Corona Actua Expertise

Overmacht als vangnet voor de coronamaatregelen?

Avatar
Geschreven door Jubel

De Belgische federale regering heeft ten gevolge van de COVID-19 pandemie verregaande maatregelen getroffen middels het Ministerieel Besluit van 23 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID – 19 te beperken. Dit doet bij heel wat mensen vragen rijzen omtrent hun dagdagelijkse verbintenissen, welke in grote mate worden gehinderd.

Huidig artikel behandelt de vraag of het niet nakomen van verbintenissen kan worden verschoond door zich te beroepen op overmacht, toegepast op de drie vormen van handelsovereenkomsten die thans het zwaarst worden getroffen, namelijk aannemings-, handelshuur- en koop-verkoopovereenkomsten.

Hierbij dient opgemerkt dat onderstaande gebaseerd is op de maatregelen die ten tijde van het schrijven van dit artikel gelden. Op het ogenblik van het schrijven van dit artikel, gelden de besproken maatregelen tot en met zondag 19 april 2020.

Ook dient opgemerkt dat rechters hierin een aanzienlijke ‘vinger in de pap’ hebben gelet op de soevereine beoordelingsmacht. Feitenrechters oordelen op onaantastbare wijze of er al dan niet sprake is van overmacht. De huidige overmachtssituatie, welke in onze maatschappij ongezien is, kan leiden tot verrassende rechtspraak.

‘Overmacht’ naar gemeen verbintenissenrecht

Vooreerst is het belangrijk om te bepalen welke rechtsregels van toepassing zijn op de verhouding tussen partijen. Zo kunnen partijen bij het sluiten van een overeenkomst een clausule opnemen omtrent overmacht, welke dan gelden boven enige andere rechtsregel. Bij gebreke hieraan, wordt het gemeen verbintenissenrecht toegepast vervat in de artikelen 1147 en 1148 van het Burgerlijk Wetboek, welke twee voorwaarden oplegt.

Vooreerst moet de uitvoering van de verbintenis daadwerkelijk tijdelijk of definitief onmogelijk zijn geworden.

Ten tweede mag dit niet gepaard gaan met enige fout in hoofde van de schuldenaar zelf en moet het aldus volledig onafhankelijk zijn aan de wil van de schuldenaar.

Wanneer de onmogelijkheid van uitvoering nauw verband houdt met een maatregel van de overheid, zoals in casu, wordt de kwalificatie van overmacht sneller aanvaard. Toch is het aan de persoon die zich op overmacht beroept om het bewijs te leveren dat beide voorwaarden zijn vervuld.

Eens er juridisch sprake is van overmacht, is de schuldenaar volledig bevrijd van enige aansprakelijkheid voor tekortkoming in zijn prestaties. Niemand kan immers gehouden worden tot het onmogelijke.

De verbintenissen van partijen worden evenwel maar opgeschort zolang de overmachtssituatie duurt. Dit betekent dat na opheffing van de COVID–19 maatregelen de verbintenissen alsnog moeten worden nagekomen, tenzij dit volledig onmogelijk is geworden of geen nut meer zou hebben (bv. het leveren van bedorven producten).

Aannemingsovereenkomsten

Onder aanneming verstaat men zowel het leveren van werk (bv. verhouding aannemer – bouwheer) als het leveren van diensten (bv. verhouding boekhouder – cliënt). Ondernemingen zijn verplicht thuiswerk aan te bieden aan hun werknemers in zoverre dit mogelijk is.[1]

In geval dit niet mogelijk is, mogen de werken zoals gewoonlijk worden uitgevoerd zolang de sociale afstand van anderhalve meter wordt gerespecteerd.

In geval ook dit niet kan worden gegarandeerd, bijvoorbeeld op kleine werven, stelt de overheid dat de ondernemingen alsnog moeten sluiten. Enkel in dit geval zal de onderneming zich in beginsel op overmacht kunnen beroepen.

