Op 30 januari 2020 keurde het parlement het wetsvoorstel goed waarmee boek 3 “Goederen” in het nieuw Burgerlijk Wetboek werd ingevoegd. Het zorgde voor studiedagen en enkele dikke boeken rechtsleer, maar in de aanloop naar de inwerkingtreding op 1 september kreeg het plots ook aandacht in de media. De journalisten hadden ontdekt dat wanneer spelende kinderen hun bal willen recupereren of buren de verloren kat willen zoeken ze zomaar in de tuin van de buren kunnen binnenwandelen. Dat leek een toch wat creatieve interpretatie van de tekst van de wet, die als volgt luidt: “Indien een zaak of dier op onopzettelijke wijze op een naburig onroerend goed is terechtgekomen, moet de eigenaar van dit onroerend goed ze teruggeven of toelaten dat de eigenaar van de zaak of van dit dier ze weghaalt”.

Meteen barstte de discussie los over die bepaling. Minister van Justitie Van Quickenborne liet in een factcheck weten dat de wettekst duidelijk is en er steeds toestemming moet zijn van de eigenaar om diens eigendom te betreden om een zaak of dier terug te halen. “Het is dus niet zo dat buren of anderen iemands tuin zonder toestemming kunnen betreden” zo liet hij noteren. De Standaard (31 augustus) citeerde dan weer doctor-assistent Van de Voorde, die deze stelling kort door de bocht vindt. De eigenaar is immers verplicht “toestemming te geven als hij het verloren goed niet eigenhandig teruggeeft”. Zo werd meteen al het juridisch debat geopend zo net voor de inwerkingtreding van de wet.

Die onduidelijkheid kan verbazen, zeker wanneer naar het wetgevingsproces wordt gekeken. De vorige minister van Justitie Koen Geens stelde in 2015 al een groep van professoren aan om de wet te herschrijven. De bepalingen omtrent het goederenrecht dateerden nog uit de tijd van Napoleon en ze werden in de loop der jaren niet of nauwelijks aangepast. Een modernisering van deze 19e-eeuwse wetsartikelen – die bestemd waren voor een toen nog erg agrarische samenleving – was dan ook noodzakelijk. Professoren in de rechten zijn echter specialisten in het analyseren van de bestaande wet, maar het garandeert niet dat ze ook inspirerende toekomstperspectieven kunnen aanreiken. Dat is overigens een in essentie politieke activiteit, waarvoor we parlementsleden verkiezen. In 2017 werd er ook een ‘publieksconsultatie’ georganiseerd. Het is maar zeer de vraag hoeveel burgers de moed vonden om doorheen die taaie teksten te gaan. Een dergelijk democratisch initiatief is dan toch vooral weggelegd voor geïnstitutionaliseerde drukkingsgroepen. Daarna werd het voorstel besproken in de Commissie Justitie van het parlement, maar zijn er wel garanties dat onze volksvertegenwoordigers bij de les waren en de draagwijdte van de teksten goed beseften?

Het valt in ieder geval op dat de pers, anderhalf jaar nadat de teksten door het parlement werden besproken en goedgekeurd en pas in de aanloop naar de inwerkingtreding, praktische en erg relevante vragen stelt. Meteen slaat in de politieke wereld (aangedreven door de perceptie) de paniek toe en ontstaat er een perceptieoorlog over de nieuwe wet, die eerst enkel lijkt te gaan over de voetbal die in de tuin van de buren terechtkomt. De wet regelt natuurlijk nog vele andere aspecten van de ‘burenrelaties’. De discussies over te luide muziek, blaffende honden, overhangende takken en bijvoorbeeld verbouwingen bevatten nu wettelijke criteria waarmee de rechter rekening moet houden om te bepalen of er sprake is van overmatige hinder. Het zal nu ook mogelijk zijn om bij een ernstig risico op burenhinder reeds preventieve maatregelen te vorderen. Het is merkwaardig dat dit aspect zo weinig aandacht kreeg.

Het nieuwe boek 3 van het Burgerlijk Wetboek bevat ook bepalingen over goederen, eigendomsrecht, mede-eigendom, vruchtgebruik, erfpacht en opstal. Dat was voor de media allicht een wat te moeilijke boodschap en dus werd er ingezoomd op het exotische ‘ladderrecht’ dat werd hervormd. Het wordt nu mogelijk om (naast onderhoudswerken) ook bij verbouwingen een stukje van bijvoorbeeld de oprit van de buren op te vorderen, om er bijvoorbeeld een ‘ladder’ of een bouwkraan op te zetten, al zijn daar voorwaarden aan verbonden.

Het mag dan zo zijn dat er bij de voorbereiding van de wet zorgvuldig werd gehandeld, in tegenstelling tot in andere domeinen van het recht, toch moet worden benadrukt dat het ook de taak van de overheid is om na de goedkeuring van de wet het publiek breed te informeren, zeker als men wil dat de burger de wet ook naleeft. Op dat laatste punt is er duidelijk nog werk aan de (buren)winkel.

Hugo Lamon

Mr. Hugo Lamon is advocaat aan de balie van Limburg en Brussel NL. Hij publiceert over o.m. ondernemingsrecht en deontologie. Hij mengt zich al jaren in het maatschappelijk debat over justitie.

Bekijk alle artikelen

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.