelt nu het de advocaat is die kiest om het barema al dan niet toe te passen en het de cliënt is die beslist, in het licht hiervan een beroep te doen op deze advocaat. De Ondernemingsrechtbank heeft hierop geantwoord dat deze uitspraak vreemd is aan de vraag of de door de verzekeraar aangeboden polis LegalU 3 al dan niet het principe van de vrije keuze van advocaat respecteert.

ARAG hield verder voor dat overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie de vrije keuze van advocaat niet absoluut zou zijn. Zij verwees in dat verband naar het arrest Stark, door het Hof van Justitie uitgesproken op 26 mei 2011 De Heer Stark is een Oostenrijks burger, die op basis van zijn polis rechtsbijstand een procedure wilde voeren voor de Arbeidsrechtbank in Wenen. Hij wilde daarvoor een beroep doen op een advocaat van zijn woonplaats Landeck, gelegen op 600 kilometer van Wenen. De verzekeringspolis bevatte conform de Oostenrijkse wet een clausule die voorzag dat er vrije keuze van advocaat was, maar beperkt tot advocaten die hun kantoor hebben op de plaats waar de procedure moet worden gevoerd of als er op die plaats niet minstens vier advocaten ter beschikking waren, de keuze kon worden uitgebreid tot het ressort van de Rechtbank van Eerste Aanleg waarin het geadieerde gerecht zich bevond.

Het Hof van Justitie oordeelde dat de Oostenrijkse wetsbepaling die dergelijke clausule in een verzekeringsovereenkomst toeliet, niet strijdig is met de vrije keuze van advocaat, zoals opgenomen in de richtlijn in de mate dat de verzekerde voor zijn vertegenwoordiging in een gerechtelijke of administratieve procedure enkel een tot de beroepshalve vertegenwoordiging van partijen bevoegde persoon mag kiezen die kantoor houdt in de plaats van de gerechtelijke of administratieve instantie die in eerste aanleg bevoegd is, voor zover, ten einde de vrijheid van de verzekerde om de met zijn vertegenwoordiging belaste persoon te kiezen niet van haar inhoud te beroven, deze beperking slechts betrekking heeft op de reikwijdte van de dekking door de rechtsbijstandsverzekeraar van de kosten van de bijstand door een vertegenwoordiger, en de door deze verzekeraar werkelijk betaalde vergoeding toereikend is, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.

Het OBFG betoogde dat in casu ARAG er niet naar streefde de verplaatsingskosten van de advocaat te beperken, maar vanaf het begin de verzekerden naar een advocaat te kanaliseren die aanvaardde het barema van het KB Geens toe te passen.

De Ondernemingsrechtbank overwoog dat indien ARAG zich er had toe beperkt om de verstrekte waarborg te beperken en een franchise in te voeren, er geen vuiltje aan de lucht zou zijn geweest, maar er wel een beperking van de vrije keuze van advocaat is wanneer deze voorwaarden gekoppeld worden aan de categorie van gekozen advocaat. De Ondernemingsrechtbank stelt vast dat ARAG zelf een deel van de vrije keuze van advocaat uitoefent, die zij zou dienen te waarborgen aan haar verzekerden, en zo deze vrije keuze van haar inhoud berooft. De Ondernemingsrechtbank weigerde aldus in te gaan op het verzoek van ARAG desbetreffend een prejudiciële vraag te stellen. Nu deze zaak een princiepskwestie is, is het zeer waarschijnlijk dat zij in een later stadium toch aan het Hof van Justitie wordt voorgelegd.

Wordt ongetwijfeld vervolgd.

Herman Buyssens – Chair Insurance Committee CCBE


 

Bovenstaande bijdrage van Herman Buyssens verscheen eerder in nummer 2020/3 van het tijdschrift Today’s Lawyer. Raadpleeg hier de abonnementsvoorwaarden.

Today's Lawyer

Advocaten moeten goede juristen zijn, maar ook - en steeds meer - goede ondernemers. Sommige advocaten zijn daar zeer bedreven in. Andere doen het met wat tegenzin, omdat ze te veel van het ambachtelijke advocatenwerk houden. Maar iedereen wordt met de zakelijke aspecten van de beroepsuitoefening geconfronteerd:

- Hoe bepaal ik mijn tarieven?
- Zijn er nieuwe businessmodellen voor de advocatuur?
- Welke marketinginspanningen zijn noodzakelijk of nuttig voor een advocatenkantoor?
- Etc...

Today’s Lawyer behandelt dit soort vragen: in een directe stijl en a.d.h.v. korte, toegankelijke artikels. Soms als aanzet tot reflectie en actie. Dan weer om uw blik te verruimen. Om u de bevestiging te geven van wat u al langer aanvoelde, of misschien juist om uw eigen werkmethodes in vraag te stellen en nieuwe ideeën op te pikken. Dit tijdschrift informeert u over alle onderwerpen die de ondernemende advocaat interesseren en aanbelangen.

De kernredactie bestaat uit advocaten die gepassioneerd zijn door hun beroep en die zelf graag stilstaan bij de nieuwe evoluties. Daarnaast is er een schare co-auteurs die beknopt en to-the-point hun expertise (in marketing, IT, accountancy, deontologie, sociaal recht, enz.) samenballen in leesbare, toegankelijke bijdragen.

Bekijk alle artikelen

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.