Dat we in 1963 afstudeerden, betekent dat onze studententijd al in 1958 aanving, het jaar van de wereldexpo. Dat is dus al 68 jaar geleden. In een tijd waarin voetbalvelden de oppervlaktemaat werden en de olympische zwembaden de inhoudsmaat, concretiseer ik die indrukwekkende tijdsperiode als volgt: dat zijn 8 Pausen, 13 Amerikaanse presidenten, 21 Belgische premiers… of wat eenvoudiger: het is de tijd waarin we kinderen, kleinkinderen en soms al achterkleinkinderen kregen.
We worden alumni van de KUL genoemd, maar eigenlijk studeerden we af aan een totaal andere universiteit, na een totaal ander studentenleven, in een totaal andere wereld. Toen ik de verschillen begon op te lijsten, dikte die lijst dag per dag aan. Ik bleef maar schrijven en zo werd het dit lange verhaal.
Mijn geheugensteuntje was de groepsfoto, genomen tijdens ons eerste jaar. Tekenend dat alle meisjes op de eerste rij staan, braafjes naast mekaar, zoals dat vijf jaar lang het geval bleef tijdens de colleges. Ik tel er 15, maar ik weet wel nog dat we in 1963 met 8 overbleven op een totaal van 66. Dus al enige vrouwelijke aanwezigheid, zij het een kleine minderheid, die bovendien aan strengere regels onderworpen was. De eerste twee jaar verplicht gehuisvest in een ‘peda’, maaltijden inclusief (dus geen Alma), avondklok om tien uur (een dag per week uitgezonderd), verbod jongens op de kamer te ontvangen.
De universiteit zelf was een uitgesproken mannenwereld. Al onze professoren waren mannen, al droegen er de nodige een kleed, enfin een soutane.
*.
De universiteit, waaraan wij studeerden was immers van hoog tot laag uitgesproken katholiek, met een Monseigneur als rector (steeds in vol ornaat) en het college van de Belgische bisschoppen als academische overheid. In zijn openingsrede van het academisch jaar beklemtoonde de rector steevast dat de katholieke leer en het geloof in God centraal stonden in het universitaire gebeuren.[1] We hadden een studentenpastoor, hoofd van een studentenparochie. Ook het straatbeeld van Leuven oogde katholiek met de vele pijen van de paters en de soutanes van de student-seminaristen, die toen het grote Leo XIII-gebouw volledig vulden. Op vrijdag serveerden de studentenrestaurants enkel vis.[2] …
Maar dat alles maakte in feite gewoon deel uit van het toen nog oerkatholieke Vlaanderen.[3]
*
De universiteit, waaraan wij studeerden, was oorspronkelijk eentalig Frans. Eind jaren dertig begon men er beetje bij beetje colleges in het Nederlands te geven, maar dan wel gefinancierd door de Stichting Vlaamse leergangen van Leuven.[4] De reden was eenvoudig, er gingen te veel katholieke Vlamingen aan de Gentse Rijksuniversiteit studeren, die was in 1930 uiteindelijk eentalig Nederlands geworden.
In Leuven was het wel één universiteit gebleven met zowel Franstalige als Nederlandstalige colleges – en dus zowel Nederlandstalige als Franstalige studenten-, maar dus met slechts één rector en slechts één rechtsfaculteit met slechts één decaan. De niet meteen erg Vlaamsgezinde (toenmalige) rector Ladeuze had die vernederlandsing toegestaan in de overtuiging dat samenbrengen van Vlaamse en Franstalige studenten een uniek middel zou worden om de nationale eenheid te bevorderen!
Misschien toch niet zo’n denderend juiste inschatting!
In onze tijd hadden de Franstaligen het in ons land nog voor het zeggen en werd er op de Vlamingen nogal eens neergekeken, met name ook in de Leuvense Franstalige studentenpers , die het steevast over “les ménapiens” had als het over de Vlamingen ging en de pas aangelegde autostrade Brussel- Oostende,[5] tot “la transménapienne” had gedoopt. “Ons Leven” van zijn kant was ook niet altijd even vriendelijk. De Walen kregen er regelmatig de raad zich als “buitenlanders toch maar gedeisd te houden”. Er werd toen wel al geregeld “Leuven Vlaams” geroepen, maar ik herinner me niet of het toen ook al “Walen buiten” klonk. Confrontaties op straat en in de cafés bleven dan ook niet uit. Vooral bij communautaire spanningen op nationaal politiek vlak, organiseerde het KVHV geregeld grootse studentenbetogingen. Dat was uitgesproken het geval in het academiejaar 1959-1960[6], toen Wilfried Martens praeses van het KVHV was.[7] Bij de (ook dan) gebruikelijke rellen functioneerde de politie te paard als waterkanon en kasseien, uitgebroken uit de toen nog geplaveide straten, als vuurwerk.
