Le gouvernement des juges: regeren onze rechters? cover

8 mei 2023 | Column

Le gouvernement des juges: regeren onze rechters?

Recente vacatures

Notarieel jurist
Burgerlijk recht Fiscaal recht Gerechtelijk recht Ondernemingsrecht
0 - 3 jaar
West-Vlaanderen
Notarieel jurist
Burgerlijk recht Vastgoed
0 - 3 jaar
Limburg
Advocaat
Omgevingsrecht Vastgoed
3 - 7 jaar
Antwerpen
Uitgever
3 - 7 jaar
Antwerpen

Aankomende events

In zijn nieuw opiniestuk maakt meester Rob Valkeneers een stand van zaken op inzake “le gouvernement des juges”. Worden we geregeerd door onze rechters of zit de zaak toch wat genuanceerder in elkaar? Een historische en actuele analyse.

Le gouvernement des juges: een ‘antiek’ begrip

Honderd jaar geleden maakten juristen zich zorgen over het feit dat, naar hun gevoel, rechters te veel macht hadden. Het is ook in deze periode dat de rechters zich in Europa voor de eerste maal toestonden om het buitencontractueel handelen van de overheid te toetsen aan de vage zorgvuldigheidsnorm, zonder precieze wettekst (het Flandria-arrest dateert immers van 1920), zodat het logisch is dat de juristen destijds enigszins geïnteresseerd waren in dit vraagstuk.

Het begrip ‘le gouvernement des juges’ werd gepopulariseerd in 1921[1] en heeft (in België en Frankrijk) in principe een negatieve bijklank.

Het begrip verwees destijds naar (Amerikaanse en conservatieve) rechters die hun rechterlijke taak invulden op een wijze die in strijd werd geacht met het evenwicht tussen de machten en dus de troon van de wetgever (of regering) poogden te usurperen. In de Verenigde Staten introduceerde Boudin in 1911 al de term ‘government by judiciary’.

Het begrip verwees destijds naar Amerikaanse rechters die hun rechterlijke taak invulden op een wijze die in strijd werd geacht met het evenwicht tussen de machten

Men had destijds vooral kritiek op het Amerikaanse Supreme Court dat in het Lochner-era (1897-1937) allerlei wettelijke sociale beschermingsmaatregelen (minimumlonen, beperking arbeidsduur) ongrondwettig verklaarde. De periode is genoemd naar Joseph Lochner die een bakkerij in New York had en zijn personeel langer liet werken dan wettelijk toegelaten (maximum tien uur per dag en maximum zestig uur per week). De Staat New York beboette Lochner om die reden. Lochner vond dat de wet een inbreuk inhield op zijn grondwettelijk beschermde contractuele vrijheid en oordeelde dat de beperking niets te maken had met de veiligheid op het werk. Het Supreme Court volgde in zijn mijlpaalarrest Lochner vs. NY (1905) dit standpunt. Deze zeer liberale rechtspraak hield stand tot 1937 en wordt thans veelal beschouwd als een zwarte bladzijde in de geschiedenis van het Amerikaanse Hooggerechtshof.

De kritiek op het rechterlijk activisme kwam toen vooral uit linkse en progressieve hoek. De rechts-conservatieve zijde was destijds voorstander van dit rechterlijk activisme. Een eeuw later zijn de rollen al gekeerd.

Ook onze eigenste Henri De Page schreef in 1931 een boek over ‘le gouvernement des juges’.[2]

Later verslapte de aandacht voor dit onderwerp en stak het thema nog slechts af en toe de kop op. De afgenomen aandacht voor het thema is ook logisch. Na wereldoorlog II was duidelijk geworden dat er in het verleden veel te veel vertrouwen werd gesteld in de uitvoerende en wetgevende macht en dat een grotere rechterlijke controle noodzakelijk was. Een groter vertrouwen, en geen wantrouwen, in de rechterlijke macht was dus aangewezen.

