Strafrecht en privacy: hoe de privacy van allen moet wijken voor opsporing van enkelen cover

9 dec 2023 | Criminal Law

Strafrecht en privacy: hoe de privacy van allen moet wijken voor opsporing van enkelen
  • Manon Gutwirth

    Manon Gutwirth behaalde zowel het diploma Master in de rechten als Master in de Criminologische Wetenschappen aan de VUB. Zij liep aanvullend stage bij het Internationaal Strafhof Den Haag onder leiding van prof. dr. Christine Van Den Wyngaert. Na twee jaar werkzaam geweest te zijn aan de balie van Antwerpen, trad zij in oktober 2015 toe tot de balie van Gent als advocaat bij Hans RIEDER, alwaar zij zich tot op heden specialiseert in het straf(proces)recht.

Recente vacatures

Jurist
bestuursrecht internationaal recht Omgevingsrecht Publiek recht sociaal recht
Brussel
Advocaat
Ondernemingsrecht
3 - 7 jaar
Limburg
Paralegal
Vastgoed
0 - 3 jaar
West-Vlaanderen

Aankomende events

In overeenstemming met vele aspecten van het menselijk bestaan, neigen we er vaak naartoe hetgeen we reeds hebben verworven en waarvoor geen actieve strijd meer nodig is, als vanzelfsprekend te beschouwen. Zulks is niet anders met onze grondrechten en hoewel de overheid de positieve verplichting heeft de rechten van haar burgers te beschermen, kan heden ten dage een zeer onrustwekkende evolutie worden ontwaard, waarbij de individuele rechten en vrijheden moeten inboeten voor de noemer van de ‘veiligheid’. Meer specifiek, geldt dit (doch niet uitsluitend) voor het recht op privacy, en dit in het licht van (onder andere) het straf(proces)recht.

Niettegenstaande het recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven vandaag de dag beschermd wordt door diverse internationale, Europese en nationale wetsartikelen (onder meer art. 8 EVRM en 22 van de Grondwet), dient de burger vast te stellen dat steeds meer wetgevende initiatieven worden genomen die deze rechten beperken. Ook de jurisprudentiële invulling die gegeven wordt aan bepaalde wettelijke voorwaarden is steeds minder gericht op het vrijwaren van de grondrechten van het individu. Nochtans moet elke overheidsinmenging die een inbreuk zou betekenen op dit grondrecht voldoen aan de voorwaarden van legaliteit, legitimiteit, noodzakelijkheid en proportionaliteit (artikel 8.2 EVRM), en enkel “(…) in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald” (artikel 22 Grondwet). Met andere woorden, de wijze waarin de overheidsinmenging wordt toegestaan bij (nationale) wet, bepaalt de mate waarin het recht op privéleven/privacy gewaarborgd blijft.

De onderzoeksrechter moet steeds een belangenafweging maken tussen enerzijds de grondwettelijk gewaarborgde rechten van de tot nader order onschuldige geachte burger en anderzijds, het belang van het onderzoek

Wanneer deze overheidsinmenging binnen het kader van het strafrecht onvermijdelijk blijkt, heeft de wetgever de bevoegdheid aan de onderzoeksrechter gegeven, die steeds een belangenafweging moet maken tussen enerzijds de grondwettelijk gewaarborgde rechten van de tot nader order onschuldige geachte burger (art. 6.2 EVRM[1]) en anderzijds, het belang van het onderzoek en de waarheidsvinding. Het is binnen die onontbeerlijke belangenafweging dat de onderzoeksrechter maatregelen kan bevelen waardoor individuele rechten en vrijheden worden aangetast (denk aan de huiszoeking, DNA-onderzoek, schending brief- en telefoongeheim,…).[2]

Huiszoeking als mogelijke inbreuk op uw privacy

Daarenboven zijn deze verregaande maatregelen ook gebonden aan stringente wettelijke voorwaarden, juist omdat zij een inbreuk uitmaken op de grondrechten van elk individu. Zo kan de onderzoekrechter opdracht geven tot de huiszoeking, doch deze moet steeds voorafgegaan worden door een met redenen omklede beslissing (art. 89bisWetboek van Strafvordering). Eén van de voorwaarden waaraan dit bevel moet voldoen is bijvoorbeeld dat de vermeldingen van het bevel ook precies genoeg moeten zijn om de plaats van de huiszoeking te identificeren[3], evenals het misdrijf waarover het gaat en dus de zoekingen die daarop moeten gericht zijn.[4]

Een onregelmatig bevolen huiszoeking betreft een schending van artikel 8.2 EVRM en maakt een onverantwoorde inbreuk uit op een grondrecht dat grondwettelijk wordt beschermd

Een regelmatig (= conform de wet) door de onderzoeksrechter bevolen huiszoeking betreft aldus een inmenging van de overheid in de uitoefening van het recht op eerbiediging van het privéleven, toegelaten volgens artikel 8.2 EVRM.[5] Een onregelmatig bevolen huiszoeking betreft dan a contrario een schending van artikel 8.2 EVRM en maakt een onverantwoorde inbreuk uit op een grondrecht dat grondwettelijk (art. 15 en 22 van de Grondwet) en Europees verdragsrechtelijk wordt beschermd (art. 8 EVRM).

