Het nieuwe dossierbeheersysteem van Justitie (JustCase) wordt momenteel op een aantal pilootplaatsen uitgetest en kampt daar met ernstige problemen. Wie die afdoet als kinderziekten, mist de kern: Justitie probeert een organisatie- en governance-vraagstuk op te lossen met een IT-project.
Over de noodzaak om Justitie te digitaliseren bestaat nauwelijks discussie. Een rechterlijke organisatie die draait op versnipperde toepassingen die amper met elkaar communiceren, kan niet meer mee. JustCase vertrekt dan ook vanuit een overtuigende ambitie. Het systeem moet op termijn de elf dossierbeheersystemen vervangen die vandaag naast elkaar bestaan. Wie bij een zaak betrokken is, of het nu gaat om een procespartij, een veroordeelde, een slachtoffer of een advocaat, zou nog maar één keer worden geregistreerd over de hele gerechtelijke keten heen.
Sinds november 2025 wordt JustCase gefaseerd uitgerold en op een aantal plaatsen als pilootproject uitgetest. Volgens de minister van Justitie moet het systeem uiteindelijk meer dan 5.000 medewerkers van rechtbanken, parketten, justitiehuizen, diensten slachtofferonthaal en andere partners in de strafrechtketen ondersteunen.
De belangrijkere vraag is waarom een systeem dat de werking van Justitie moet verbeteren, al tijdens de pilootfase die werking kan verstoren
De vraag is daarom niet alleen of JustCase kinderziekten vertoont. De belangrijkere vraag is waarom een systeem dat de werking van Justitie moet verbeteren, al tijdens de pilootfase die werking kan verstoren. Het antwoord ligt volgens mij niet in de eerste plaats in de software.
De signalen komen uit de rechterlijke orde zelf. Op 18 december 2025 publiceerde het hof van beroep Gent, in overleg met het ressort Antwerpen, een ongewoon kritische oproep over de digitale transformatie van Justitie. Een afdelingsgriffier beschreef daarin hoe bij de gegevensmigratie de bevoegde strafuitvoeringsrechtbank of kamer verkeerd werd overgenomen, personen dubbel werden geregistreerd, advocaten niet werden meegenomen en vastgestelde zittingen verdwenen. Daarbovenop kwamen taken die niet toekwamen en fouten bij het opladen van documenten. Voor de opleiding was één dag voorzien. Het hof stelde vast dat digitalisering zo geen hulpmiddel meer is, maar een bron van bijkomende werkdruk, stress en frustratie.
In januari 2026 volgde de publieke alarmbel. De voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel waarschuwde in de pers dat ongelukken een reëel risico zijn. Het College van procureurs-generaal liet weten dat het systeem in zijn huidige vorm grote risico’s inhoudt, waarvoor het vooraf had gewaarschuwd, en dat het de opvolging van in vrijheid gestelde veroordeelden ernstig bemoeilijkt. De FOD Justitie erkende dat het systeem niet vlekkeloos werkt. Ook de Kamercommissie voor Justitie boog zich over de problemen. In maart 2026 moest de Franstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel de werkzaamheden van twee strafuitvoeringskamers opschorten nadat griffiers en assistenten met een burn-out waren uitgevallen. De rechtbank wees JustCase aan als doorslaggevende oorzaak.
Inmiddels staat het dossier ook in de Europese evaluatie. In het rechtsstaatverslag van 17 juli 2026 noteert de Europese Commissie dat diverse belanghebbenden de uitvoering en doeltreffendheid van de bestaande digitale instrumenten bekritiseren en dat bij JustCase belemmeringen worden gemeld die ook het bevoegde ministerie erkent. De Commissie beveelt België aan zijn inspanningen voor een efficiëntere en digitalere justitie op te drijven.