Toen de Raad van State bijvoorbeeld voor het eerst het overheidshandelen systematisch begon te toetsen aan ongeschreven beginselen van behoorlijk bestuur (die hij achtereenvolgens telkens in zijn eigen arresten ontdekte), om daarna de overheidsbesluiten te vernietigen wegens schending van deze beginselen, beschuldigde een enkeling[3] hem van het gevreesde ‘gouvernement des juges.’ Enkele jaren later, zag men hier alvast geen graten (meer) in.

Er was in België ook nog even een opstoot aan academische interesse naar aanleiding van de Fortis-affaire.[4]

gouvernement des juges
Is er in ons rechtssysteem sprake van een gouvernement des juges?

Hernieuwde aandacht voor ‘le gouvernement des juges’

Recent staat het thema ‘le gouvernement des juges’ opnieuw overal hoog op de agenda.

Het aantal boeken, seminaries, vlugschriften (tweets en posts) die opnieuw aan het evenwicht tussen de machten, de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht[5] en ‘le gouvernement des juges’ worden gewijd is de laatste tijd bijna niet meer bij te houden. Recent verscheen nog in De Morgen een artikel van minister Vincent Van Quickenborne.

Vooral in Frankrijk is er een levendig en academisch debat aan de gang.[6]

Naar aanleiding van de ‘toeslagenaffaire’ kreeg ook de Nederlandse Raad van State veel kritiek te verduren en vroeg zelfs de gewezen president van de Hoge Raad zich af of de Raad van State wel voldoende onafhankelijk functioneerde van de regering (mede gelet op diens dubbele, adviserende en rechtsprekende, functie) en werd zelfs het nut van een afzonderlijke Raad van State in vraag gesteld.

Ook twijfelt men in Nederland nog steeds of men een eigen Grondwettelijk Hof nodig heeft of dat de gewone rechter mag toetsen aan de Grondwet (en daarnaast rijst de vraag voortdurend of de burgerlijke rechter de wet buiten toepassing mag laten in geval van schending van algemene rechtsbeginselen).

Ook in België uitte een grote groep professoren tijdens de coronacrisis de kritiek dat de Raad van State te toegeeflijk was ten aanzien van de uitvoerende macht.

In recente jaren zijn er zelfs in Europa politieke voorstellen (vooral uit rechtse hoek) geformuleerd die de rechterlijke macht of de onafhankelijkheid ervan wensen in te perken

In recente jaren zijn er zelfs in Europa politieke voorstellen (vooral uit rechtse hoek) geformuleerd die de rechterlijke macht (of de onafhankelijkheid ervan) wensen in te perken. De NV-A heeft, geïnspireerd door de inzichten van Elchardus, ook een voorstel geformuleerd om een ‘volksberoep’ mogelijk te maken tegen uitspraken van het Grondwettelijk Hof, wat heel wat stof deed opwaaien.

De kritiek komt soms ook uit onverwachte hoek, met name van (gewezen) personeelsleden van de gerechtelijke instellingen zelf.[7]

Ook de rechters bij het Amerikaanse Supreme Court hebben recent in hun eigen arresten zeer openlijk machtsmisbruik verweten aan hun eigen instelling.

In het abortus-arrest Dobbs (2022) zal de meerderheid van het Supreme Court herhaaldelijk vernietigende kritiek uiten op het oudere arrest Roe vs. Wade (1973) en een bloemlezing geven van zijn eigen machtsmisbruik uit het verleden.