Ik betwijfel of wij ons toen realiseerden dat wij samen met de Franstalige studenten slechts één rechtsfaculteit vormden met dus maar één decaan en dat dit tijdens onze doctoraten voor de eerste keer een Vlaming was: Prof. Zeger Van Hee. We wisten ook weinig af van de communautaire spanningen tussen de twee professorencorpsen toen, die er toe leidden, dat die ene faculteit begin 1963 -dus enkele maanden voor ons afstuderen -gesplitst werd in twee autonome rechtsfaculteiten met dus elk een decaan. Decaan Van Hee, ook Voorzitter van de Vereniging van Vlaamse professoren, speelde daar een cruciale rol in. Het werd een prille voorloper van de uiteindelijke totale splitsing van de universiteit, die pas in 1968 aanving.
Eén rechtsfaculteit bracht ook mee dat we het Spoelbergh Instituut, waar de rechtsfaculteit toen[8] gevestigd was, deelden met de Franstalige rechtsstudenten, inclusief de (bescheiden) rechtsbibliotheek, die hoofdzakelijk bestond uit Franstalige rechtsspraak en rechtsleer, want Nederlandstalige rechtsliteratuur bestond toen amper. Er waren slechts twee Nederlandstalige rechtstijdschriften: het RW en het Tijdschrift voor Notarissen[9], zodat de uitspraken van Vlaamse rechtbanken en hoven amper gepubliceerd werden. Het hof van beroep van Antwerpen bestond zelfs nog niet, dat werd pas in 1975 opgericht.
We deelden ook de pedel, het enige (ons bekende) administratieve personeelslid van die ene rechtsfaculteit! Zijn taak was o.m. berichten aan de studenten ad valvas op te hangen. Ik herinner me niet dat daar ooit één Engels woord op stond. Erasmus dateert van vele jaren later en dus ook de berichten en de colleges in het Engels.
Frans was voor ons nog de onbetwiste tweede taal. De Page onze juridische bijbel. Wij moesten het dus nog voldoende onder de knie hebben/ krijgen om de niet zo eenvoudige technisch juridische redeneringen van de overwegend Franse rechtsbronnen in al hun nuances te begrijpen. Het is vandaag spijtig genoeg anders.
*
In ons jaar zaten, zoals in alle andere jaren van de Nederlandstalige afdeling Rechten, enkel Vlaamse studenten m.a.w. geen buitenlanders, noch studenten met een andere huidskleur.[10] Er waren wel de nodige Franstalige Vlamingen, die meestal voor hun kandidaturen naar Namen gingen studeren aan de universitaire instelling Notre Dame de la Paix, opgericht door de Jezuïeten. In onze tijd was in Vlaanderen Frans nogal eens de voertaal van welgestelde families.[11] Maar ook sommige Nederlandstalige Vlamingen gingen naar Namen studeren om hun (juridisch) Frans wat aan te scherpen. Die studenten hadden in de doctoraten soms nog persoonlijk contact met hun gewezen Franstalige medestudenten. Maar dergelijke contacten waren wel de uitzondering, niet de regel.
De Vlaamse studenten, zeker van dezelfde streek, spraken onder mekaar nog geregeld dialect. ABN-kernen deden ijverige pogingen om het Algemeen Beschaafd Nederlands tot algemene voertaal te maken, met wisselend succes. Maar ook het ‘beschaafde’ Nederlands van de toen beperkte Nederlandstalige rechtsliteratuur had weinig te maken met het mooie genuanceerde en creatieve Nederlands van de tsunami aan Nederlandstalige rechtsliteratuur die er vandaag is. Denk maar aan het “onzes erachtens” van Kluyskens. Contact met bekende vooraanstaande Nederlandse juristen leek daarom aangewezen . Niet zo lang voor wij in Leuven begonnen te studeren was de “Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht in België en Nederland” opgericht (alias de Vereniging met de lange naam)[12], die ook vandaag nog actief is (maar dan vooral op het inhoudelijke vlak).
