knokke art fair

Op 1 juli sprak het Grondwettelijk Hof zich uit over de wettelijke regeling waardoor reclame door apothekers aan banden wordt gelegd. Apothekers verkopen niet alleen geneesmiddelen (al dan niet op voorschrift), maar ook “parafarmaceutische producten” (onder meer shampoos en voedingssupplementen). Deze laatste producten worden echter ook elders verkocht, zoals in drogisterijen en in supermarkten. Wanneer apothekers diezelfde producten willen verkopen zijn zij onderworpen aan wettelijke en deontologische beperkingen die niet voor de supermarkt gelden. Apothekers mogen bijvoorbeeld niet aanzetten tot overconsumptie, al kan men zich bij de verkoop van shampoos daar wel vragen over stellen. Apothekers zijn natuurlijk ondernemers in de zin van het Wetboek van Economisch Recht, maar hebben als beoefenaars van een vrij beroep ook een taak van algemeen belang en dus vindt het Grondwettelijk Hof het verantwoord dat er aan de apotheker beperkingen worden opgelegd. Het Hof vindt dat “omwille van het vertrouwen dat het publiek” in apothekers moet kunnen stellen, ook voor reclame voor shampoos strenge (wettelijke en ook deontologische) beperkingen mogen gelden. Alle activiteiten van apothekers vormen volgens het Grondwettelijk Hof “één geheel” en de patiënten moeten vertrouwen kunnen hebben in alle door hen aangeboden producten. Eerder had ook al het Hof van Cassatie gewezen op de ondeelbaarheid van de deontologie van de apothekers.

De situatie van apothekers, die tot de categorie van gezondheidszorgberoepen behoren, valt natuurlijk niet echt te vergelijken met deze van advocaten. Toch biedt de lectuur van het arrest ook interessante inzichten en vragen voor de advocatendeontologie.

Zo wordt ook in de advocatuur vaak gezegd dat de “deontologie één en ondeelbaar is”. Toch is dat minder evident dan het lijkt. Er zijn algemeen ethische normen van “waardigheid, kiesheid en rechtschapenheid” die altijd gelden (zelfs in het privéleven), maar het zijn vaak holle, subjectieve en in ieder geval rechtsonzekere begrippen. Daarnaast zijn er de “kernwaarden” van het beroep, die enkel gelden bij de klassieke advocatentaken. Dat zijn volgens artikel 11 van de OVB-Codex deontologie “het vertegenwoordigen, bijstaan en verdedigen in rechte van de cliënt en het verlenen van juridisch advies”. In die gevallen geldt de deontologische plicht om de “kernwaarden” te respecteren. Dat betekent het beroepsgeheim respecteren, belangenconflicten vermijden, onafhankelijk te handelen en “partijdig” te zijn (en dus is volgens artikel 4 OVB-codex de advocaat “steeds verplicht de belangen van de cliënt zo goed mogelijk te behartigen en die boven zijn eigen belangen of die van derden te stellen”). Curatoren, bewindvoerders en bemiddelaars mogen echter niet partijdig zijn. Ook “collaboratief onderhandelen” is geen kerntaak, terwijl ook hier de wetgever dit uitdrukkelijk heeft voorbehouden voor de advocatuur (artikel 1740 Ger.W. stelt dat collaboratieve advocaten er zich toe verbinden om niet in rechte op te treden, terwijl artikel 11 OVB-codex het uitdrukkelijk heeft over vertegenwoordiging “in rechte”). Kortom, van eenheid van de deontologie is helemaal geen sprake. En dat geldt zeker voor alle andere activiteiten die een advocaat naast zijn klassieke taken mag uitoefenen (cafébaas, operazanger, bestuurder van vennootschappen en zoveel meer), waar ook daar (enkel) de ethische normen moeten worden gerespecteerd (u weet wel, de waardigheid en de kiesheid).

Als het Grondwettelijk Hof ook voor de advocatuur zou vinden dat de ganse deontologie voor alle activiteiten moet gelden (en daar valt in het licht van het recente arrest over de apothekers veel voor te zeggen), dan rijst de vraag of de kerntaken niet anders zullen moeten worden gedefinieerd. Waarom beperkt zich dat trouwens tot de vertegenwoordiging “in rechte”?

Er moet verder ook eens worden nagedacht over die kernwaarden. Is de “partijdigheidsplicht” wel zo essentieel? Volstaat de onafhankelijkheid niet? Die partijdigheidsplicht sluit activiteiten uit waarvan de wetgever en de deontologie vinden dat de advocaat daarvoor het meest geschikt is.

In de één en ondeelbare deontologie is de advocatuur verplicht het beroep opnieuw te definiëren en de codex te ontdoen van die vaak warrige opdeling tussen kerntaken en andere bezigheden. Het arrest van het Grondwettelijk Hof zal dus hopelijk ook buiten de wereld van de apothekers voor reflectie zorgen. Naast een debat binnen de OVB (en daar moet niet gewacht worden op de resultaten van de “taskforce overmorgen”, want het is een uitdaging van vandaag) zal het misschien ook aanleiding geven tot prejudiciële vragen in (tucht)procedures. Het debat is een grote uitdaging voor de Orde van Vlaamse Balies, die als zelfregulerende instantie verplicht wordt opnieuw duidelijk te bepalen wat een advocaat is en wat daarvan verwacht mag worden.

Hugo LAMON

***

Meer blogposts lezen van Hugo Lamon? Dat kan hier!

Hugo Lamon

Mr. Hugo Lamon is advocaat aan de balie van Limburg en Brussel NL. Hij publiceert over o.m. ondernemingsrecht en deontologie. Hij mengt zich al jaren in het maatschappelijk debat over justitie.

Bekijk alle artikelen

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.