Zo schreef de meerderheid van het Supreme Court in Dobbs onder meer:

Stare decisis, (…), does not compel unending adherence to Roe’s abuse of judicial authority. Roe was egregiously wrong from the start. (…)’ (p. 6)

Roe was on a collision course with the Constitution from the day it was decided, Casey perpetuated its errors, and those errors do not concern some arcane corner of the law of little importance to the American people. Rather, wielding nothing but “raw judicial power”, Roe, 410 U. S., at 222 (White, J., dissenting), the Court usurped the power to address a question of profound moral and social importance that the Constitution unequivocally leaves for the people.’ (p. 44)[8]

De rechters die tot de minderheid behoorden (Breyer, Sotomayor en Kagan) oordeelden echter dat de meerderheidsrechters zich in Dobbs zelf schuldig maakten aan misbruik van hun machtspositie. Zo schreven zij in hun dissenting opinion:

So how does that approach prevent the “scale of justice” from “waver[ing] with every new judge’s opinion”? (…) It does not. It makes radical change too easy and too fast, based on nothing more than the new views of new judges. The majority has overruled Roe and Casey for one and only one reason: because it has always despised them, and now it has the votes to discard them. The majority thereby substitutes a rule by judges for the rule of law.’ (dissenting opinion, p. 33)

Het is op zich een wonder dat het US Supreme Court na dit incident nog verder (behoorlijk?) kan functioneren. Recente berichten maken evenwel duidelijk dat het Amerikaanse Supreme Court in een diepe (morele) legitimiteitscrisis is beland.

Tegelijkertijd is het evenwel niet verwonderlijk dat dit schouwspel van heen-en-weer-beschuldigingen van machtsmisbruik op het hoogste gerechtelijk niveau, ook de aandacht van een ruimer publiek heeft gewekt.

Het is ook meteen duidelijk dat wanneer een rechterlijke uitspraak een grote, maatschappelijke impact heeft, men voor- en tegenstanders zal hebben. De voorstanders claimen (al jubelend) een overwinning voor de rechtsstaat, de tegenstanders gewagen (enigszins beteuterd) van ongeoorloofd rechterlijk activisme.

Een eeuwenoude beschuldiging

De beschuldiging dat rechters misbruik maken van hun macht, gaat ver terug. In het Ancien Régime oefenden ‘de rechters’ (edellieden die de koning vertegenwoordigden) ook politieke macht uit en adviseerden zij de koning. De Franse rechtbanken (‘parlementen’ genoemd) moesten bovendien de koninklijke wetteksten eerst registreren. Het was pas na de registratie dat de wettekst bindende werking kon verkrijgen. Initieel was deze registratieplicht slechts een formaliteit, maar de rechtbanken weigerden gaandeweg om sommige teksten te registreren en hielden op die manier de inwerkingtreding van deze wetten tegen.[9] Op die manier vond er een getouwtrek plaats tussen de koning en magistraten.

Lodewijk XVI zou vlak voor het uitbreken van de Franse Revolutie uiteindelijk toch een wet voorleggen ter registratie om (broodnodige) fiscale hervormingen door te voeren. Deze wet was echter erg nadelig voor de adel en geestelijken en de rechtbanken weigerden ‘dus’ (?) de registratie.

De Franse Revolutionairen oordeelden dat de rechters enkel de wet mochten toepassen en niets meer (“la bouche de la loi”)

Het is om die reden dat de Franse Revolutie ook zeer allergisch reageerde op de rechterlijke macht en hun macht nadien heel sterk inperkte. De Franse Revolutionairen oordeelden dat de rechters enkel de wet mochten toepassen en niets meer (“la bouche de la loi”). Zelfs het interpreteren van de wettekst mocht de rechter niet. In 1789 werd dan ook het zogenaamde référé législatif ingevoerd, waarbij een interpretatieprobleem onmiddellijk aan de wetgever moest worden voorgelegd. Het vertrouwen in de rechter had hier meteen een dieptepunt bereikt.

Deze angst voor le gouvernement des juges heeft meer dan 150 jaar geduurd, waarbij van de (kennelijk foutieve) vooronderstelling werd uitgegaan dat de wetgever de Grondwet niet kon schenden (en dus ook niet hoefde te worden gecontroleerd).