Waarom weegt dit zwaarder dan bij een gewone bedrijfsapplicatie? Omdat een gerechtelijk dossier geen verzameling gegevens is, maar de weergave van een juridische werkelijkheid. Aan een dossier hangen partijen, raadslieden, bevoegdheden, beslissingen, termijnen, zittingen en proceshandelingen vast. Een verkeerd gemigreerde klantenfiche is lastig. Een ontbrekende advocaat, een verdwenen zitting of een slachtoffer dat niet wordt geïnformeerd over een contactverbod raakt aan de uitoefening van rechten. Dat JustCase eerst in de strafuitvoering werd uitgetest, maakt dat probleem nog scherper zichtbaar: daar gaat het om de vrijheid van veroordeelden en de bescherming van slachtoffers.
Gegevensmigratie is bij Justitie dus geen louter technische operatie. Een fout in de weergave kan een fout in de rechtsbedeling worden
Gegevensmigratie is bij Justitie dus geen louter technische operatie. Een fout in de weergave kan een fout in de rechtsbedeling worden. Dat vraagt een andere foutentolerantie en een andere manier van uitrollen. Wantrouwen in het systeem heeft bovendien een prijs. Volgens de woordvoerder van de hoven en rechtbanken in Antwerpen en Limburg vangt het personeel de gebrekkige invoering van JustCase op door wijzigingen dossier per dossier handmatig in te voeren. Wie het systeem niet vertrouwt, controleert alles zelf. Zo ontstaat een vicieuze cirkel: meer controle, meer werkdruk, minder tijd voor inhoudelijk werk, meer achterstand. Digitalisering die dat veroorzaakt, levert geen efficiëntiewinst op. Ze wordt overhead.
Dat JustCase zo moeizaam loopt, verrast wie het auditverslag van het Rekenhof over de aansturing van de digitale transformatie van Justitie heeft gelezen niet. Dat verslag, gedateerd december 2024 en begin januari 2025 openbaar gemaakt, stelde vast dat een coherente strategie ontbrak en dat drie diensten, de stafdienst ICT, het Digital Transformation Office en Crossborder, zonder duidelijke rolverdeling naast elkaar werkten. Omdat de nodige competenties intern ontbraken, deed de FOD op grote schaal een beroep op externe consultants, volgens de raming van het Rekenhof ongeveer vijfhonderd, ook in leidinggevende functies. Hun prestaties werden onvoldoende gecontroleerd en het frauderisico was onvoldoende beheerst. De toenmalige minister betwistte een deel van die vaststellingen. De Europese Commissie vatte de kern ervan samen in haar rechtsstaatverslag van juli 2025: geen overkoepelende aanpak, inefficiënt gebruik van middelen en een overmatige afhankelijkheid van externe consultants.
Een systeem kan moeilijk coherenter zijn dan de organisatie die het aanstuurt
Een systeem kan moeilijk coherenter zijn dan de organisatie die het aanstuurt. Waar diensten, projecten en leveranciers naast elkaar bestaan zonder sterke overkoepelende architectuur en governance, lost software die versnippering niet op. Ze wordt integendeel de plek waar alle organisatorische tegenstrijdigheden samenkomen. Dat is geen pleidooi tegen consultants. Een project van deze omvang heeft gespecialiseerde externe expertise nodig. Maar er is een principieel verschil tussen expertise inhuren en de kennis over het eigen systeem uitbesteden. Justitie moet zelf kunnen zeggen welke gegevens het beheert, hoe die samenhangen, welke processen kritiek zijn, welke fouten juridisch onaanvaardbaar zijn en wie verantwoordelijk is als het misloopt. Liggen de antwoorden daarop vooral buiten huis, dan is er geen digitale strategie maar een digitale afhankelijkheid.
De overheid heeft niet stilgezeten. Al in september 2024 bezorgde de vorige regering het Rekenhof een actieplan met maatregelen rond governance, coördinatie, financiële verantwoording en frauderisico’s. Volgens de toenmalige minister werden de ICT-teams van de FOD intussen samengevoegd en het huidige regeerakkoord kondigt een maximale afbouw van externe consultancy aan. Dat zijn stappen in de goede richting. Toch roepen ze een ongemakkelijke vraag op. De tekortkomingen in de aansturing waren publiek bekend bijna een jaar voordat JustCase in productie ging, en het College van procureurs-generaal zegt vooraf voor de risico’s te hebben gewaarschuwd. Waarom is de uitrol dan niet afhankelijk gemaakt van aantoonbare betrouwbaarheid?