*
Maar terug naar de groepsfoto . Die is getrokken in het Maria Theresia college, alias de Mietrees, waar de colleges van Wijsbegeerte en Letteren gegeven werden. Onze rechtenstudies verliepen immers toen totaal anders. Ook de ‘kandidaturen’ in de rechten – die vooral op algemene cultuur gericht waren – behoorden tot die faculteit. We kregen enkel in het tweede jaar twee rechtsvakken: Inleiding tot het Recht en Romeins Recht. Voor sommige colleges (metafysica) zaten we toen met alle studenten wijsbegeerte en letteren samen en daarvoor volstond de aula met haar amper 500 zitplaatsen! Zoveel minder talrijk waren we toen!
De rechtsvakken kwamen pas echt aan bod tijdens de drie ‘doctoraten’, waarna wij afstudeerden als ‘doctor juris’ omdat de rechtenstudies vijf jaar duurden en er daarom geen doctoraatsthesis geëist werd. We hebben trouwens überhaupt weinig werken moeten maken. Ik herinner me vooral een seminariewerk voor verbintenissen in het eerste doctoraat, dat door Jan Ronse gegeven werd, die toen nog geen basisvak mocht geven en waarbij Walter Van Gerven assisteerde. Een medestudent van dat seminarie was Jean-Luc Dehaene! Zo lang is dat allemaal geleden!
Werken schrijven gebeurde toen nog in Middeleeuwse omstandigheden, geen fotokopieerapparaten of databanken , maar urenlang zoeken, overpennen en verder uitpennen. Sommigen konden wel al – dankzij een manuele typmachine – een wat leesbaarder werk indienen en er met wat carbonpapier een paar overdrukken van maken. Enkele woorden fout typen betekende dan wel alles herbeginnen. Alleen met typ-ex zou later een typfout te verbeteren vallen, althans op het origineel.
*
Wij studeerden aan een universiteit met een strikt jaarsysteem: colleges van oktober tot en met mei, drie weken blok en op 22 juni start van de examens. Die waren allemaal mondeling en samengeperst in een paar dagen. In onze eerste kandidatuur waren dat er twee, met onmiddellijke deliberatie op de tweede avond. Voor het examen waren we in groepen ingedeeld, loting van een letter van het alfabet bepaalde de volgorde. In ons eerste jaar was de eerste groep al de avond van 23 juni gedelibereerd!
Als summum herinner ik me de examens van het eerste doctoraat. Vijf van onze professoren hadden toen plaats genomen in één groot lokaal in Spoelbergh. We gingen dat lokaal binnen en toen we er buiten kwamen, hadden we meer dan de helft van de examens van dat jaar afgelegd!
Dus wel bijzonder korte en bijzonder harde pijn, stress navenant en dus ook de nodige concentratie en kalmeerpillen, maar geen drugs, maar ook geen door de universiteit georganiseerde psychologische ondersteuning, wel van de ouders of van het lief.
Het niet te onderschatten resultaat van die harde aanpak was wel een goed overzicht over het recht in zijn geheel, dat toeliet verbanden te leggen tussen de verschillende rechtstakken. Dat lukt vandaag misschien wel moeilijker.
Was onze generatie stoerder en tot meer in staat dan vandaag? Ik denk het niet. Het Recht was toen een stuk minder complex. De sociale zekerheid en het arbeidsrecht stonden nog in de kinderschoenen, het EVRM was pas in september 1953 in werking getreden, er was dus amper rechtspraak over (en vooral nog geen Marckx-arrest); het EEG verdrag in 1957 ondertekend, had (behalve vanaf 1962 voor het mededingingsrecht) pas serieuze impact vanaf 1 januari 1970. België was nog een volledig unitaire staat, de eerste regionaliseringshervorming dateert van 1970 …
Wij hadden amper fulltime proffen, sommige waaiden ’s morgens om 8 uur even Spoelbergh binnen om hun les te geven en nadien meteen met hun chauffeur naar Brussel te verdwijnen. Op verbeteren van werkjes waren die niet echt uit. Sommige proffen gaven wel een cursus uit, al werd dat van hen niet verwacht en die bleef in de regel bescheiden van omvang. Denk maar aan de twee dunne boekjes van verbintenissenrecht.[13] Zo niet moesten we terugvallen op onze neergepende eigen nota’s, of de geschreven ‘webinar’ die enkele vlijtige studenten daarvan maakten[14] en bij de Acco te koop was … tot groot geluk van de brossers.