Men zou dan denken dat enige inbreuk op een dergelijk belangrijk grondrecht uiterst streng wordt beoordeeld.

Zelden juridische gevolgen voor onregelmatige huiszoeking

Evenwel zal een onregelmatig bevolen huiszoeking zelden tot nooit enig juridisch gevolg kennen, dankzij de thans wettelijk verankerde rechtspraak van het Hof van Cassatie dat met het arrest Antigoon van 14 oktober 2003, thans opgenomen door de wetgever in artikel 32 Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, elke bestraffing van een schending van het grondwettelijk gewaarborgd recht heeft uitgehold. Elk onrechtmatig verkregen bewijs is immers in deze visie volstrekt toelaatbaar – voor zover de overtreden vormvoorwaarde niet was voorgeschreven op straffe van nietigheid, de begane onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs niet heeft aangetast of het gebruik van het bewijs niet in strijd is met het recht op een eerlijk proces. Dat de persoon in kwestie zijn of haar eigen grondwettelijk gewaarborgd recht op privacy geschonden ziet, daar trekt de overheid zich niets meer van aan.

De rechterlijke en wetgevende macht hebben zodoende een slippery slope ontketend waarbij het schenden van grondrechten van burgers door onregelmatig overheidsoptreden ongestraft blijft. Meer nog, de inhoudelijke invulling van de wettelijke voorwaarden creëert een evolutie binnen het strafrecht waarbij de grondwettelijk gewaarborgde rechten van het individu telkens aan belang moeten inboeten ter vrijwaring van de “waarheidsvinding”.

Ons recht op privacy lijkt verworven, maar komt soms in gevaar.

Ter illustratie: de huiszoeking op heterdaad.

Artikel 15 van de grondwet stelt voorop dat: “De woning is onschendbaar; geen huiszoeking kan plaatshebben dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft.”

Jammer genoeg heeft de wetgever heel wat wettelijke uitzonderingen geïmplementeerd waarbij overheidsinmenging bij monde van haar organen of personeel plaatsvindt in de vorm van de huiszoeking maar dan zonder bevel van de onderzoeksrechter en dus zonder tussenkomst van de onderzoeksrechter. Zo kan men denken aan de wettelijk geregelde huiszoeking door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen[6] of de mogelijkheid tot huisvisitatie door de fiscus.[7] Deze overheidsinstanties en nog vele anderen (Douane en accijnzen, sociale inspectie,…) kunnen de woonst van de burger binnendringen met het oog op het vaststellen van inbreuken op de wet en het verzamelen van bewijs zonder dat hiervoor enige tussenkomst van een onderzoeksrechter is vereist. Nochtans kunnen de gevolgen voor de burger wel een strafrechtelijk karakter hebben.

Welke belangenafweging door de overheid wordt gegarandeerd, is dan maar de vraag. Er moet evenwel worden opgemerkt dat in voormelde gevallen nog vaak een voorafgaandelijke machtiging dient te worden bekomen van een politierechter, waarbij men dan mag hopen op enige belangenafweging in diens hoofde.

Zulks wordt zelfs niet voorzien in de gevallen van heterdaad. Zo voorziet de wet dat, in afwijking van artikel 87 e.v. van het Wetboek van Strafvordering, in het geval van heterdaad de procureur des Konings, de arbeidsauditeur, de federale procureur en de officieren van gerechtelijke politie, hulpofficieren van de procureur des Konings de woonst kunnen binnendringen zonder tussenkomst van de onderzoeksrechter, noch van enige andere rechter (o.a. artikelen 32 tot en met 46 en 49 van het Wetboek van Strafvordering).

De verdere uitholling van de bescherming voor de burger kan worden geïllustreerd aan de hand van artikel 6bisvan de Drugswet, welke de huiszoeking op heterdaad in het kader van verdovende middelen regelt

De verdere uitholling van de bescherming voor de burger kan worden geïllustreerd aan de hand van artikel 6bisvan de Drugswet[8], welke de huiszoeking op heterdaad in het kader van verdovende middelen regelt en welke bepaalt dat officieren van gerechtelijke politie en de ambtenaren of beambten te allen tijde lokalen mogen bezoeken “(…) welke dienen voor het vervaardigen, bereiden, bewaren of opslaan van de in deze wet genoemde stoffen” indien er voorafgaandelijk ernstige en objectieve aanwijzingen bestaan dat een lokaal wordt gebruikt voor het vervaardigen, het bereiden, het bewaren of het opslag van de door de Drugswet bedoelde stoffen, dit lokaal kan worden betreden overeenkomstig artikel 6bis Drugswet.[9]

De formulering van de vereiste tot het bestaan van “voorafgaandelijk ernstige en objectieve aanwijzingen” genereert evenwel een vals rechtstatelijk veiligheidsgevoel wanneer men dan in de rechtspraak nagaat wat hieronder allemaal kan worden verstaan. Want laten we eerlijk zijn, als het schenden van de grondwettelijk verankerde onschendbaarheid van de woonst en het Europees verdragsrechtelijk gewaarborgd recht op privéleven wettelijk kan bestaan louter op basis van een openbaar gerucht of zelfs zonder de verplichting om überhaupt concreet te duiden welke deze aanwijzingen waren (cf. “Politionele informatie waarvan de herkomst niet uit het strafdossier blijkt[10]), welke concrete bescherming van die grondrechten bestaat er dan nog juist?