Hoe machtig mag een rechter zijn?

Wanneer men de beschuldiging uit dat rechters te veel macht zouden uitoefenen of hun opdracht op een ongepaste wijze zouden vervullen, moet men echter ook uitspraak doen over wat de gepaste hoeveelheid macht voor een rechter zou zijn of wat dan zijn precieze taak is.

Veelal beroept men zich op de scheiding der machten, waarbij men soms laat uitschijnen alsof de taken van de verschillende machten goed afgebakend zijn van elkaar en dat het duidelijk is dat wanneer één van de machten zich begeeft op het terrein van de andere macht, de scheiding der machten ook meteen geschonden is

Ik moet eerlijk bekennen dat ik (in de huidige constellatie) geen antwoord heb op deze vragen.

Veelal beroept men zich op de scheiding der machten, waarbij men soms laat uitschijnen alsof de taken van de verschillende machten goed afgebakend zijn van elkaar en dat het duidelijk is dat wanneer één van de machten zich begeeft op het terrein van de andere macht, de scheiding der machten ook meteen geschonden is.

De wil van het Volk (of de Natie) mag dan enkel worden bepaald door de verkozen vertegenwoordigers van dit Volk (of de Natie). Het is het parlement dat de wetten maakt en niet de rechters, het is de regering die de wetten uitvoert en het is de taak van de rechter om recht te spreken. En inderdaad, artikel 6 van ons Gerechtelijk Wetboek schrijft nog steeds voor dat rechters “geen uitspraak doen bij wege van algemene en als regel geldende beschikking.

Deze abstracte theorie (uit de achttiende eeuw) is tamelijk ver verwijderd van de huidige realiteit. De wetgever is feitelijk een uitvoerende macht geworden, nu hij veeleer Europese richtlijnen en Europese rechtspraak omzet in nationale wetgeving. Verder krijgt hij natuurlijk ook voortdurend instructies van het Grondwettelijk Hof en adviezen van de afdeling wetgeving van de Raad van State. Er is op dit punt duidelijk meer sprake van een intensieve kruisbestuiving tussen de machten dan van een (strikte) scheiding.

Deze abstracte theorie (uit de achttiende eeuw) is tamelijk ver verwijderd van de huidige realiteit: zo is de wetgever feitelijk een uitvoerende macht geworden

Sinds het begin van de twintigste eeuw heeft de wetgever bijna al zijn wetgevende bevoegdheden gedelegeerd aan de regering en bevatten veel van de wetteksten slechts vage instructies. Het is de regering die de essentie (kwantitatief en kwalitatief) van de regelgeving bepaalt. De koninklijke en ministeriële besluiten vormen het grootste deel van de regelgeving en deze worden volledig gecontroleerd door de burgerlijke rechter en de Raad van State.

Maar ook daar stopt de vergaande verstrengeling van de staatsmachten niet. Het parlement oefent ook enkele rechterlijke bevoegdheden uit, zoals het opheffen van de parlementaire onschendbaarheid en het instellen van parlementaire onderzoekscommissies. Het Rekenhof heeft een rechtsprekende bevoegdheid. Het parlement is betrokken bij de voordracht van kandidaten voor sommige functies (staatsraden bij de Raad van State en rechters bij het Grondwettelijk Hof, die beiden worden benoemd door de koning). Het Openbaar Ministerie adviseert de rechters en de minister van Justitie bepaalt uiteindelijk de prioriteiten in de vervolging van strafzaken.

De koning heeft verder het recht om de door de rechters uitgesproken straffen kwijt te schelden of te verminderen (artikel 110 Gw.). Dit genaderecht werd tot voor 2012 veel toegekend door de Dienst Justitie, maar is thans bijna in onbruik geraakt. Het parlement kan ook amnestie verlenen.