De minister had gelijk toen ze bij de ingebruikname zei dat elke digitale transformatie tijd en aanpassing vraagt. Maar bij kritieke infrastructuur is ‘we lossen de fouten op’ geen voldoende antwoord. De relevante vraag is of kan worden aangetoond dat het systeem betrouwbaar genoeg is om de continuïteit van de rechtsbedeling te dragen. Dat vergt toetsbare gegevens: hoeveel dossiers na de migratie zijn gecontroleerd, welke soorten fouten zijn gevonden en hoeveel er nog resten, welke daarvan juridische gevolgen kunnen hebben, hoe wordt verhinderd dat een nieuwe versie nieuwe fouten binnenbrengt, wat de terugvaloplossing is als JustCase niet beschikbaar is en wie beslist dat een versie veilig genoeg is om uit te rollen. Zonder zulke criteria blijft ‘het systeem wordt steeds beter’ een moeilijk controleerbare bewering.
Rechtbanken moeten blijven zetelen, termijnen lopen door, veroordeelden worden al dan niet in vrijheid gesteld, slachtoffers moeten worden ingelicht. De rechtsbedeling kan haar dienstverlening niet stilleggen om een systeem uit te testen. Een strategie van ‘snel invoeren en onderweg herstellen’ past daar niet. De volgorde moet omgekeerd zijn: eerst testen, dan betrouwbaarheid aantonen, pas daarna uitrollen.
Wat nu? Stopzetten zou onverstandig zijn: na jaren ontwikkeling opnieuw beginnen lost niets op. Maar op dezelfde manier doorgaan evenmin. JustCase moet worden behandeld als kritieke infrastructuur van de rechterlijke organisatie. Dat veronderstelt minstens vijf keuzes. Ten eerste moet Justitie zelf technisch eigenaar worden: leveranciers kunnen bouwen, maar architectuur, gegevens, kennis en beslissingsmacht horen binnen Justitie. Ten tweede zijn onafhankelijke kwaliteitscontroles nodig: niet alleen functionele tests door de leverancier, maar ook audits van gegevenskwaliteit, migratie, prestaties, beveiliging, beschikbaarheid en juridische scenario’s. Ten derde moeten ernstige incidenten en de afhandeling ervan transparant worden gerapporteerd, intern en aan het parlement. Ten vierde moeten magistraten, griffiers en andere gebruikers mee beslissen of een functionaliteit klaar is voor gebruik, in plaats van enkel feedback te mogen geven. Ten vijfde moet elke nieuwe functionaliteit de toets doorstaan welke concrete verbetering van de rechtsbedeling ze oplevert.
Gevaarlijker is een systeem dat half slaagt: het functioneert technisch, maar zadelt gebruikers structureel op met extra controles, dubbele registraties en omwegen
Het grootste gevaar is niet dat JustCase crasht. Een volledig mislukt systeem wordt uiteindelijk vervangen. Gevaarlijker is een systeem dat half slaagt: het functioneert technisch, maar zadelt gebruikers structureel op met extra controles, dubbele registraties en omwegen. Dan wordt JustCase niet de oplossing voor de versnippering, maar de nieuwe laag waarop de volgende generatie uitzonderingen en koppelingen wordt gebouwd, tot iemand over tien jaar een project opstart om JustCase te vervangen.
De fundamentele vraag is daarom niet alleen of JustCase goed werkt, maar of Justitie de organisatorische, technische en bestuurlijke capaciteit heeft om een systeem als JustCase zelf te beheersen. Is het antwoord ja, dan kan JustCase nog worden wat het moest zijn. Is het antwoord nee, dan zullen extra budgetten, consultants en softwareversies het probleem niet oplossen. Een achterstand in organisatie en bestuur laat zich niet wegautomatiseren. JustCase is zo een test van de digitale volwassenheid van de Belgische justitie. Op basis van wat vandaag bekend is, is die test nog niet geslaagd.
Pierre Thiriar – Deze bijdrage vertolkt louter de opinie van de auteur in eigen naam.
Andere artikels en opiniestukken van Pierre Thiriar lees je hier.



0 reacties