En het straatje is nog niet uit. De concrete omstandigheden van de “huiszoeking op heterdaad” die in een precedent als wettelijk worden aanvaard, schenken op hun beurt legitimiteit aan de volgende “huiszoeking op heterdaad”, waarbij men opnieuw de inhoudelijke invulling van de voorwaarden afzwakt.

Maar als de wetgever op zijn beurt in het wilde weg begint te slaan en onder maatschappelijke druk beslissingen neemt waarbij bepaalde feitelijke handelingen, al dan niet tijdelijk, strafbaar worden geacht, dan ontstaat pas de echt gevaarlijke situatie. Zo kan men denken aan de invulling van de politionele bevoegdheden ten tijde van de lockdowns gedurende het “covid-tijdperk”. Wanneer de politie dan bij de barbecueënde burger binnenvalt zonder huiszoekingsmandaat onder de noemer “heterdaad”, dan zou hier en daar wel eens een innerlijk alarm mogen afgaan dat enige verstrenging van de voorwaarden, minstens van de inhoudelijke invulling ervan, zich opdringt. Hoewel deze inbreuken op de privacy misschien van tijdelijke aard bleken, zijn de gevolgen ervan (zoals de verworden strafregisters voor de inbreuken op de coronareglementering) daarentegen zeker niet tijdelijk.

De huidige evolutie van de wetgeving en de rechtspraak is dan ook één van zeer beangstigende aard, waarbij in het kader van het opsporen van enkelen, de privacy van allen steeds meer moet onderdoen. Nochtans, in een wereld vergaan van elektronische gegevens en media, is privacy en de bescherming ervan belangrijker dan ooit.

Er dient dan ook met grote omzichtigheid te worden omgegaan met de vergaarde grondrechten van het individu, die er net zijn gekomen om te vermijden dat de overheid – die via het strafrecht een enorme macht heeft over het leven en de rechten en vrijheden van de burger – op een willekeurige en ongecontroleerde wijze Big Brother-praktijken kan introduceren.

Manon Gutwirth


Referenties

[1]Het vermoeden van onschuld ligt ook verankerd in de artikelen 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en artikel 11.1 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.

[2]C. VAN DEN WYNGAERT, P. TRAEST, S. VANDROMME, Strafrecht & strafprocesrecht in hoofdlijnen, Maklu, 2017, 654 e.v..

[3] Cass. 24 december 2008, AR P.08.1839 F, Arr.Cass. 2008, nr. 753.

[4] Cass.29 april 2009, AR P.09.578 F, Arr.Cass. 2009, nr. 287.

[5]Cass. 27 oktober 1999, AR P.99.715, Arr.Cass. 1999, nr. 569; Cass. 12 februari 2002, AR P.01.1534 N, Arr.Cass. 2002, nr. 99; Cass. 7 december 2004, AR P.04.1006 N, Arr.Cass. 2004, nr. 594, zoals vermeld door R.DECLERCQ, “Beginselen van Strafrechtspleging”, Kluwer, 2014, 290.

[6]Artikel 3 Koninklijk besluit van 22 februari 2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen.

[7]Artikel 63 Wetboek BTW juncto artikel 319 Wetboek Inkomsten Belasting.

[8] Wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van gifstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen.

[9] Cass. (2e k.) AR P.21.0250.N, 2 maart 2021, www.juportal.be.

[10]zie Cass. (2e k.) AR P.19.1107.N, 19 november 2019, www.juportal.be.

  • Manon Gutwirth

    Manon Gutwirth behaalde zowel het diploma Master in de rechten als Master in de Criminologische Wetenschappen aan de VUB. Zij liep aanvullend stage bij het Internationaal Strafhof Den Haag onder leiding van prof. dr. Christine Van Den Wyngaert. Na twee jaar werkzaam geweest te zijn aan de balie van Antwerpen, trad zij in oktober 2015 toe tot de balie van Gent als advocaat bij Hans RIEDER, alwaar zij zich tot op heden specialiseert in het straf(proces)recht.

Recente vacatures

Jurist
bestuursrecht internationaal recht Omgevingsrecht Publiek recht sociaal recht
Brussel
Advocaat
Ondernemingsrecht
3 - 7 jaar
Limburg
Paralegal
Vastgoed
0 - 3 jaar
West-Vlaanderen

Aankomende events

Blijf op de hoogte

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

0 Reacties

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.