Zelfs bij de klassieke opdracht van de rechterlijke macht, zijnde de interpretatie van de wettekst, is de verdeling tussen de machten niet erg duidelijk

Zelfs bij de klassieke opdracht van de rechterlijke macht, zijnde de interpretatie van de wettekst, is de verdeling tussen de machten niet erg duidelijk. Reeds in 1931 merkte De Page al op dat er niets spectaculairs was aan het gegeven dat rechters de billijkheid lieten voorgaan op de strikte letter van de wet.[10] Uit het nieuwe Burgerlijk Wetboek blijkt ook dat de wetgever zich vaak beperkt heeft tot het codificeren van vaststaande rechtspraak van het Hof van Cassatie, zodat de grens tussen rechtspraak en regelgeving toch enigszins artificieel is. In zijn proefschrift heeft Matthias Van Der Haegen, op overtuigende wijze, aangetoond dat ons Hof van Cassatie wel degelijk aan rechtsvorming doet en door zijn rechtspraak nieuwe normen uitvaardigt. Men zou kunnen stellen dat het Hof van Cassatie niet zozeer de schending van de wettekst nagaat, maar veeleer de schending van zijn eigen rechtspraak.[11]Uiteraard heeft de rechterlijke macht zelf ook diverse algemene rechtsbeginselen geformuleerd en wordt de schending ervan ook gesanctioneerd, zodat de rechter zich volgens sommigen ook hier begeeft op het grensgebied met de wetgevende macht.

Wat er ook van zij, gelet op de duidelijke verstrengeling van de taken die aan de diverse machten is toegewezen, is het niet eenvoudig om te achterhalen wanneer nu precies een rechter het evenwicht tussen de machten zou schenden, temeer daar de rechter de plicht heeft om recht te spreken en de geldigheid van de wet ook moet worden gecontroleerd aan de hand van vage normen.

Toen minister Zuhal Demir in 2022 een tweet de wereld instuurde waarin zij kritiek uitte op een naar haar oordeel te lage straf die door een rechter was opgelegd, zagen sommigen hierin een schending van het evenwicht tussen de machten en anderen niet. Het is dus duidelijk dat er in elk geval meerdere invullingen van het begrip in omloop zijn, zodat de grenzen tussen de verschillende machten niet zo eenvoudig zijn te trekken.

Oplossingen?

Het valt niet te ontkennen dat er een machtsverschuiving heeft plaatsgevonden naar de rechterlijke macht toe. Dit is niet het gevolg van een staatsgreep door de rechters, maar doordat zij als groep gaandeweg structureel meer controlebevoegdheden hebben verkregen, waarbij zij ook het handelen van de andere machten moeten toetsen aan zeer vage en open normen. Ingevolge de vergaande juridisering van de samenleving, pogen procespartijen ook maatschappelijke veranderingen teweeg te brengen via procedures. Het is dus ook duidelijk dat rechters meer en meer worden uitgenodigd om het politieke terrein van controversiële geschillen te betreden. Dergelijke uitspraken betreffen niet langer een individueel geschil, maar hebben een maatschappelijke impact en zullen per definitie de publieke opinie verdelen en ontlokken dus meer kritiek.

Deze macht is evenwel niet geconcentreerd en is dus verspreid over de diverse nationale en internationale hoven (Grondwettelijk Hof, Raad van State, burgerlijke rechter en supranationale hoven), zodat alleen daardoor al machtsmisbruiken beperkt worden en de diverse instellingen elkaar in evenwicht houden.

Het lijkt mij ook niet dat men meteen de macht van de rechters zou moeten gaan inperken, laat staan dat men zou mogen raken aan principes van hun onafhankelijkheid.