Handelshuurovereenkomsten

Alle niet-essentiële winkels en horecazaken worden gesloten.[2] De betalingsverbintenis van de huurder van een handelspand ten aanzien van de verhuurder blijft in beginsel wel ongeschonden.

Om te beoordelen of er sprake kan zijn van overmacht in hoofde van de huurder, moet men nagaan of het betalen van de huurgelden door de omstandigheden daadwerkelijk onmogelijk is geworden, wat in de praktijk moeilijk aan te tonen is.

Interessant hierbij is dat het Hof van Beroep te Antwerpen in een arrest van 17 januari 2020 besliste dat het afdwingen van een brouwerijcontract wanneer een caféhouder wordt geconfronteerd met een sterke daling van de omzet noch maatschappelijk noch menselijk zinvol kan worden geacht daar dit er zou kunnen toe leiden dat de handelaar verplicht is een verlieslatende handel te blijven voortzetten.

Het is niet ondenkbaar dat er soortgelijke rechtspraak zich zal ontwikkelen in de nasleep van de COVID–19 crisis.

Koop-verkoopovereenkomsten

De overheid heeft geen algemene verbodsmaatregel getroffen voor leveringen. De leveringsplicht van de verkoper kan aldus prima facie worden nagekomen, mits men de sociale afstand van anderhalve meter in acht neemt. Indien toch onmogelijk, zal de verkoper de leveringsplicht alsnog moeten nakomen vanaf opheffing van de COVID – 19 maatregelen.

De koper zal evenwel niet gehouden zijn de betalingsverbintenis na te komen indien de oorzaak van de overeenkomst volledig komt te vervallen doordat een levering op latere datum geen enkel nut meer heeft. Men kan bijvoorbeeld denken aan de levering van bedorven goederen of het leveren van zaken voor specifieke evenementen.

Zoals steeds zal men echter eerst moeten nagaan of er een overmachtsclausule van toepassing is.

Besluit

Bij de beoordeling van overmacht moet men, na te hebben vastgesteld welke rechtsregel van toepassing is, steeds rekening houden met de concrete omstandigheden. Men moet hierbij goed motiveren waarom het nakomen van verbintenissen daadwerkelijk onmogelijk is geworden ten gevolge van de getroffen COVID–19 maatregelen. Het feit dat het nakomen van de verbintenissen door de maatregelen louter wordt bemoeilijkt of dat dit bijkomende kosten met zich meebrengt, volstaat niet. Ook zich louter beroepen op het COVID–19 virus volstaat niet om overmacht in te roepen. Het virus an sich maakt het uitvoeren van de verbintenissen niet onmogelijk, maar de eraan verbonden maatregelen wel.

Indien men niet kan aantonen dat het nakomen van verbintenissen daadwerkelijk onmogelijk is geworden, kan men zich in ondergeschikte orde beroepen op de leer van het rechtsmisbruik. Een onredelijke houding van een partij kan rechtsmisbruik uitmaken. Hoewel een partij prima facie de verbintenis kan afdwingen, zal dit gematigd kunnen worden door de rechter. Een overeenkomst moet namelijk luidens artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek te goeder trouw worden uitgevoerd.

Voor verdere vragen hieromtrent is ons kantoor steeds bereikbaar via onze website en telefonisch op het telefoonnummer 016 88 02 18.

Cristina BRIONES en Edwin BELLIS

B-V Advocaten & Partners

U kan de originele, uitgebreide versie van het artikel hier lezen.

Referenties

[1] Ministerieel besluit van 24 maart 2020 houdende wijziging van het ministerieel besluit van 23 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID – 19 te beperken, BS 24 maart 2020, 17.824.

[2] Het Ministerieel Besluit van 23 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID – 19 te beperken, BS 23 maart 2020, 17.603.

Opmerking plaatsen

Uw naam wordt privé weergegeven op de website en is niet zichtbaar voor anderen. Uw e-mailadres wordt opgeslagen maar niet gepubliceerd.