Vooral in de doctoraten werd het nodige gebrost. Hoe weinig talrijk we toen waren blijkt uit de remedie die dat moest tegengaan: het nemen van ‘absenties’. Dat impliceerde afroepen van de naam van alle studenten die het college dienden te volgen. Begin daar vandaag maar eens aan!
Een pak zwaarder was wel dat er nog geen creditsysteem gold en de gebuisden in september dus alle vakken opnieuw moesten afleggen.
Het eindverdict beperkte zich trouwens tot geslaagd – al dan niet met een graad – of gebuisd. Maar nul informatie over de behaalde cijfers en dus ook geen mogelijkheid om dat verdict aan te vechten. Een prof daarover ter verantwoording roepen of hem van autoritair gedrag beschuldigen was toen doodgewoon ondenkbaar. Dat was tekenend voor het statuut van de hoogleraar in die tijd, de eerbiedwaardige man die in een magister dixit-systeem vooraan zijn hoorcollege debiteerde en waarvoor wij beleefd rechtstonden toen hij binnenkwam. Soms werd zelfs na elk college geapplaudisseerd!
*
Wij studeerden aan een rechtsfaculteit die moeilijk een actief centrum van wetenschappelijk onderzoek te noemen was. Publicaties van de professoren waren er amper. Echte universiteitsassistenten die daarvoor ingeschakeld konden worden, waren er niet.[15] Een prille verbetering tekende zich af op het einde van onze studentenjaren, m.n. onder het decanaat van prof. Van Hee. Er waren toen voor het eerst een paar pas afgestudeerden dankzij een beurs aan een van de grote (maar superdure) Law Schools van de VS gaan studeren, waar wetenschappelijk onderzoek centraal stond. Door nadien een ‘hoger aggregaat’ (doctor waren ze al) te schrijven, lieten die blijken universitaire en wetenschappelijke ambities te hebben. Tijdens ons tweede doctoraat had de eerste toewijzing van basisvakken aan die nieuwe generatie plaats.[16] Het jaar nadat wij afstudeerden volgden andere jonge fulltime benoemingen[17], dat werd de start van intens wetenschappelijk onderzoek, dat uitmondde in de nodige publicaties.[18]
*
Wij studeerden aan een universiteit met een ongeschreven strikte dresscode. Op die groepsfoto draagt geen enkel van de meisjes een lange broek, – dat was voor de wintersport – laat staan sneakers. Baskets (zoals dat toen noemde) droeg men alleen bij het sporten. Ik herinner me hoe elegante schoenen met 10 cm hoge hakken toen voor ons volop mode waren en we daarmee geregeld klem zaten tussen de Leuvense straatstenen.
Op deze doordeweekse dag hebben alle studenten een hemd met das aan . Bij de examens hoorde daar ook nog een keurig maatpak bij, voor ons was dat een ‘complet’, een mantelpak met rok[19] en een blouse mooi tot boven toegeknoopt. De gevleugelde uitspraak van Jacques Herbots “juffrouw ik heb meer inzicht in uw decolleté dan jij in mijn stof” dateert van decennia later.
Maar ook in het studentenleven ging het er erg formeel aan toe: dresscode voor het jaarlijkse VVS studentenbal “Waar is de tijd”: smoking en lange avondkledij voor de dames.
*
De universiteit waaraan wij studeerden telde enkel jongens of meisjes. Of alle studenten in dat zwart-wit plaatje pasten, was toen niet aan de orde, was zelfs taboe of werd doodgezwegen, zoals eigenlijk alles wat met seksualiteit te maken heeft. Het was ook de tijd van voor ‘de pil’. Dat was deels uit onwetendheid of schroom, maar in die tijd beschikten wij amper over een geciviliseerde woordenschat om over die dingen te praten. “Grensoverschrijdend gedrag” is een woord van de eenentwintigste eeuw. Niet de minste twijfel dat dat toen ook gebeurde, maar dat werd doodgezwegen. Ook #metoo is van de eenentwintigste eeuw.
Maar dat alles belette niet dat ook in onze tijd behoorlijk gekust en geknuffeld werd en de universiteit haar rol als huwelijksbureau ook toen naar behoren vervulde, niet in het minst wat ons jaar betreft.