Wel zou de wetgever kunnen denken aan het verbeteren van het bestaande systeem om conflicten tussen de diverse machten te voorkomen. Het lijkt mij bijvoorbeeld vreemd dat de wetgever op voorhand advies vraagt aan de afdeling Wetgeving van de Raad van State, die evenwel niet goed kan inschatten of een bepaalde wet de Grondwet schendt. Het zou beter zijn dat in geval van twijfel op voorhand al het advies van het Grondwettelijk Hof zou kunnen worden ingewonnen. Thans een (vaak slecht geschreven) wet op goed geluk uitvaardigen, die daarna wordt afgekeurd door het Grondwettelijk Hof, is niet echt een optimaal gebruik van de beschikbare middelen.

Daarnaast zijn bijkomende waarborgen mogelijk aangewezen. In delicate afwegingen, zou de rechterlijke macht meer gebruik moeten kunnen maken van een graduele toetsingsintensiteit. Indien er fundamentele vrijheden in het gedrang zijn van een minderheidsgroep, mag een meer intensieve toetsing worden verwacht. In maatschappelijk gevoelige en controversiële dossiers, is een grotere terughoudendheid bij de toetsing mogelijk op zijn plaats enz. Ook is het misschien interessant om rechters de mogelijkheid te geven om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Cassatie (wat thans enkel mogelijk is in het mededingingsrecht, maar zelden gebeurt). Op die manier kunnen bepaalde fundamentele vragen in het begin van de procedure beslecht worden, in plaats van aanleiding te geven van langlopende procedureslagen.

Nu rechters – veel meer dan vroeger – maatschappelijk belangrijke beslissingen moeten nemen, zouden hun uitspraken best ook aan het grote publiek door persmagistraten genuanceerd kunnen worden toegelicht. Thans gaan belangrijke nuances in de algemene pers vaak verloren.

Ten slotte zou er misschien ook meer aandacht moeten komen voor de beginselen van behoorlijke rechtspraak. Wanneer een burger bijvoorbeeld onverwacht wordt geconfronteerd met een nieuwe interpretatie door de rechter (een omwenteling in de rechtspraak), speelt het vertrouwensbeginsel thans nauwelijks een rol en wordt de rechtzoekende gewoon geconfronteerd met de gerechtskosten. De beginselen van behoorlijk rechtspraak zouden dan een tegengewicht kunnen vormen voor de toegenomen macht bij de rechters.

Rob Valkeneers, MPLOY Advocaten

Lees ook de andere opiniestukken van Rob Valkeneers


Referenties

[1] Édouard Lambert, Le gouvernement des juges et la lutte contre la législation sociale aux États-Unis. L’expérience américaine du contrôle judiciaire de la constitutionnalité des lois, Paris, Giard, 1921.

[2] H. De Page, À propos du gouvernement des juges : l’équité en face du droit, Brussel/Parijs, Bruylant/Sirey, 1931.

[3] Zie M. Somerhausen, “De Raad van State en de algemene beginselen van het administratief recht”, TBP 1970, 481-487. Zie ook voor Frankrijk: J. Rivero, “Le juge administratif français : un juge qui gouverne? ”, D. 1951, Chron., VI, 21-24.

[4] F. Meersschaut, “Als de rook om ons hoofd (nog niet helemaal) is verdwenen: de scheiding der machten in de storm van de Fortis-zaak” in S. Sottiaux en A. Alen (eds), Scheiding der machten, Leuvense staatsrechtelijke standpunten, Brugge, die Keure, 2010, 105-191.

[5]Zie bv. Prince-Academie – Panel 'Hoe onafhankelijk zijn onze rechters?' – 12 april 2023 – YouTube

[6]Zie recent nog: B. Daugeron, Chr. Boutin en F. Rouvillois, Contre le gouvernement des juges?, 2023, 298 p.

[7] J.E. Schoettl, La démocratie au péril des prétoires. De l’état de droit au gouvernement des juges, Paris, Gallimard, 2022, 256 p.

[8]Ik citeer hier nog enkele andere passages voor de die-hard fans.