Maar in onze tijd ging het er alles samen wel vrij braafjes aan toe. Geen disco’s, geen festivals. geen drugs… Er waren wel die brave TD’s (thé dansants), waar wij, mooi uitgedost, de toen nog populaire ballroomdansen dansten volgens de daarbij voorgeschreven regels, als wals, tango, foxtrot, slows …Maar ik kan niet verzekeren dat wij daarbij de 10 cm minimum afstand respecteerden, die baas Janssens in zijn cursus moraal voor dansparen voorschreef. Af en toe werden er toen ook wat nieuwe dansen met nog steeds een welbepaald patroon gelanceerd, als de chachacha, de twist … Bij het schrijven van dit verhaal herinner ik me plots welke van de medestudenten me die dansen tijdens een TD leerde en wie van onze jaargenoten in die nieuwe dansen uitblonk.
De rector in persoon waakte er over dat goede zeden geëerbiedigd werden. Hij doorkruiste geregeld ‘s avonds in zijn Cadillac met chauffeur de smalle straatjes van Leuven en wee de koppeltjes die die avond op een te nadrukkelijke manier afscheid namen![20]
*
Onze studententijd was nog die van de kotmadam en daarnaast enkel nog omgebouwde herenhuizen met zoveel koten als er vensters in de slaapkamers geweest waren, af en toe wel met de nodige charme van een mooie grote eikenhouten trap of gemouleerde plafonds en deuren….De idee dat mooi uitgeruste studentenkamers/studios in daarvoor speciaal gebouwde woonblokken een interessante investering uitmaken, dateert van jaren later. Wij genoten ook slechts het beperkte comfort van toen: weinig sanitair (omzeggens nooit een douche), hoogstens een gemeenschappelijke keuken zonder ijskast, verwarming met mazout of gasvuurtjes of kolenkachels, (zelfs) geen (vaste)telefoon, geen TV, laat staan laptops, internet, GSM, AI…. Maar ook vandaag blijkt het comfort en zelfs de hygiëne en veiligheid van vele (zelfs dure) koten meer dan te wensen over te laten.
*
Onze studentenjaren waren, dankzij het jaarsysteem, wel nog de tijd van de ‘Prins Student’ en van een bruisend studentenleven met zeer actieve faculteitskringen[21] en een KVHV dat toen nog de traditioneel belangrijkste studentenorganisatie was. Dat gaf zelfs wekelijks een studentenblad uit Ons Leven en was de motor niet alleen van politiek engagement, maar ook van bijna wekelijkse culturele activiteiten, waaronder concerten met internationale artiesten. De Vereniging van Vlaamse studenten (VVS) vond toen de tijd om in februari 1961 het Groot-Nederlands studentencongres te organiseren met als thema “Wezen van de universitaire vorming”. 12 Vlaamse en 9 Nederlandse professoren[22] (allemaal mannen) namen er het woord, het drie pagina’s lange erecomité telde o.m. 2 ambassadeurs, de voorzitters van Kamer en Senaat, alle rectoren, 14 ministers ….
Er was plaats voor een actieve filosofisch maatschappelijke denktank als Universitas. Er werd aan toneel gedaan, er bestond een studentenorkest en zelfs een studenten volksdansgroep…
In één woord wij hadden toen de tijd en de mogelijkheid andere vaardigheden aan te leren dan vertrouwd te geraken met ons vakgebied.
*
Of onze studententijd ook een tijd was van de ‘Prinses Studentin’, is wel een andere vraag. Ook het studentenleven was in grote mate een mannenaangelegenheid, zeker wat de organisatie ervan betreft. De meisjes die in de leiding zaten van een studentenorganisatie of faculteitskring waren op één hand te tellen. Er preses van worden, was gewoon ondenkbaar.
Pintelieren tot in de vroege uurtjes, lid zijn van een studentenclub, gedoopt worden, de Bierbeek biermarathon meedoen … was een werkelijk exclusief mannengedoe, maar eerlijk gezegd echt gefrustreerd of gediscrimineerd voelden wij ons daardoor niet.
*
Mijn evaluatie over mijn studententijd: een merkwaardige, verrijkende, boeiende en onvergetelijke tijd. Ik heb in die mannenwereld nooit het gevoel gehad dat op mij neergekeken werd omdat ik een vrouw was. Ik heb me altijd volledig geaccepteerd gevoeld, zowel door de proffen als door de medestudenten.
63 jaar geleden gingen de 8 overblijvende studentinnen de minderheid van vrouwen vervoegen met een rechtsdiploma. Dankzij de emancipatie van de vrouw, die pas na ons afstuderen echt een elan kreeg, behoren verschillende van hen tot de eerste vrouwen die een bepaald beroep of functie uitoefenden, die tot dan traditioneel aan mannen voorbehouden was.
Mieken Puelinckx-Coene, Promotie 1963



0 reacties