On occasion, when the Court has ignored the “[a]ppropriate limits” imposed by “‘respect for the teachings of history,’” Moore, 431 U. S., at 503 (plurality opinion), it has fallen into the freewheeling judicial policymaking that characterized discredited decisions such as Lochner v. New York, 198 U. S. 45 (1905). The Court must not fall prey to such an unprincipled approach. Instead, guided by the history and tradition that map the essential components of our Nation’s concept of ordered liberty, we must ask what the Fourteenth Amendment means by the term “liberty.” When we engage in that inquiry in the present case, the clear answer is that the Fourteenth Amendment does not protect the right to an abortion.’ (p. 14)

In interpreting what is meant by the Fourteenth Amendment’s reference to “liberty,” we must guard against the natural human tendency to confuse what that Amendment protects with our own ardent views about the liberty that Americans should enjoy. That is why the Court has long been “reluctant” to recognize rights that are not mentioned in the Constitution. Collins v. Harker Heights, 503 U. S. 115, 125 (1992). “Substantive due process has at times been a treacherous field for this Court,” Moore v. East Cleveland, 431 U. S. 494, 503 (1977) (plurality opinion), and it has sometimes led the Court to usurp authority that the Constitution entrusts to the people’s elected representatives. See Regents of Univ. of Mich. v. Ewing, 474 U. S. 214, 225– 226 (1985). As the Court cautioned in Glucksberg, “[w]e must . . . exercise the utmost care whenever we are asked to break new ground in this field, lest the liberty protected by the Due Process Clause be subtly transformed into the policy preferences of the Members of this Court.’ (p. 14).

(…) the Court has previously overruled decisions that wrongly removed an issue from the people and the democratic process. As Justice White later explained, “decisions that find in the Constitution principles or values hat cannot fairly be read into that document usurp the people’s authority, for such decisions represent choices that the people have never made and that they cannot disavow through corrective legislation. For this reason, it is essential that this Court maintain the power to restore authority to its proper possessors by correcting constitutional decisions that, on reconsideration, are found to be mistaken.” Thornburgh, 476 U. S., at 787 (dissenting opinion). (p. 44-45)

This elaborate scheme was the Court’s own brainchild. Neither party advocated the trimester framework; nor did either party or any amicus argue that “viability” should mark the point at which the scope of the abortion right and a State’s regulatory authority should be substantially transformed. See Brief for Appellant and Brief for Appellee in Roe v. Wade, O. T. 1972, No. 70–18; see also C. Forsythe, Abuse of Discretion: The Inside Story of Roe v. Wade 127, 141 (2012)’ (p. 47)

[9] Men stelt het thans voor dat de rechters dit (veelal) uit eigenbelang deden, maar er is mij hierover geen onderzoek bekend.

[10] H. De Page, À propos du gouvernement des juges : l’ équité en face du droit, Brussel/Parijs, Bruylant/Sirey, 1931, 197. Iets wat men vandaag in Nederland waarschijnlijk redelijke wetstoepassing zou noemen. Zie Eveline T. Feteris Argumentatie op basis van onaanvaardbare gevolgen en een redelijke wetstoepassing, Tijdschrift voor Taalbeheersing. Jaargang 26 – DBNL

[11] Zie daarover Matthias Van Der Haegen, Het Hof van Cassatie als lichtbaken van het Belgische rechtsbestel. Doelmatige en doeltreffende rechtsvorming door de cassatierechter, Antwerpen/Gent/Cambridge, Intersentia, 2020, 560 p.

Recente vacatures

Notarieel jurist
Burgerlijk recht Fiscaal recht Gerechtelijk recht Ondernemingsrecht
0 - 3 jaar
West-Vlaanderen
Notarieel jurist
Burgerlijk recht Vastgoed
0 - 3 jaar
Limburg
Advocaat
Omgevingsrecht Vastgoed
3 - 7 jaar
Antwerpen
Uitgever
3 - 7 jaar
Antwerpen

Aankomende events

Blijf op de hoogte

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

0 Reacties

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.